← Back to catalogue

Policy and Policy Development II

Author:
Hans von Sassen
Original title:
Beleid en beleidsontwikkeling II
Type:
Syllabus
Language:
Dutch
Year:
1987
Pages:
8
Subject:
How to develop policy?
NPI reference no.:
5579.8710

syllabus: 55/9,8710
HS/LG
BELEID EN BELEIDSONTWIKKELING II
Hoe wordt beleid ontwikkeld?
Het gaat nu om de vraag hoe beleid tot stand komt, dus om
het proces van beleidsvorming.
1.
De aanleiding tot beleidsontwikkeling
Zoals in “Beleid en beleidsontwikkeling 1", nr. 5995 is
beschreven, handelen en besluiten mensen, ook waar geen
beleid is overeengekomen en geformuleerd, altijd op grond
van een “impliciet beleid", Dit beleid of de '"beslis-
singsstijl" kan zijn voortgekomen uit persoonlijke menin-
gen en gevoelens van (leidende personen of meer uit de
aard van het werk en de omstandigheden, waarin de organi-
satie verkeert (of vroeger verkeerde!). Het is dan ver-
borgen in gewoonten, tradities, de stijl van leiding ge-
ven, e.d. In de pionierfase van een organisatie zijn
meestal nog de voorwaarden aanwezig om op grond van dat
impliciete beleid met succes te handelen. Naarmate de or-
ganisatie echter groeit en de omstandigheden in de bui-
tenwereld veranderen, wordt het historisch gegroeide im-
pliciete beleid onvoldoende of werkt remmend. Bovendien
neemt de kans toe, dat verschillende personen of afdelin-
gen dezelfde zaken of problemen anders behandelen, omdat
andere, soms elkaar tegensprekende beleidscriteria gehan-
teerd worden. Dit wordt (aanvankelijk) lang niet altijd
duidelijk onderkend, maar is wel de bron van vele misver-
standen en conflicten. Dat leidt ten slotte tot de roep
om een duidelijk, d.w.z. bewust gekozen "expliciet be-
leid",
Zodra de topleiding heeft ingezien, dat daar iets aan ge-
daan moet worden, gebeurt gewoonlijk het volgende, De
directie gaat om de tafel zitten en komt op grond van
discussies tot de formulering van een nieuw beleid; of
zij vraagt aan stafmensen een nota of beleidsvoorstel te
schrijven. Grote ondernemingen vormen stafafdelingen die
de taak krijgen doelstellingen, beleid, strategie of
lange termijnplannen te bedenken en voor te stellen. Deze
worden, als alles goed gaat, al of niet veranderd, goed-
gekeurd en tot officieel beleid verheven. De meeste voor-
stellen en nota's verzanden echter om velerlei redenen in
de organisatie en eindigen in de archiefkast.
De ervaring is steeds weer, dat de invloed van zo een of-
ficieel aanvaard beleid in de praktijk tegenvalt of zelfs
nauwelijks aantoonbaar blijkt te zijn. Een aantal fraaie

principes leidt een papieren bestaan en wordt bij concre-
te beslissingen veelal vergeten. De reden daarvan is
o.a. dat de beleidsprincipes zo algemeen zijn gesteld,
dat vele beslissers het verband met hun concrete situatie
niet herkennen, of dat de beleidsuitspraken geen antwoord
geven op die problemen, waarmee zij in hun situatie ei-
genlijk worstelen. Alleen degenen, die aan de nota's heb-
ben gewerkt en aan de discussies deelgenomen, hebben er
(soms veel) van geleerd en proberen het beleid in prak-
tijk te brengen; ze zijn meer gemotiveerd en maken minder
fouten bij beslissingen, omdat ze meer samenhangen zien.
Gedacht beleid en gedaan beleid
Een beleid waarnaar gehandeld wordt, hetzij bewust of on-
bewust, noemen we "gedaan beleid", Beleid dat in gedach-
ten uitgedrukt en in taal geformuleerd is, noemen we "ge-
dacht beleid", Een officieel vastgesteld beleid in de
vorm van gedachten heeft alleen zin, wanneer het tot ge-
daan beleid wordt, als er dus in het gebeuren van alledag
naar gehandeld wordt. Dit betekent, dat het proces van
beleidsontwikkeling niet afgelopen is, als het nieuwe be-
leid geformuleerd en vastgesteld is. Als het zover is
komt de tweede helft van het proces, namelijk de invoe-
ring of realisatie van het voorgenomen beleid. Pas als
dit nieuwe beleid op een vanzelfsprekende wijze richtlijn
is geworden voor de feitelijke beslissingen - d.w.z. oude
(onbewuste) beleidscriteria heeft vervangen - is de be-
leidsontwikkeling tot een einde gekomen. Dit laatste
wordt vaak zeer onderschat. Invoering van een nieuw be-
leid brengt consequenties met zich mee, zoals nieuwe of
veranderende functies, organisatievormen en middelen die
nodig waren, en niet te vergeten, nieuwe of veranderde
inzichten, capaciteiten en houdingen van mensen.
Dat roept, zoals bekend, vele weerstanden op. Bestaande
inrichtingen, meningen, gewoonten, enz. vormen a.h.w. een
barrière voor de realisatie van nieuw beleid, zelfs als
niemand — op het niveau van het intellect - twijfelt aan
de juistheid van het nieuwe beleid!
Een voorwaarde voor het realiseren van nieuw beleid is,
dat de mensen er ja op zeggen, omdat het beleefd wordt
als relevant voor de beslissingen die zij in de praktijk
moeten nemen, dat het de besluitvorming vergemakkelijkt
(m.n. doordat men het sneller met elkaar eens kan worden
en daarover makkelijker kan communiceren met anderen) en
het geheel van samenhangen, waarmee zij rekening moeten
houden, doorzichtiger maakt.
We duiden dit feit aan als "beleefd beleid". "Gedacht
beleid kan dan pas tot "gedaan beleid" worden, als het in

