NPI - Instituut voor Organisatie Ontwikkeling
5741.9110
JU/AS
COMMUNICATIE EN BETEKENISWERELD
Wij leven schijnbaar in een wereld van objecten, d.w.z.
voorwerpen die we kunnen wegen, meten en tellen, gebeurte-
nissen die objectief beschreven kunnen worden e.d. In feite
krijgen al deze zogenaamde objectieve verschijnselen een
verschillende betekenis al naar gelang ze door de een of de
ander worden waargenomen. Alles wat via onze zintuigen bin-
nendringt, wordt geprojecteerd tegen een achtergrond. Deze
achtergrond is gevormd door alles wat we hebben geleerd en
meegemaakt, door de situatie waarin we staan en het doel dat
we voor ogen hebben. Deze achtergrond verleent onze waarne-
mingen een meer of minder uitgesproken betekenis, Veel din-
gen worden helemaal niet door ons waargenomen, omdat ze voor
ons geen werkelijkheidskarakter dragen, d.w.z. ze passen
nergens in de som van ervaringen, die we in ons dragen.
Eén van de sociaal-psychologische grondregels is derhalve de
volgende: wanneer mensen met elkaar communiceren, treden zij
elkaars betekeniswereld binnen!
Hieronder volgen enkele voorbeelden:
— Loon: voor de man levensonderhoud, voor de werkgever kos-
tenfactor, voor de overheid belastinggrondslag.
- Sneeuw: voor de automobilist gevaar, voor het kind slee-
pret, voor de huisvrouw vuil in de gang en dus werk.
- De werksituatie: voor een 23-jarige een situatie die nog
alle mogelijkheden bevat, voor de 64-jarige een situatie
waar men op terugkijkt.
— Inhoud vuilnisbak: voor de eigenaar waardeloze rommel,
voor de voddeman een waardevol object.
Het begin van alle sociale vaardigheid, d.w.z. het vermogen
om sociale situaties op de juiste wijze te hanteren, is de
kunst om zich in de betekeniswereld van de ander in te le-
ven.
Op twee verschillende manieren krijgt men in het leven met
deze betekeniswereld te maken.
1. Bij het veranderen van situaties (wat in een dynamisch
bedrijf regelmatig voorkomt), men merkt dan dat de werk-
situatie een heel persoonlijk-subjectieve betekenis voor
de mens heeft.
2. Bij het mondelinge en schriftelijke kontakt tussen men-
sen. Aangezien we hier te maken hebben met het centrale
punt èn van de communicatie èn van de sociale vaardig-
heid, willen we dit punt wat verder uitwerken.
Valckenboschlaan 8, Postbus 299, 3700 AG Zeist, Telefoon 03404-20044, Fax 03404-12770.
Het gaat hier om het probleem van de vertaling. We moeten
onze voorstellingen vertalen in
woorden. Deze woorden zenden we
uit en worden opgevangen. De an-
der bouwt er een voorstelling
uit op. Zeer vaak blijken V1 en
V2 aanzienlijke verschillen te
vertonen, Hoe komt dit? We moe-
ten ons daartoe verdiepen in het
luisteren en ons afvragen: welke
voorwaarden moeten aanwezig
zijn, wil het gesproken woord
zó in de ander doordringen als het bedoeld is? We moeten
daartoe eerst onderscheid maken tussen de structuur en de
toestand van de menselijke ziel, die als totaliteit de ont-
vanger van het gesproken woord is.
De toestand wordt bepaald door de omstandigheden van het
ogenblik en kan mèt de omstandigheden sterk wisselen.
De structuur is een resultante van alles wat wij hebben er-
varen en geleerd, van de situatie waarin wij leven, van dat-
gene wat onze persoonlijkheid van belang vindt en waar ze
naar streeft. In tegenstelling tot de momentele toestand van
de ziel, heeft haar structuur een slechts langzaam verande-
rend karakter.
Binnen de ziel kunnen wij onderscheid maken tussen de krach-
ten die werken in ons denken, waarnemen en voorstellen en in
ons gevoelsleven, zoals dat zich uit in lust - onlust, sym-
pathie - antipathie, vreugde - leed en in onze handelingen,
daden en intenties.
