← Back to catalogue

Assistance to disabled people - report of an orientation - working book for innovators

Author:
Lex Bos - Adriaan Bekman
Original title:
Hulpverlening aan gehandicapten - verslag van een oriëntatie - werkboek voor vernieuwers
Type:
Report/Brochure
Language:
Dutch
Year:
1979
Pages:
49
Subject:
The task and the execution- A picture of the field- Methodological tools for renewal- working questions- Method and the image of men
NPI reference no.:
5864.795

LINDE INSTITUUT VOOR ORGANISATIE ONTWIKKELING
Valekenboschtaan 8 - Postbus 299 - 3700 AG Zeist - Holland - Tel. (03404) 20044
5864, 795
AB-BE/LG
HULPVERLENING AAN GEEANDI CAPTEN
VERSLAG VAN EEN ORIENTATIE
WERKBOEK VOOR vERNTEUWEnS *
biz,
E DE OPDRACHT EN HAAR UITVOERING 2
A, Aanleiding tot het onderzoek 2
Zo B, Het onderzoek zelf 3
GC. De voortzetting 5
II EEN BEELD VAN EBT VELD 5
IEI HEIHODISCHE HULPMIDDELEN BIJ VERNIEUWING 6
IV WERKVRAGEN
A. Algemeen 8
B. De gehandicapte
C., De infrastructuur 13
D. Het helpproces 24
V METHODE EN MENSBEELD 28
A. De betekenis van de methoden die de onderzoeker
Des en de veranderaar gebruiken 28
B. Intentie, proces en resultaat 28
C. De keuze van het mensbeeld 2g
Bijlage — Onze gesprekspartners
Het verdient aanbeveling kennis te nemen van "de novelle",
waarin het materiaal uit dit rapport in een verhalend beeld is
Samengevat. Bij verdere distributie van dit rapport stellen
de auteurs op prijs daarvan in kennis te worden gesteld. Ook
worden zij gaarne geïnformeerd over de ervaringen die zij op=
gedaan bij het werken met dit materiaal.

I
2.
DE OPDRACHT EN HAAR UITVOERING
A. Aanleiding tot het onderzoek
In 1976 wendde de NVR zich tot de toenmalige staatssecre-
taris Hendriks met het verzoek, middelen ter beschikking te
stellen voor een onderzoek naar de coördinatie en de cliënt=
gerichtheid van de huipverlening. De dienstverlenende organi-
saties zelf maakten zich daarover zorgen, De vraag werd ver-
wezen naar de daarvoor ingestelde sub-commissie uit de
Imterdepartementale Stuurgroep Revalidatie. Deze commissie
zag geen aanleiding tot een dergelijk onderzoeks "Nu middels
de AAW de GMD steeds meer het centrale entree-punt zou wor-
den, waren immers alle condities voor een gecoördineerde
hulpverlening aanwezig. Wanneer de KVR aanspraak wilde maken
op overheidsmiddelen, zou zij de noodzaak van een dergelijk
onderzoek met harde argumenten moeten aantonen. '! Daarop
heeft de UVR hear leden aangeschreven, alsmede het Revali-
datie Fonds, Dat resulteerde in een budget van f 47.000
Het UPI werd verzocht binnen deze mogelijkheden een oriën-
terend onderzoek naar de genoemde probleemstelling te ver=
richten.
Hoewel reeds ín de periode najaar '77 — zomer '78 voorbe-
reidende besprekingen gevoerd werden en een uitgangspunten-
nota werd geschreven, kon met de eigenlijke oriëntatie eerst
worden begonnen in september '78, omdat toen pas de middelen
ter beschikking stonden.
De heren Bekman en Bos van het HPI voerden in de periode
september '78 — april '79 gesprekken met een 40-tal mensen.
In de bijlage krijgt u een inâruk van de spreiding naar
gebied, professie en verantwoordelijkheid.
In totaal besteedden zij ca. 500 manuren (exclusief ca. 100
reisuren) aan gesprekken, terugrapportage aan geïnterviewden,
ruggespraak met een kleine stuurgroep uit de KVR en voorbe-
reiding van de rapportage.