positieve zin "beleefd beleid" geworden is. Naar een or-
ganisatie kijkende, kan men zich steeds afvragen of het
(officiële) beleid bij de mensen leeft en hoe het "be-
leefd!" wordt. Daarvan hangt af,‚ of dit beleid inderdaad
"bestaat", d.w.z. werkzaam is.
Beleidsontwikkeling als een cyclisch proces
De vraag is nu, hoe nieuw beleid, dat niet alleen door
enkelen (uit-)gedacht is, maar in de hele organisatie be-
leefd en gedaan wordt, tot stand komt. Het proces dat
daartoe nodig is, wordt in het volgende kort beschreven.
Nieuw beleid wordt beter geaccepteerd en dus ook in de
bestaande organisatie geïntegreerd (gerealiseerd) naarma-
te dit niet alleen is afgeleid uit opvattingen en wense-
lijkheden, die de opstellers ervan zien, maar voortkomt
uit een analyse van de werkelijke situatie.
Deze analyse gaat uit van de vragen:
- hoe wordt nu op een bepaald gebied in onze organisatie
gehandeld en beslist?
- door welke criteria, tradities, enz. dus (onbewust)
“gedaan beleid", wordt dit eigenlijk bepaald?
„- welke problemen en behoeften t.a.v. beleid leven er in
de sfeer van het werk (b.v. behoefte aan een duidelij-
ker, consistenter beeld ten aanzien van ‚…...)?
Met een dergelijke analyse begint de "eyelus van beleids-
ontwikkeling". Eerst als dit gebeurd is, weet men wat de
eigenlijke problemen zijn, die om een nieuw beleid vragen
en kan men beginnen zich een denkbeeld te vormen over hoe
het nieuwe beleid er zou moeten uitzien, dus beginnen een
conceptie te ontwerpen.
N.B.: Deze gang van zaken berust eigenlijk op dezelf-
de logica, die ook geldt voor het ontwikkelen
van opleidingen. Opleidingsdoelen en program-
ma's worden niet zonder meer afgeleid uit alge-
mene overwegingen, b.v. wat anderen zouden moe-
ten kunnen -— wat nog vaak gebeurt - maar uit de
opleidingsbehoef ten, die blijken wanneer de
werkelijke situatie, waarin de betref fenden
verkeren, is geanalyseerd. Iets overeenkomstigs
geldt voor doelstellingen en plannen op andere
gebieden.
Beleid ontwikkelen is dus niet: iets bedenken en invoe-
ren, maar iets aflezen uit werkelijke situaties en daar
naar handelen,

