← Back to catalogue

The situation of learning in the model of training and learning

Author:
Hans von Sassen
Original title:
De leersituatie in het model van opleiden en leren
Type:
Syllabus
Language:
Dutch
Year:
1988
Pages:
7
Subject:
Learning- training- situations to learn from-
NPI reference no.:
3962.889

NPI - Instituut voor Organisatie Ontwikkeling
syllabus: 5962,889
HS/JO
DE LEERSITUATIE IN HET MODEL VAN OPLEIDEN EN LEREN
De vraag, die vaak als uitgangspunt van didactische overwe-
gingen bewust, of onbewust gesteld wordt, luidt ongeveer als
volgt: Wat moet ik (opleider, leraar, trainer, enz.) doen om
effectief (met voldoende resultaten) op te leiden?
Er wordt dan in feite gevraagd naar richtlijnen en methoden,
die een goed resultaat garanderen. Om daarop antwoord te
kunnen geven, moet eerst een andere vraag gesteld worden:
Wat moet de lerende (cursist, leerling, enz.) doen, om met
succes te leren?
Pas als dit laatste beter doorzien wordt, weet de opleider
hoe hij moet handelen.
We gaan eerst in op het aandeel van de lerende in het gehele
proces van opleiden en leren, vervolgens op dat van de op-
leider,
1. Leren
Zin van alle leren is, dat iemand er iets nieuws door ver-
werft (kennis, inzicht, vaardigheid, enz.). We noemen dit
het leerresultaat of "eindgedrag", d.w.z. de vorm van ge-
drag, die verworven is aan het einde van een leertijd. Alle
activiteiten van opleider en cursist zijn gericht op en ont-
lenen hun zin aan het bereiken van bepaalde leerresultaten.
Het gaat om leerresultaten, die blijvend beschikbaar zijn en
die ook gebruikt kunnen worden in situaties, waarin gehan-
deid moet worden.
Hoe komt een leerresultaat tot stand?
In de eerste plaats moet de cursist een (gerichte) activi-
teit uitoefenen, b.v. lezen, luisteren, denken, proberen,
oefenen, discussiëren, enz. Dit vatten we samen als: leer-
activiteiten (leergedrag). Daaraan zijn twee kanten te on-
derscheiden: een actieve en een passieve. De actieve kant
bestaat daarin, dat een leerling (een reeks van) handelingen
verricht, die op een doel zijn gericht. Dit is intentioneel
(d.w.z. bewust opzettelijk, gericht) leren of werken (met
een leerdoel - niet een produktiedoel).
Activiteiten zoals lezen, denken, autorijden — eigenlijk
elke activiteit - doen wij in het leven zonder bedoeling
iets te leren, maar met een ander doel. Niettemin leren
we daarbij (ongemerkt) ook iets, tenminste zolang het
geen volledige routinehandeling geworden is. Het leer-
resultaat is dan een neveneffect, dat niet nagestreefd
wordt. Is ons doel, dat wij met een bepaalde activiteit
willen bereiken, een leerdoel, dan is er sprake van een
leeractiviteit.
Valckenboschlaan 8, Postbus 299, 3700 AG Zeist, Telefoon 03404-20044, Fax 03404-12770.

Voor een leerresultaat is het echter niet alleen nodig, dat
we iets doen, maar tegelijkertijd: waarnemen, ons openstel-
len en daardoor iets opnemen. Dit is een passieve kant van
de leeractiviteit, we kunnen ook zeggen: de leerervaring.
Nu is het zo, dat leerresultaten niet onmiddellijk aanwezig
zijn, wanneer we een leeractiviteit verrichten. Er gaat een
korte of langere tijd overheen, soms met vele malen herhaal-
de leeractiviteiten, totdat een resultaat in de vorm van
kunnen en beheersing is bereikt. Wat in ons tussen leerac-
tiviteit en leerresultaat plaatsvindt, noemen we het leer-
proces, een proces van interne verandering, dat gedeeltelijk
onbewust verloopt.
Het bovenstaande kan nu worden samengevat in een schema, dat
het verloop van het leren weergeeft:
leeractiviteiten | __s leerproces __s | leerresultaat
of:
opnemen
| werken |
2. Opleiden
leerproces — > | leerresultaat
Wat doet nu de opleider, wanneer hij cursisten ertoe wil
brengen iets te leren. In de eerste plaats moet hij weten,
wat er met de opleiding bereikt moet worden. Welke leerre-
sultaten worden nagestreefd. Dus het vinden en vaststellen
van opleidingsdoelen. Voorzover de lerende zich met deze
doelen indentificeert of ze zich zelf stelt, spreken we
van leerdoelen. ‚
Vervolgens moet hij zich afvragen langs welke weg deze doe-
len bereikt kunnen worden, welke activiteiten ondernomen
moeten worden, welke leerstof daartoe geschikt is, welke
tijd daartoe nodig en beschikbaar is, enz. Dit kan worden
samengevat als: ontwerpen van een opleidingsplan (program-
meren). .
Ten slotte moet hij tegenover een concrete groep deelne-
mers een reeks activiteiten ontplooien, waarin de overdracht