Be
0.
EN
Het onderzoek zelf
Om de "resultaten" van de oriëntatie en de vòòr u liggende
rapportage daarover naar waarde te kunnen schatten, moet
iets meer verteld worden over het onderzoek zelf.
Wij hebben ons van meet af aan opgesteld niet alleen als
onderzoekers, maar ook als veranderaars. Wij hebben ons
niet beschouwd als buitenstaanders, maar als meespelers,
die zelf een mensbeeld hebben en âuidelijke opvattingen
over de richting waarin de hulpverlening zich zou âienen
te ontwikkelen, Ben methodologische verantwoording, alsmede
een explicitering ven het mensbeeld achter onze werkwijze
vindt u in hoofdstuk Vv,
Het onderzoek kan geen enkele aanspraak maken op volledig-
heid, representativiteit of kwantitatieve "hardheid", Daar-
toe was het budget te bescheiden, Bovendien geloven wij niet
in zulkrsoort onderzoekingen. Tegen de tijd dat het — door
z'n volledigheid moeilijk leesbare — rapport verschijnt
is de werkelijkheid alweer veranderd en het rapport ver-
ouderd.
Daarom zijn wij in ons onderzoek veel meer op zoek geweest
naar mensen die bezig zijn om het veld te veranderen in de
richting van meer samenhangende en cliëntgerichte hulpver=
dening. Wij hebben inzicht proberen te krijgen in kun erva-
ringen, de weerstanden waarmee zij te kampen hebben, hun
achterliggende concepties, hun eigen tekortkomingen, ede
Door deze mensen heen hebben wij naar het veld gekeken.
De lezer krijgt een beeld zoals dat verschijnt vanuit de
optiek van de onderzoeker, kijkend door de ervaringen van
concrete mensen. Wij hebben die mensen niet a-select uite
gezocht of door steekproefmethodes bepaald. Beginnend bij
onze eerste contactpersonen binnen de NVR zijn ze ons aan-
bevolen, zijn we verwezen, werden we in contact gebracht.
De voortzetting
Wij zien dit onderzoek zijn voortzetting vinden in een
aantal concrete experimentele projecten, waarbij reeds
lopende aanzetten tot meer samenhangende en cliëntge=
richte hulpverlening methodisch en systematisch worden
uitgebouwd. Daarnaast zien wij de wenselijkheid van een
landelijk congres — bove een revalidatiedag, zoals die in
1977 ook plaatsvond — waardoor over de zaken die in dit ver=
slag aan de orde worden gesteld een brede en fundamentele
discussie op gang wordt gebracht.
Yoor de realisering ven deze follow-up kijken wij naar de-
zelfde concrete mensen die door het onderzoek voor ons
zichtbaar werden. Wij zijn ervan overtuigd, dat zij poten-
ties hebben om wezenlijke vernieuwingen in dit veld te
realiseren, wanneer zij elkaar daarbij kunnen ondersteunen
(moreel, inhoudelijk, materieel) en wanneer zij financiële

en vooral procedurele bewegingsruimte krijgen.
Daarom zien wij het niet als onze taak om deze volgende
fase nu al inhoudelijk op te vullen, Wij voelen er weinig
voor om ten aanzien van de experimentele projecten en het
Landelijk congres uitvoerig te gaan opschrijven wat wij
vinden, dat anderen âoen moeten. Werkelijke vernieuwing
wordt bepaald door mensen die zelf wat willen, hun nek
durven uitsteken en op vertrouwensrelaties met anderen
durven bouwen.
Wij realiseren ons terdege, dat deze aanpak haaks steat
op de wijze waarop de overheid middelen verstrekt. Moge
Lijk leidt dit ertoe, dat langs andere — meer persoonlijk
gerichte — kanalen middelen moeten worden aangetrokken.