Is het nieuwe beleid geconcipieerd en voorlopig gef ormu-
leerd, dan komt een fase van toetsing aan aangrenzend en
omvattend beleid (waarmee mogelijk al rekening is gehou-
den bij het concipiëren) door andere afdelingen en het
algemene management.
B.v.: Is het inkoopbeleid niet ín strijd met het kwa-
liteitsbeleid of klopt het loopbaanbeleid met het
overige personeelbeleid? Gaat het om opleidingsbe-
leid, dan zal dit moeten aansluiten op het medewer-
kersbeleid (aannamebeleid, loopbaanbeleid, enz.) en
het organisatiebeleid (d.w.z. volgens welke principes
en spelregels organiseren en reorganiseren wij). Ver-
der dient het op z'n minst niet in strijd te zijn met
ander deelbeleid en het algemene bedrijfsbeleid.
Ten slotte valt het principiële besluit dit (voorgestelde
en getoetste) beleid tot richtsnoer van toekomstig hande
len te maken (“intentieverklaring"). Intentieverklarin-
gen en beleidsnota's bevatten overwegend principiële uit-
spraken, die dichter bij de praktijk gebracht moeten wor-
den, voordat ze tot "gedaan beleid” kunnen worden.
In het nu volgende proces onderscheiden we weer twee
hoofdfasen:
1. Het maken van een “beleidsplan”, d.w.z. een plan voor
een reeks van acties en maatregelen, die nodig zijn om
het bedoelde beleid te realiseren. Tijdens dit proces
worden de beleidsprincipes tot concrete voorstellingen
bij de betrokkenen (concretiseren).
“2. De uitvoering van dat plan, dus de feitelijke realisa-
tie.
Daarmee is het proces van beleidsontwikkeling bij zijn
uitgangspunt, de werksituaties, teruggekomen en is de cy-
clus afgesloten.

Wij vatten het tot nu toe beschreven proces in het volgende
beeld (model) samen:
Totaaloverzicht t
\ Leiding |
\ BESLUIT hi
CONCIRIËREN CONORETISEREN
(nieuw beleid) gedacht beleid (in een beleidsplan)
BEELD PLAN
ANALYSEREN REALESEREN
(onderkennen van gedaan beleid (nieuw beleid)
impliciet beleid)
! CONCRETE |
i WERKELIJKHEID
Werksituatie
Veelheid aan ervaringen
Î
Boven is de sfeer van het denken, onderaan die van het han-
delen. De eyclus begint in de werkelijkheid, dus in situa-
ties, waar mensen handelen en ervaringen hebben, Na waarne-
ming en analyse van die situaties, heeft men een beeld van
de krachten, problemen, behoeften, e.d., die daarin werke-
lijk aanwezig zijn. Het in de situatie werkzame onbewuste
beleid is dan bewust geworden, anders gezegd; het gedane be-
leid kan nu ook gedacht worden, zodat duidelijk wordt of en
wat eraan herzien of aangevuld moet worden. Is uit dit denk-
proces een bruikbare conceptie geboren, dan voert dit tot
het besluit om een nieuw beleid te aanvaarden. Vervolgens
wordt het "gedachte beleid" verdicht tot een plan, dat be-
schrijft hoe men zich voorneemt dit beleid in de organisatie
tot werkelijkheid te laten worden. Door de daaropvolgende
actie (maatregelen, opleidingen, enz.) wordt het nieuwe be-
leid in de bestaande werkelijkheid geïntegreerd. De ver-
schillende fasen van dit ontwikkelingsproces worden in de
cursus verder uitgewerkt,

bk. Wie is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van beleid?
Of een nieuw beleid werkelijk tot stand komt, hangt niet
alleen af van de beschreven werkwijze, maar ook daarvan,
wie ín dit proces betrokken wordt. Dit proces wordt al-
leen dan werkelijk doorlopen, blijft dus niet ergens ste-
ken, wanneer er een krachtige "motor" aanwezig is;
d.w.z. een aantal geëngageerde medewerkers, dat het be-
lang ervan inziet en bereid is de "kar te trekken",
Bovendien moet de topleiding het daarmee eens zijn en de
betreffende groep ondersteunen. Het is niet voldoende,
dat iemand de opdracht krijgt in een bepaalde afdeling
een onderzoek te doen (situatie-analyse) en het resultaat
daarvan "naar boven" door te geven, waar dan een nieuwe
beleidsconceptie ontwikkeld wordt, die de top vervolgens
"tot wet verheft". Naarmate meer medewerkers van de te
onderzoeken afdeling, niet alleen passief, maar ook ac-
tief, betrokken worden bij observatie, interview en ana-
lyse, des te beter worden de betreffende medewerkers zich
bewust van de onbewuste criteria achter hun eigen beslis-
singen (en die van hun voorgangers) en het waarom van de
bestaande gewoonten en inrichtingen van hun afdeling (en
de omgeving daarvan). Eerst dan raken zij werkelijk geïn-
teresseerd in een nieuwe beleidsconceptie en verweren zij
zich daar niet meer tegen als iets dat zogenaamd oanprak-
tisch of bedreigend is. Enkelen van degenen, die aan de
analyse hebben meegewerkt, zouden ook aan het conceptuele
werk moeten deelnemen. Soortgelijke overwegingen gelden
ook voor het derde en vierde kwadrant van de cyclus.
Beleidsontwikkeling is eigenlijk een aspect van organisa-
tie-ontwikkeling. Daarom zouden in het bijzonder de func-
tionarissen, of de afdelingen die belast zijn met "orga-
nisatie" en met "opleidingen" daarbij als deskundigen en
als begeleiders betrokken moeten zijn. Dit zullen zij des
te beter Kunnen doen en in die rol door de anderen geac-
cepteerd worden, naarmate zij voor hun eigen werk een
bruikbaar organisatiebeleid, respectievelijk opleidings
beleid hebben ontwikkeld. Zij spreken en handelen dan na-
melijk niet alleen vanuit een theorie van beleidsontwik-
keling, maar ook uit eigen ervaring en daarom overtuigen-
der,
De opleiding(safdeling) heeft in het bijzonder be-
hoefte aan beleid, omdat:
- opleiden in wezen een werking op lange termijn
heeft;
- het functioneren van de afdeling in hoge mate af-
hankelijk is van vragen en beslissingen elders;