ta
plaats kan vinden van hetgeen in het opleidingsplan is voor-
bereid. Wij vatten dit samen als opleidingsactiviteiten
(lesgeven). Daaraan zijn weer twee aspecten te onderschei-
den, n.l.: hij moet bepaalde inhouden (leerstof) aanbieden,
anderzijds moet hij de daarbij passende leeractiviteiten van
de cursisten leiden (organiseren), b.v. aan het denken zet-
ten, een experiment laten doen, een rollenspel spelen, enz.
Deze gang van zaken kan weer in een schema worden weergege-
ven:
opleidingsdoel opleidingsplan _—__>|opleidingsactiviteit
of:
opleidingsdoel opleidingsplan ___
3. De leersituatie
Brengen wij het proces van het opleiden en van het leren in
één lijn, dan ontstaat het volgende beeld:
oplei- oplei- | | leer- leerre-
dingsdoel dings- proces —|sultaat
plan
Dit is een "model van leren en opleiden", waarmee vele pro-
blemen die met het verzorgen van cursussen samenhangen, be-
„licht kunnen worden, We laten hier alle aspecten weg, die
samenhangen met het tot stand komen van opleidingsdoelen en
opleidingsplannen., Om de aandacht te richten op de "leersi-
tuatie", Opleider en deelnemers ontmoeten elkaar in de leer-
situatie, waarin opleidingsactiviteiten en leeractiviteiten
plaatsvinden. Eigenlijk dus een “opleidings-leersituatie".
Kortheidshalve spreken we van leersituatie.

ta
Wat gebeurt er nu eigenlijk in de leersituatie tussen oplei-
der en lerende?
De weg van opleidingsdoel naar leerresultaat is hier als het
ware onderbroken, er is in principe een kloof tussen de op-
leider en de lerenden. Deze kloof moet overbrugd worden, wil
dit samenzijn in de leersituatie vruchtbaar worden.
Men kan zich voorstellen, dat opleiders een helder doel
gesteld en een uitstekend programma opgesteld hebben,
maar dat zij in de leersituatie tegenover een groep komen
te staan, die niet gewild is dat doel of dat programma te
accepteren of die niet capabel is het gebodene op te ne-
men. In dat geval treedt er een "stuwing" in de stroom
op, het leereffect is gering en zowel opleiders als cur-
sisten zijn ontevreden.
Wat er in de leersituatie tussen opleider en deelnemer(s)
gebeurt, vatten we samen met het begrip: interactie.
Daaraan onderscheiden we drie aspecten:
. communicaties
samenwerking;
relatie,
Communicatie
Om deze kloof te overbrugggen is het in de eerste plaats no-
dig, dat hetgeen aangeboden wordt, door de ander (meestal de
lerende) opgenomen wordt.
Naarmate dit gebeurt, d.w.z. de aangeboden inhoud zodanig
overkomt, dat de lerende in zijn bewustzijn dezelfde inhoud
heeft als de opleider (bedoelt), is er sprake van communica-
tie.
Hier kunnen zich alle problemen voordoen, die bekend zijn
uit de communicatieleer,.
Als algemeen criterium voor de aanbieding geldt: zodanig
aanbieden dat de inhoud ook werkelijk opgenomen kan worden,
dus "verteerbaar" is voor de aanwezige deelnemers op een ge-
geven moment, of dat deze in een bepaalde periode verwerkt
kan worden.
Samenwerking :
Wanneer de opleider les geeft terwijl de lerenden met iets
anders bezig zijn, vindt geen interactie en dus ook geen
overdracht plaats. Ook de activiteiten van opleiders en cur-
sisten moeten op elkaar afgestemd zijn, elkaars complement
vormen (b.v. wanneer de een spreekt, moet de ander luiste-
ren). De lerende volgt de aanbieding en de opleider (bege-)
leidt de leeractiviteiten van de deelnemer. Samenwerking
verbindt dus het "werken" em het "leiden!" in ons. leermodel.