II
EEN BEELD VAN HET VELD
Rapporten en nota's bevatten meestal een systematische lijst
van bevindingen en aanbevelingen, Omdat de ontvangers weinig
tijd hebben om te lezen wordt een en ander vaak puntsgewijs
verwoord en voor de overzichtelijkheid decimaal genummerd.
Onze eigen ervaring — en wij vonden deze bevestigd —… is, dat
zulke nota's verbrokkelenä werken, zowel in het eigen voor-
stellingsleven (omdat er geen totaalbeeld ontstaat) als in de
gesprekken tussen de mensen (omdat ieder er naar behoefte
stukjes uit kan lichten voor eigen ergumentatie).
Zulke nota's motiveren ook weinig tot gemeenschappelijk en
constructief handelen.
Daarom willen wij een andere weg bewandelen, Wij willen in
onze mondelinge terugrapportage een kleine novelle opnemen.
Een kunstzinnig medium heeft meer zeggenskracht dan lange
analytisch-intellectuele verhandelingen. Hoewel wij geen
literaire kunstenaars zijn hebben wij toch een poging gewaagd
dit medium te gebruiken en onze bevindingen in een dynamisch
beeld te verwoorden.
Het eerste hoofdstuk van de novelle ("De lotgevallen van het
Grote Huis") geeft een beeld van de wordingsgeschiedenis van
het velä en van de krachten die erin werken. Het tweede
hoofdstuk (“Het levensverhaal van een paviljoenbewoner") geeft
een persoonlijk-biografische kijk op de menselijke problema
tiek die zich in dit gebied afspeelt. Het zal bij aanhoren
duiëelijk zijn, dat in dit hoofdstuk het mensbeeld van de
onderzoekers onvermijdelijk kleur-bepalend is geworden.
In het laatste hoofdstuk ("Doorbraak naar nieuwe levensvor-
men") is getracht vanuit de positieve krachten die in het _
veld werkzaam zijn een toekomst-proces te imagineren. Het is
een keuze, Er zijn ook andere krachten werkzaam, die tot hele
endere beelden aanleiding geven. Voor àie groepen die met
elkaar vernieuwend ín dit veld bezig zijn is het van belang,
voldoende gemeenschappelijkheid te hebben in het beeld, dat
men van het veld heeft, van het mensbeeld van waaruit men
werkt en van de toekomstvisie waaraan men werkt, Het spreken
over de novelle kan een methodische hulp zijn om aan deze
gemeenschappelijkheid te werken of de afwezigheid ervan te
ervaren, Met deze methode willen wij nog meer concrete erva-
ring opdoen.
Het beeld dat wij in de novelle verwoord hebben is ontstaan
uit een aantal korte beeld-fragmenten. Deze laatste zijn
opgeschreven n‚a.v. gesprekken die wij met mensen in het veld
hebben gevoerd. Enkele van deze beeld=fragmenten zijn in dit
rapport opgenomen.