We willen nu meer in detail bezien hoe bij het spreken en
luisteren zowel de toestand, als de structuur van de ziel
naar zijn drie onderscheiden functies dit communicatieproces
beïnvloeden.
1. Het Denken
Wanneer we de structuur van het denken bezien, voorzover
dit een rol speelt bij het spreken en luisteren, gaat het
om drie belangrijke gezichtspunten.
a. De hoeveelheid voorstellingen en begrippen, die iemand
in de loop van zijn bewuste leven heeft opgebouwd.
B.v. iemand die veel gereisd, veel gelezen en veel men-
sen ontmoet heeft, beschikt over een rijke schat aan
voorstellingen en begrippen.
Voor iemand bij wie dit niet het geval is ligt dit heel
anders. Vele woorden en begrippen zullen eenvoudig niet
aanslaan, omdat ze geen betekenis, geen inhoud voor hem
hebben, omdat hij zich er niets bij kan voorstellen.
Dit alles is afhankelijk van de horizon van iemands
leef - en werksituatie, de achtergrond waartegen hij is
opgegroeid en zich verder ontwikkeld, alsmede zijn be-
langstelling voor de wereld om hem heen.
De "gevuldheid" van de voorstellingen en begrippen.
Het woord "democratie" is een begrip, dat de meeste
burgers dagelijks hanteren. Toch is er een enorm ver-
schil tussen de "vulling" van dit begrip bij de een en
de ander. Voor een willekeurige burger kan het b.v.
niet meer betekenen dan 1 x per 4 jáar stemmen en be-
sluiten nemen met meerderheid van stemmen. Het begrip
wekt nauwelijks gevoelens bij hem op. Daarnaast kan
voor een Ze Kamerlid dit begrip een zeer veelzijdige en
levende inhoud hebben. Het wekt sterke gevoelens bij
hem op. Dit ene woord bevat voor hem a.h.w. een wereld
waarin hij kan binnenstappen en waarin hij voorlopig
nog niet is uitgekeken.
Een ander voorbeeld: voor een stadsmens wekt het woord
koren een vage voorstelling op aan iets dat op het land
groeit en dat tenslotte als brood op tafel verschijnt.
Voor een boer is het woord koren aanleiding tot een
bonte reeks van voorstellingen van tarwe, haver, gerst,
rogge, enz., waar hij persoonlijk zeer nauw bij betrok-
ken is. We zien dus dat dezelfde woorden en begrippen
bij de een en de ander verschillende voorstelling op-
roepen, waarbij de gevuldheid en de kleur van de vul-
ling sterk persoonlijk verschillen.
De denkdiscipline.
Tenslotte is van belang: wat doet men met al deze voor-
stellingen en begrippen? Is men in staat om vanuit een
innerlijke discipline begrippen logisch aan elkaar te
rijgen en tot gedachtengangen te komen of brengt men
een zelfstandige denk-activiteit niet op en laat men
zich meer denken? Zijn de gedachten objectief, nuchter,
zakelijk of zijn ze emotioneel en sterk door de gevoe-
lens gekleurd? En dan: in welke richting denkt men?
Volgt men in zijn denken meer de logica van de techni-
cus of meer die van de psycholoog? Gebruikt men zijn
denken om iets te bewijzen of om mensen en situaties te
begrijpen?
Juist in organisaties treffen wij al deze denkstijlen
en denklogica door elkaar aan. Denkt u maar eens aan de
verschillen tussen de praktijkman en de wetenschapper,
tussen de boekhouder en de technicus, de laborant en de
verkoper.
Zij zenden a.h.w. allemaal op een andere golflengte uit
en hun ontvangapparaten zijn weinig op elkaar
afgestemd.
Wanneer we over de momentele toestand van het denken spre-
ken, gaat het erom of het denken “vrij is om de gedachten
(woorden) van de ander op te nemen. Is het ontvangststa-
tion ingeschakeld of is de ander net zelf bezig met be-
paalde gedachten, die hij op dat moment niet los wil laten
of kan laten om "plaats" te maken voor de ander?