- de meeste leidinggevenden nog weinig begrip hebben,
wat opleidingen voor hen kan doen en welke voor-
waarden daarvoor nodig zijn;
- er t.a.v. opleiden en leren veel meer ongetoetste
meningen en onbewuste criteria bestaan, dan t.a.v.
andere gebieden, b.v. de produktie.
Het tot stand komen van een opleidingsbeleid kan ertoe
bijdragen, dat meer mensen in de organisatie zich van de
genoemde punten bewust worden en de opleidingsafdeling
uit haar isolement komt.
Iets dergelijks geldt ook voor de organisatiefunctie
(respectievelijk -afdeling). Organiseren en reorganiseren
heeft vaak verstrekkende gevolgen voor mensen en finan-
ciën, is dus een gevoelige materie. Nog duidelijker is
dat het geval bij formatie-afdelingen in overheidsorgani-
saties, waar een zichtbaar organisatiebeleid (formatiebe-
leid) ontbreekt, worden beslissingen t.a.v. organisatie-
wijzigingen, respectievelijk toewijzing van fFormatie-
plaatsen als willekeurig althans niet toetsbaar ervaren
of ze zijn zodanig door formele rechtsregels "gedekt",
dat daaruit voor de betreffende situaties onzinnige be-
slissingen kunnen volgen. Zowel het een als het ander
roept frustraties en conflicten op. Zolang dat het geval
is, zou medewerking van een "“organisatiedeskundige" of
“formatiebevoegde!! in een proces van beleidsontwikkeling
stuk lopen op de weerstand van het veld.
Wordt een proces van beleidsontwikkeling voor de eerste maal
in een organisatie op gang gebracht, dan zal men vrij veel
tijd en kracht ter beschikking moeten stellen, om dit tot
een goed einde te brengen, in het bijzonder om de twijfel en
de weerstand bij medewerkers weg te nemen. Is het echter
éénmaal bevredigend verlopen, zij het ook op een weinig con-
troversieel gebied, dan verloopt de ontwikkeling van beleid
op andere gebieden aanmerkelijk sneller en eenvoudiger. De
medewerkers leren meer conceptueel denken, gemeenschappelij-
ke oordeelsprocessen aan te gaan en met meer innerlijke ze-
kerheid te beslissen. De misschien belangrijkste voorwaarde
daarbij zal echter zijn, dat door de wijze waarop het beleid
voor de eerste maal gevormd werd, het vertrouwen in de lei-
ding en in collega's is toegenomen,
In de meeste organisaties is het beleidsdenken nog nauwe-
lijks aanwezig, hoewel woorden als doelstellingen, princi-
pes, beleid, strategie of policy in vergaderingen regelmatig
over tafel gaan. In feite besteden chefs verreweg de meeste
tijd aan de (zogenaamde) echte problemen, die op ze afkomen
en de besprekingen daarover ('trouble shooting!). Zij menen
daarom ook geen tijd te hebben voor conceptuele vragen die

dan ook telkens uitgesteld worden. Wat zij niet zien, is dat
de meeste van deze problemen eigenlijk het gevolg zijn van
het ontbreken van een helder en geaccepteerd beleid. Waar zo
een beleid aanwezig is, kunnen de meeste situationele be-
slissingen op lager niveau worden genomen, zodat de hogere
leiding de tijd heeft voor haar eigenlijke verantwoordelijk-
heid, namelijk om beleid te vormen en te vernieuwen.
COPYRIGHT NPI