III METKODISCHE HULPMIDDELEN BIJ VERNIEUWING
Wij zijn in het veld op de meest verschillende plekken mensen
tegengekomen die over goede vernieuwende ideeën beschikken.
Ook in menige nota troffen wij beleidsgezichtspunten aan die
zeker van belang zijn voor de toekomst. Ook wij zelf hebben
concepties ontwikkeld, die lkunnen verklaren waarom de hulpver-
lening weinig cliëntgericht en samenhangend is en die aangeven
hoe dat anders zou kunnen.
Een methodische vraag van âe eerste orde is: 'Hoe gaan we met
zulke ideeën en concepties zò om, dat ze in de geworden
werkelijkheid landen, dat ge die werkelijkheid kunnen omvormen?"
Die vraag is des te belangrijker, omdat men de indruk krijgt
dat de veranderingsprocessen in het veld een autonoom karakter
hebben en zich weinig lijken aan te trekken van een werkelijk-
heids-vrzeemde bovenbouw van beleiäsnota's. Ook: wanneer de be-
leidsvisies in zulke nota's deductief worden vertaald, dew. ze
operationeel" worden gemaakt via beleidsplannen en uitvoerings-
acties tot in conorete taken voor afdelingen en mensen, zijn de
praktische resultaten meestal mager. Dit is evenzeer het geval
venneer zulke beleidsvisies via een politiek besluit tot werke
lijkheid verklaard worden.
Eet menselijk handelen laat zich steeds minder op deze wijze
richten. Zowel de klacht van de onbestuurbaarheid van organi-
saties, als het gevoel van mensen door de organisatie buiten
spel gezet te worden, hangt hiermee samen.
Ons antwoord op de eerder gestelde methodische vraag ("hoe
kun je praktisch met concepties omgaan?') is tweeërlei:
Het eerste antwoord luidt: “ver-dicht" de concepties tot een
beeld, dat mensen in zich kunnen opnemen en dat als stuwende
kracht in hun handelen kan werken. De novelle en de wijze waar-
op wij daarmee willen omgaan is daer een voorbeeld van.
Het tweede antwoord tuiât: vertaal de concepties in critisch-
evaluezende vragen, die aan de resultaten van het eigen hande
ien kunnen worden gesteld.
Reflectie op het handelen is net zo belangrijk als het hande-
den zelf, Ondanks alle denkende voor-arbeid is het handelen
zelf in hoge mate intuïtief, In zulk handelen zijn de beelden
die we van ons zelf en van de werkelijkheid buiten ons hebben
werkzeem. Als de resultaten van zulk handelen zichtbaar zijn
geworden, kunnen we ze critisch evalueren. Zulke evaluaties
zijn veuchtbaer wanneer we de juiste vragen weten te stellen.
Een goede vraag kan een bewustzijn wekkende werking hebben,
ken ons helpen de beelden, die ve in ons dragen, te corrigeren
en zo ons toekomstig handelen te beïnvloeden. Zulke vragen
kunnen ook tussen mensen die in het veld met elkaars handelen
te maken hebben, een positief proces van oordeelsvorming op
gang brengen.

7.
Wij hebben in hoofdstuk IV getracht alle inhoudelijke conclu-
sies, waartoe wij in de loop van onze oriëntatie zijn gekomen
te vertalen in "bewustzijn wekkende werk-vragen t.b.v, gemeen-
schappelijke oordeelsvorming tussen werkers in het veld",
Veel van zulke vragen zullen de betekenis hebben het midden
te helpen zoeken tussen polaire krachten, die in elke situatie
werkzaam zijn. Âls krachten hebben we ze nodig, maar als we
niet ontdekken waar ze werkzaam moeten zijn, en hoe ze elkaar
in evenwicht kunnen houden, zullen we in eenzijdigheden geraken
en verlamd worden door hun polariserende werking.
In de toelichting op de vragen zal de lezer duidelijk kunnen
ervaren tot welke conclusies wij zelf zijn gekomen, wat ònze
mening over de ontwikkelingen in het veld is.
Waarom wij niet volstaan hebben met deze conclusies en de ver-
taling erven in beleidsvoorstellen moge uit het voorgaande duide-
lijk zijn geworden.
De lezer kan nochtans het gevoel krijgen, dat het niet nodig is
vragen te stellen want “die worden al genoeg gesteld. We hebben
nu conerete oplossingen nodig". Onze mening is dat vele
Sconerete“ oplossingen abstract blijven, omdat ze niet stoelen
op een diepgaand inzicht in de krachten die in het veld en in
de mensen werkzaam zijne De vragen die over het algemeen ge-
steld worden zijn “doe-vragen"s hoe kunnen we bereiken, datesee
wab moeten we doen om cove, @,d, Maar wanneer het handelen,
dat daaruit moet volgen zich afspeelt in een veld-situatie die
niet doorzien wordt, waarover illusies bestaan en wanneer dat
handelen geschiedt door mensen die weinig zicht hebben op
hun eigen en elkaars motieven, dan is zulk handelen weinig
effectief .
Daarom hebben wij weinig '"doe-vragen! gesteld, maar voorname
lijk “ken-vragen", Zulke vragen worden weinig gesteld, Er is
geen tijd voor en bovendien zijn ze bedreigend, want ze kunnen
leiden tot confrontatie en ontnuchtering. Daarom zal het werken
met deze vragen een zekere beschutting, cede begeleiding vragen.
Hensen die in een werkrelatie met elkaar staan en elkaar en
zichzelf vragen gaan stellen over conorete zaken m.b.t, dat
werk, moeten daarvoor condities scheppen. De grootte van de
groep, de ruimte, de beschikbare tijd, de visuele hulpmiddelen,
duidelijkheid over het waarom en hoe, zijn zaken die daaxbij
van belang zijn. Sommige groepen zullen dit met goed gevolg
in eigen regie kunnen doen, anderen zullen er begeleiding bij
nodig hebben.