Naarmate opleiders en deelnemers gedurende een les een "ge-
meenschappelijke weg" gaan, des te meer zal de "kloof" over-
brugd worden. Dit veronderstelt dat beiden hetzelfde doel
voor ogen hebben en nastreven, althans dat deze doelen tij-
dens de gemeenschappelijke activiteit steeds meer gelijk ge-
richt worden.
Dit klinkt misschien vanzelfsprekend — maar de verwezen-
lijking daarvan in de praktijk vergt een grote mate van
didactisch inzicht en sociale vaardigheid.
Veelal gaat de leraar zijn weg, gevolgd door een schare
die geen idee heeft waar het eigenlijk heen gaat. Allengs
blijven sommigen steeds verder achter, anderen dwalen af
en gaan eigen wegen, totdat de leraar vrijwel alleen zijn
lesdoel bereikt, een verstrooide kudde achterlatend.
Als hoofderiterium voor het leiden van leeractiviteiten
geldt, dat de deelnemer daartoe gemotiveerd is. Motivatie is
meer dan de "wens" iets te weten of te kunnen. Er is pas
sprake van motivatie als we erdoor "in beweging komen" om
iets te ondernemen, een activiteit te ontplooien (leerwil).
Elke leeractiviteit ontmoet weerstanden, die overwonnen moe-
ten worden, om dat te willen moet men gemotiveerd zijn,
d.w.z. er moeten motieven (drijfveren, beweegredenen) aanwe-
zig zijn, zoals belangstelling en uitdaging of inzicht in de
waarde, de noodzaak, het belang van de leerrsultaten voor
een of ander doel.
Relatie
Het derde aspect ten slotte van de interactie in de leersi-
tuatie, is de relatie tussen opleider en deelnemer. Er is
een zekere mate van persoonlijk contact nodig om communica-
tie en samenwerking mogelijk te maken. Is dit intensief, dan
spreken we van ontmoeting.
Daardoor ontstaat een relatie tussen personen of groepen.
Voorwaarde voor een dergelijke relatie is, dat beide elkaar
in voldoende mate accepteren en bereid zijn te benaderen,
zowel als persoon als in hun rol en rolopvatting.
Het kan zijn, dat deelnemers aan een cursus bepaalde op-
leiders niet in die rol accepteren, b.v. omdat zij vin-
den, dat er teveel of te weinig aangeboden wordt of de
vorm van leiding als inadequaat beleefd wordt. Omgekeerd
kan de opleider bepaalde cursisten als ongeschikt voor
deze cursus beoordelen. Ook als dat niet uitgesproken
wordt, heeft het reeds een negatieve invloed op de rela-
tie en daarmee ook op de leeractiviteiten. Volwassen
deelnemers, die naar een cursus "gestuurd" zijn, willen
zich soms helemaal niet in de rol van de cursist bege-
ven. Het zijn dan veelal negatief gestemde en zeer cri-
tische deelnemers.

Om relaties op te bouwen, die het leren bevorderen, is
een groepsproces (groepsvorming) nodig.
De aard van de relaties onderling en met de opleiders kan
zeer verschillend zijn. Er is niet één optimale vorm, maar
er zijn er vele, afhankelijk van de samenstelling van de
groep, de leeftijd der deelnemers e.d.
Samenvattend beeld van de interactie
Het gebeuren in de leersituatie kunnen we als volgt schema-
tisch weergeven:
opnemen
deelnemer
ontmoeting, relatie
leider samenwerking werken
Leersituatie-
Door interactie (communicatie, relatie en coöperatie) moet
Zj dus de "kloof" tussen opleider en deelnemer in de leersitu-
atie overbrugd worden. De activiteiten van lesgever en leer-
ling sluiten op elkaar aan, wanneer zij met dezelfde inhou-
den bezig zijn (communicatie) en wanneer zij een samenwer-
kende groep zijn.
Naarmate opleiders en deelnemers elkaar niet "bereiken" (in-
dividueel of als groep) vertonen hun activiteiten weinig
verband en wordt het overdrachtseffect geringer.
De didactische grondbegrippen in dit schema vatten we hier
nog eens samen.
Leersituatie
De situatie, waarin opleider en deelnemer elkaar ontmoeten
en waarin de opleidings- en leeractiviteiten plaatsvinden.

Communicatie (in de leersituatie)
De mate, waarin datgene wat aangeboden wordt door de ander
opgenomen wordt,
Samenwerking (van opleider en leergroep)
De mate waarin opleider en deelnemers gemeenschappelijk on-
derweg zijn om hetzelfde doel te bereiken.
Relatie (tussen opleider en deelnemers)
De mate van contact of ontmoeting die m.n. berust op het
wederzijds accepteren van de persoon en de rol van de part-
ner.
Leeractiviteit
De innerlijke of uiterlijke activiteit van de lerende ge-
richt op een bepaalde stof, probleem of opgave, met het doel
iets te leren.
Werken
Het actief gericht zijn en zich bezighouden met een bepaald
onderwerp, probleem, te leren handeling enz.
Opnemen :
Het zich openstellen voor en bewust verbinden met een nieuwe
inhoud (leerervaring).
Opleidingsactiviteit
De activiteiten van de opleider in de ontmoeting met een
concrete groep van deelnemers. Te onderscheiden in:
Leiding geven
Het organiseren en leiden van de leeractiviteiten (het werk)
en. het activeren van de deelnemers.
Aanbieden
Het brengen of beschikbaar stellen van leerstof, die bestemd
is om door de lerenden te worden opgenomen of die als mate-
riaal dient, waarmee deze een zinvolle leeractiviteit kunnen
ontwikkelen (leermiddel).
COPYRIGHT NPI