Samenvattend kunnen we i.v.m. het spreken en luisteren
het volgende over het denken zeggen:
Bij de "ontvanger" van het gesproken woord zal pas
sprake zijn van een "storingvrije" ontvangst, wanneer:
a. Zijn ontvangststation is ingeschakeld;
(toestand van het denken)
b. Zijn station nauwkeurig op dat van de ander is afge-
steld;
(structuur van het denken)
Dit betekent, dat:
= de woorden en begrippen van de ander betekenis voor
hem hebben;
- de “gevuldheid" en de "kleur" van de “vulling” van
de begrippen en voorstellingen bij zender en
ontvanger min of meer overeenkomen;
- de ontvanger in staat is om de gedachtengangen van
de ander te volgen en na te denken.
Het Voelen
Wanneer we de structuur van het gevoelsleven bezien,
voorzover dit een rol speelt bij het spreken en luiste-
ren, dan zijn hier de volgende aspecten van belang;
a. De gevoelswaarde van de woorden.
Door onze ervaringen in het verleden kunnen allerlei
woorden en begrippen niet alleen een bepaalde inhoud
krijgen, maar ook een bepaalde gevoelswaarde. Neem
b.v. de plaatsnaam Vorden. Twee mensen kunnen precies
dezelfde beschrijving van het dorpje geven, zodat de
zakelijke inhoud van hun voorstellingen overeenkomt.
Maar voor de een heeft het een neutrale gevoelswaarde:
een dorpje waar hij als vertegenwoordiger wel eens
doorheen rijdt; voor de ander is het een begrip dat
sterk emotioneel geladen is: het dorpje waar hij door
een auo-ongeluk een kind verloor.
Naast woorden kunnen ook bepaalde gedachtengangen
b.v. gevoelens van antipathie opwekken, omdat u het er
niet mee eens bent, omdat u vindt, dat men dergelijke
dingen niet behoort te zeggen, omdat u persoonlijk be-
ledigd bent, enz.
Dergelijke reacties (die helemaal niet uiterlijk
zichtbaar hoeven te zijn) kunnen verhinderen, dat de
woorden van de ander op de juiste wijze "binnen'"komen.
De gevoelswaarde van de situatie.
Behalve op de woorden zelf, reageert ons gevoelsleven
ook op de hele situatie "er omheen". Dus b.v.:
degene die het zegt. Zijn woorden kunnen zeer inte-
ressant zijn, maar wanneer u om een of andere reden
het land aan hem hebt, of zijn kleding bevalt u
niet, enz. dan is er een grote kans, dat zijn woor-
den niet tot hun recht komen.
‚ de manier waarop hij het zegt. B.v. sarcastisch, cy-
nisch, agressief, vriendelijk, vleiend, zacht, luid,
geaffecteerd, plat, enz.
de situatie waarin het gezegd wordt. B.v. wanneer
men als ondergeschikte moet staan, terwijl de chef
zit; of wanneer men in aanwezigheid van collega's
door de chef wordt berispt.
De discipline in het gevoelsleven.
Tenslotte is bij de reactie van het gevoelsleven op
het gesproken woord van belang, of men in staat is
vanuit innerlijke activiteit een zekere ordening in
het gevoelsleven te brengen: bepaalde gevoelens niet
toe te laten, omdat ze niet met de zaak te maken
hebben, onderscheid te maken tussen positieve en nega-
tieve gevoelens, in te zien op welke wijze het emotio-
nele element een rol speelt bij de wijze waarop wij op
de buitenwereld reageren. Kort gezegd dus: of men in
staat is het eigen gevoelsleven te beheersen.
Wanneer we over de momentele toestand van het gevoelsle-
ven spreken, gaat het erom of iemand in staat is de woor-
den van een ander tot zich door te laten dringen.
Het gevoelsleven en van daaruit ook het gedachtenleven
kan zo "vol" zijn, dat er geen ruimte is om iets, wat
daar geen betrekking op heeft, op te nemen. B.v.: wanneer
iemand op zijn werk komt, na een heftig huiselijk con-
flict, is hij dan in staat om een zakelijk gesprek goed
te voeren?