8.
IVY WVERKVRAGEN
A. Algemeen
In het vorige hoofdstuk hebben wij gesteld, dat inhouden
lijke conclusies, willen zij praktisch werkzaam zijn,
moeten worden omgevormd tot evaluatie-vragen, die aan het
eigen werk kunnen worden gesteld, Wij willen daartoe in dit
hoofdstuk een begin maken, wetend dat in dit opzicht nog veel
methodisch ontwikkelingswverk nodig is. Wij willen voorlopig
in het midden laten voor wie welke vragen relevant zijn.
Wij spreken over werkers in het veld en bedoelen daarmee
politici, ambtenaren, vrije professionals, instituutsmede-
werkers, vrijwilligers, kortom allen die in het veld werk-
zaam zijn. Elke groep zal haar eigen vragen moeten zoeken.
Wij zijn drie grote gebieden tegengekomen waarop vragen
gesteld kunnen worden.
Het eerste ies
De gehandicapte. Hoe kijken we tegen hem en tegen het ver=
schijnsel als zodanig aan?
Wij kunnen daarbij onderscheiden tussen vragen naar:
a, het mensbeeld;
b, de betekenis van het gehandicapt zijn voor de persoon
zelf;
Cc. de betekenis van het gehandicapt zijn voor de samenleving.
Het tweede gebied waarop vragen gesteld kunnen worden is:
De infra-structuur, Het veld is langs alle mogelijke lijnen
gesegmenteerd en gebundeld, De meest verschillende groepe-
ringen spelen mee.
Wij kunnen daarbij onderscheiden tussen vragen naars
a, het maatschappij-beeld;
be de lijnen waarlangs in het veld differentiatie ontstaat;
Ge. de middelen, waarmee in het veld samenhang wordt ge-
schapen.
Het derde gebied waarop vragen kunnen worden gesteld is:
Het help-proces, Wanneer we naar het concrete proces van
hulpverlening kijken, vijzen talloze vragen zoals waar,
door wie, in welke volgorde, waarmee, e.d.
Vele van deze vragen vinden reeds hun antwoord door het
voorafgaande, Er blijven enkele kernvragen over. Deze wilm
ten wij rangschikken onder vragen naar:
a. de visie op het helpproces zelf;
b. wie moet er helpen;
ec. wie moet geholpen worden.

Beeldfragment 4
WIk ben Jan Alleman, ik ben gehandicapt en werkeloos en ik kom
voor een uitkering."
Niet lang na deze openingszin vindt Jan Alleman zich gecategori-
seerd terug op een lijst van dé GMD.
Hij is arbeiäsongeschikt
gehandicapt
werkeloos
heeft problemen thuis
moet een uitkering hebben
moët maatschappelijke steun en begeleiding hebben
heeft aanpassing van huis nodig
wacht op een rolstoel
moet lid worden van verschillende hulpverlenende organi=
saties
moet enige fysieke therapie hebben
NO heeft wettelijk techt op ..evees. dus wij-zullen u helpen
met de punten 1, 5 en .ossveee voor andere punten verwijzen wij
naar respectievelijk maatschappelijk werkers, kruisverenigingen,
enz. '
Toch is Jan Alleman een geheel, leeft hij in zijn situatie en
kan hij zijn problemen niet netjes uitrafelen en op een rijtje
zetten.
UIk ben Jan Alleman en ik heb hulp nodig, omdat ik mijn proe
blemen niet meer aankan, Thuis gaat het moeilijk, ik weet niet
welke kant ik op moet,"
Jan Alleman komt in een situatie waarin voor hem 2 werelden
leven, Ehuis met zijn naasten en buiten in de wereld van de
dienstverleners. Vooral in het begin is het een heen en weer
pendelen, Steeds weer vraagt hij zich af of het antwoord van
die wereld, die (zo leek hem dat toen hij daar was) aansloot
bij zijn behoefte, er nu wel eigenlijk iets mee te maken heeft
nu hij weer thuis zit.
Jan Alleman wacht op antwoord.
Ondertussen vergaderen de dienstverleners over hun probleemen
handicap. Hoe kunnen we de dingen samen doen, als ieder probeert
vanuit zijn eigen tent Jan Alleman te bedienen? En trouwens,
wat zijn onze normen voor hulpverlening?
En wie vertegenwoordigt nu Jan Alleman?
De maatschappelijk werker wil wel, hij wil spreken voor de
cliënt als geheel, Tegen wie praat hij dan aan, GMD of kruise
vereniging? Of is het Jan Alleman zelf die voor zich moet
spreken. Hij is het waar het om draait. Hij alleen kan van zich
uit spreken. Maar hij doet het niet. Na enige tijd praat hij,
els hij wat zegt, in de antworden van de dienstverlener,
Maar thuis hangt alles samen en veel verandert er niet.

B.
9.
We zullen nu deze negen thema's langslopen en trachten te
laten ziens
= welke inhoudelijke gezichtspunten wij tegen zijn gekomen;
= hoe wij daar zelf naar kijken;
= tot welke vragen een en ander leidt.
Wij zullen de inhoudelijke gezichtspunten zo trachten te
formuleren, dat het krachtenvelâ vond het verschijnsel
zichtbaar wordt, De vragen hebben de bedoeling te onder-
zoeken:
= met betrekking tot problemen: vanuit welk deel van het
krachtenveld ze ontstaan zijns
— met betrekking tot oplossingen: welke krachten versterkt
moeten worden ten einde een gezonde ontwikkeling tot
stand te brengen.
De gehandicapte
Wij willen rond de gehandicapte drie vragen stellen:
— vanuit welk mensbeeld kijken we naar hem?
= wat is de betekenis van het gehandicapt zijn voor de
persoon zelf?
—= wat is de betekenis van het gehandicapt zijn voor de
samenleving?
1. Tanuít welk mensbeeld kijken we naar hem?
In zijn "Leerboek voor de revalidatie" schrijft Schut
(red. ): "De mens is een ondeelbare eenheid met drie
kanten" (aspecten, facetten) en wel een psychische
(geestelijke), een sociale (maatschappelijke) en een
somatische (lichamelijke) kant. De mens is dus een
psyeho-socio=somatische eenheid,
Wanneer één van deze kanten wordt gestoord, dan zal
door deze eenheid, ook een stoornis optreden van de
twee andere facetten.
Wat voor mensbeeld hebben de werkers in het veld en
komen zij daarover echt aan de praat met elkaar? En
wat bedoelen zij met de woorden die zij daarbij gebrui
ken? Wij hebben op onze wijze ook gesproken over een
drieledig mensbeeld (zie hoofdstuk V), maar is dat ©
hetzelfde als dat van Schut?
En voorts: mensen zullen op een hoog niveau van abstrac-
tie gauw tot elkaar kunnen komen in het onderkennen van
de genoemde drie aspecten, Maar de concrete inhoud
daarvan en de accenten zullen zeer verschillend zijn en
die bepalen in welke richting het handelen gaat. Bij de
Één kan men merken, dat hij eigenlijk het somatische
toch zeer dominant vindt, de ander praat zo over de
mens, dat door alles heen zijn door-de-omgeving-bepaald=
zijn klinkt en de derde benadrukt voortäurend de