Samenvattend kunnen we i.v.m. het spreken en luisteren
het volgende over het gevoelsleven zeggen:
Bij de "ontvanger" van het gesproken woord zal pas
sprake zijn van een "storingsvrije" ontvangst, wan-
neer:
a. Zijn ontvangststation niet overbelast is;
(toestand van het eigen gevoelsleven)
b. In zijn ontvangststation geen hinderlijke stoor-
zenders zijn ingebouwd;
(structuur van het gevoelsleven)
Storingen bij de ontvangst kunnen ontstaan vanuit
het gevoelsleven, wanneer:
- bepaalde woorden of gedachtengangen sterke ge-
voelsreacties (lust- of onlustgevoelens, sympa-
thie en antipathie) opwekken;
- degene die het zegt, de manier waarop het gezegd
wordt en de situatie waarin het gezegd wordt via
het gevoelsleven bepaalde "blokkeringen" bij de
ontvanger veroorzaken;
- de persoonlijkheid niet in staat is om vanuit een
innerlijke activiteit het gevoelsleven te disci-
plineren en het zijn juiste plaats te geven in
tussenmenselijk verkeer.
Het handelen
Wanneer we de structuur van onze intenties van ons wils-
leven bezien, voorzover dit een rol speelt bij het spre-
ken en luisteren, dan zijn hierbij de volgende drie as-
pecten van belang:
a. Belangstelling.
Wanneer iemand spreekt, is een eerste vereiste voor de
ontvanger van het woord, dat hij bereid is om te luis-
teren, dat hij de wilsactiviteit opbrengt om althans
naar de inhoud van het gesprokene te luisteren.
Of men deze activiteit opbrengt hangt nauw samen met
de richting waarin iemands belangstelling gaat.
Wanneer de inhoud van het gesprokene nergens aansluit
bij de belangstelling van de luisteraar, zal alleen
een sterke wil kunnen bereiken, dat er nog van een
“ongestoorde ontvangst" sprake is.
Intuïtie.
Wanneer iemand spreekt wil hij met zijn woorden een
bepaald doel bereiken. Dat doel ligt lang niet altijd
in de woorden zelf besloten. Bij het luisteren naar de
ander speelt het wilsleven nu ook in zoverre een rol,
dat het eigenlijk voortdurend het wilsleven van de an-
der “aftast", d.w.z. zich afvraagt: wat wil de ander
eigenlijk, waarom zegt hij het, hoe moet ik het een
plaats geven, wat is zijn motief”? Zoals de eigenlijke
motieven aan de spreker lang niet altijd bewust zijn,
zo is ook het beluisteren van andermans motieven
meestal een onbewuste aangelegenheid.
Toch wordt het meer bewust ziele-leven sterk beïnvloed
door wat zich in deze onbewuste laag afspeelt.
Het toekomstperspectief.
leder mens leeft, meer of minder bewust, met een toe-
komstperspectief. Hij leeft ergens naar toe, verwacht
iets van het leven, heeft bepaalde voorstellingen van
de toekomst. Soms is dit een zeer concreet beeld van
een bepaalde carrière, die men voor zichzelf heeft
uitgestippeld. Soms is het een zeer vaag beeld van een
betere positie. Ook kan het toekomstperspectief inhou-
den, dat alles bij het oude blijft, alleen maar een
consolideren van het bereikte. Dit toekomstperspectief
zal bij de één een vergezicht over vele jaren beteke-
nen, bij de ander zal het wellicht niet verder reiken
dan de volgende week. Hoe dan ook, onbewust projecte-
ren we steeds het gesproken woord van de ander tegen
ons toekomstperspectief; wat betekenen zijn woorden
iev.m. mijn verwachtingen; houden zij een bedreiging
in; gaat er iets veranderen; wordt er iets van me ver-
wacht, waar ik niet aan zal kunnen voldoen; als ik
fouten maak of een figuur sla, wat betekent dat voor
mijn promotiepositie t.o.v. mijn collega's, enz.? Op
deze wijze wegen wij (onbewust) de woorden van de an-
der af op hun betekenis voor ons eigen toekomstpers-
pectief , ons eigen verwachtingspatroon.
Wanneer we over de momentele toestand van het wilsleven
spreken, bedoelen we de concrete verwachtingen, die ie-
mand op dit moment heeft.
Wanneer iemand naar een bespreking gaat met zeer bepaalde
verwachtingen t.a.v. hetgeen daar besproken zal worden en
de wijze waarop dat zal gebeuren, terwijl de feitelijke
inhoud van het gesprokene en de feitelijke gang van zaken
hier niet mee kloppen, dan vormt dat een belemmering voor
het luisteren en deelnemen aan de bespreking. Om hetzelf-
de nog eens in beeldvorm te zeggen: als u gedachteloos
een kop koffie aan de mond brengt, terwijl u verwacht
thee te zullen proeven, smaakt de koffie slecht.