Beeldfragment 2
De "gehandicapte" in onze wereld spreekt iets uit naar die
wereld. Hij zegt: De wereld wordt steeds ingewikkelder, steeds
complexer, steeds minder eenvormig. Hij vertoont zich in aller-.
lei gedaantes van het mechanisch repeterend tijdsklokje tot
de grote verscheidenheid van leefvormen waarin alle materiële
dingen hun plaats vinden en steeds nieuwe materiële objecten
hun plaats aan het veroveren zijn. In de taal drukt zich Ait
al uit, Steeds moeilijker worden de woorden waarin de fenomenen
gevangen moeten worden, Steeds meer worden de dingen geplaatst,
anders lijkt het erop, dat de chaos intreedt en de mens zal
overvalsen, ondersneeuwen, overstromen, wegdrukken, De mens
zoekt naar zijn houvast, andere mensen proberen het te geven
maar verliezen daarin hun houvast, want het werkt niet of
maar gedeeltelijk, het moet steeds anders. De handicap, aan-
vankelijk bron van allerlei verwarring, schrik;en onzekerheid
onttrekt zich hieraan, Ze blijft staan, hoe de wereld ook
verandert, ze vormt vaak het blijvende element in de levens
baan, Ze is de bron van vele vragen, waarvan er sommigen
leiden tot een antwoord, een oplossing en daarmee tot een stuk
resultaat, andere vragen gaan lange tijd mee en âwingen de mens
te kiezen tussen een verder zoeken of een verder berusten.
Ïeder mens heeft zijn handicap, De meesten kennen hem niet en
leven in de illusie van normaal te zijn. Velen worden gecon
fronteerd met hun handicap.
De handicap is hardnekkig. Hij taat zich niet wegregelen. De
deskundige kan ingrijpen wat hij wil, de handicap bestrijden
hoe hij wil, hij bestrijdt dan altijd nog iets in mensen, dat
die mensen zich niet gauw laten afnemen.
De hendicap zegt tegen zijn drager: “Draag mij rond, werk met
mij, vervorm mij, bestrijdt mij, loop niet weg van mij, want
ik hoor bij jou en ik ben het waaraan je je krachten kunt ont-
wikkelen. Ik hang als een blok aan je been, ik belemmer de in
veel bewegingen, ik tart en treiter je net zolang tot je mij
in de ogen ziet en met mij de strijd aanbindt.
Anderen proberen mij van je weg te nemen, maar dat is illusie.
Weer anderen proberen jou te helpen bij het omwerken van mij.
Zij zitten op het goede spoor. Op een gegeven moment zal ik je
inspanningen belonen, ik zal in je opgaan en als krachtbron
in je werken. Ik zal je vermogens schenken waar je nu nog geen
weet van hebt, Velen geven het te vroeg op, nog meer zien mij
helemaal niet, ze veräringen mij naar hun onderbewuste, maar
ze vergeten dat daar mijn veilig huig is, Daar kan ik doen en
laten wat ik wil, Mijn drager zal er niets van merken, alleen
zal hij zich afvragen waaruit de problemen äie hij ondervindt
voortkomen, *