Samenvattend kunnen we i.v.m. het spreken en luisteren
het volgende over het wilsleven zeggen:
Bij de "ontvanger" van het gesproken woord zal pas
sprake zijn van een "storingvrije" ontvangst, wanneer:
a. Het ontvangststation de inhoud van de uitzending
verwacht;
(toestand van het wilsleven)
Wanneer een ander "programma" wordt uitgezonden,
dan waarop de ontvangst is ingesteld, kunnen sto-
ringen ontstaan.
Het ontvangststation innerlijk "ja! kan zeggen op
de uitzending;s.
(structuur van het wilsleven)
Storingen uit het wilsleven kunnen ontstaan, wan-
neer:
- door gebrek aan belangstelling of anderszins
niet de innerlijke bereidheid aanwezig is om
werkelijk te luisteren;
door de intuïtie dieperliggende (onbewuste)
motieven bij de ander worden waargenomen, die
niet direct met de inhoud van de woorden te
maken hebben;
het gesprokene op welke wijze dan ook van ongun-
stige invloed is op het toekomstperspectief.
Bij elke communicatie tussen mensen gaat het er nu om,
dat de spreker er zich van bewust is, hoe het met de
voorwaarden bij de ontvanger gesteld is, terwijl de ont-
vanger vanuit een inzicht in deze voorwaarden er zelf toe
kan bijdragen om het gesproken woord door een haag van
klippen en rotsen zo "ongedeerd" mogelijk in het binnen-
ste van zijn ziel binnen te voeren. Van volkomen "onge-
deerdheid" zal natuurlijk nooit sprake zijn.
Zoals voedsel door ons opgenomen, vóórverteerd en bewerkt
wordt (koken, kauwen) en tenslotte omgezet wordt in eigen
substantie (stofwisseling) zo ontstaat bij communicatie
een innerlijk proces, waarbij de woorden en gedachten
voor de ander meer of minder verteerd worden en tot eigen
binnenwereld gemaakt.
Drie aspecten van het spreken
Wanneer na het opnemen van het gesprokene en het verwerken
ervan, de ontvanger zelf het woord neemt om het gehoorde
door te geven of om op het gehoorde te reageren, dan kunnen
we daaraan drie facetten onderscheiden, nl.:
- wat zegt hij? (denken)
- hoe zegt hij het? (voelen)
= met welk doel zegt hij het? (willen)
De verschijningsvorm van deze drie facetten wordt eigenlijk
helemaal bepaald door de persoonlijkheid van de spreker en
de wijze waarop hij, vanuit deze persoonlijkheid, het woord
heeft opgenomen en verwerkt. Met het handelen hiervan zouden
wij in herhaling treden met betrekking tot wat over het
luisteren en verwerken is gezegd.
Samenvatting
De menselijke persoonlijkheid is geen huis met schotjes.
Wanneer terwille van een goed inzicht in deze materie ver-
schillende aspecten van het zieleleven zijn onderscheiden,
is het goed te bedenken, dat alles in de ziel met elkaar in
wisselwerking staat, elkaar beïnvloedt en zich gelijktijdig
voltrekt.
Indien echter mensen bewuster met elkaar in gesprek willen
zijn ter verbetering van de communicatie, is het een hulp
zich te verdiepen in hetgeen zich tijdens de communicatie in
de menselijke ziel kan afspelen.
Het voorgaande kan een mogelijk onderzoekinstrument zijn om
communicatiestoornissen op het spoor te komen. Anderzijds
kan het aanleiding zijn om van zich uit bewuster zijn bij-
drage aan een gesprek te leveren. Natuurlijk zullen op het
moment, dat iemand tot ons spreekt, niet al deze gezichts-
punten bewust door ons hoofd spelen. Dan zou geen gesprek
meer mogelijk zijn. Maar door ons intensief met deze materie
bezig te houden, zullen bepaalde gezichtspunten via het on-
derbewustzijn toch in ons spreken en handelen kunnen door-
werken.