10.
uniekheid van de persoonlijkheid.
En dan zijn er nog veel verschillen mogelijk m.b.t, de
oorsprong van deze uniekheid, m.b.t. de wijze waarop de
omgeving op de ene of de andere mens inwerkt en m.b.t.
de betekenis van het lichaam voor het menselijk bestaan.
Goede samenwerking tussen hulpverleners is pas mogelijk,
wanneer zij zich bewust zijn van het mensbeeld van waar-
uit zij werken, En voor bewustwording daarvan hebben zíj
elkaar nodig. Goede hulpverlening betekent, dat er een
zo rijk en genuanceerd mogelijk mensbeeld aan ten grond=
slag ligt. Werkers kunnen elkaar helpen dit beeld te ver
rijken.
Ten behoeve daarvan kan de volgende werkvraag worden ge-
formuleerd (in de ik-vorm, maar bedoeld als thema van
gesprek tussen werkers).
Vanuit welk mensbeeld werk ik en welke dimensies kan
ík daaraan onderscheiden?
Naar aanleiding van de eerste hier geformuleerde werk-
vraag willen wij nog een keer onderstrepen, dat het
hierbij niet gaat om een algemene discussie over het
mensbeeld, maar om het kijken naar het mensbeeld dat
ons tegemoet komt uit ons eigen handelen. We kijken
dus door deze vraag heen naar het eigen werk.
Hat is de betekenis van het gehandicapt zijn voor de
persoon zelf?
Hen kan zò naar de hendicar kijken, dat men deze be-
schouwt als een ongewenste storing van een normale situa=
tie. Onder normaal wordt dan verstaan, dat iemand in
zijn onderhoud kan voorzien, redelijk de beschikking
heeft over zintuigen en verstand, zijn lichaam als instru=
ment gebruiken kan en zo meer. Elke storing daarin, elke
afwijking van de normale situatie wordt beschouwd als
een ongewenste storing, die verholpen moet worden, soma-
tisch, sociaal of psychisch. De hulpverlening krijgt
langs deze lijn sterk het karakter ven aanpassing en
herstel,
Ben ander gezichtspunt (het onze) is het volgende:
ontwikkeling voltrekt zich altijd aan weerstanden. Tedere
biografie heeft haar eigen ontwikkelingsweerstanden, die
zieh kunnen aandienen in onvermogens, ziektes, handicaps,
ed. Hoewel deze soms als vreemd element 'van buiten"
schijnen te komen, kan men ze ook beschouwen als een
wezenlijk deel van de biografie, Misschien dat de existen-
tiële lotsvragen âie zich in dit verband opdringen al-
teen kunnen worden beantwoord vanuit een perspectief,
dat over dood en geboorte heenreikt souooeso
Vanuit deze optiek is elke handicap een ontwikkelingsuit-
daging in de biografie, waaraan hele nieuwe vermogens

11.
tot rijping gebracht kunnen worden.
Wij hebben hier twee extremen geschilderd. Wij moeten er
achter komen, naar welk van de twee de feitelijke hulp-
verlening tendeert en welke kant benadrukt moet worden
om een gezond midden te vinden.
In hoeverre beschouw ík een handicap als een storing
van het bestaande of wel als een uitdaging voor het
onbekende en duss in hoeverre ben ik bezig met herstel
van het oude of wel met het zoeken naar de opening
voor het nieuwe?
Wat is de betekenis van het gehandicapt zijn voor de
samenleving?
In de organisatie-ontwikkelingsleer wordt aanbevolen om
bij vernieuwingen te werken met een experimenteergroep
die de ruimte krijgt (financieel, functioneel en geogra-
fisch) om bewust afwijkend gedrag te oefenen en om daar-
na vanuit deze proefboerderij het grotere systeem te
kunnen beïnvloeden bijvoorbeeld door ander leiderschap,
andere verkoopmethodes, andere opleidingsstijl, andere
klachtenbehandelingsprocedures e.d. Deze methodiek is een
programmatisch gehanteerde afspiegeling van een funda-
mentele ontwikkelingswetmatigheid die de werkelijkheid
ons voor ogen plaatst wanneer we die maar willen zien,
Ye zouden deze wetmatigheid als volgt kunnen fotmuleren:
LEIk sociaal systeem produceert de probleemstelling èn
de ontwikkelingshelpers die het systeem naar zijn vol-
gende ontwikkelingsfase helpen,''
Marx heeft hier iets van vermoed toen hij zeis "Het kapi-
talistisch systeem produceert zijn eigen doodgravers GE
proletariërs), Het ontwikketingsgezichtspunt det wij
bedoelen verschijnt hier in zijn dialectische omkering
en leidt dan onvermijdelijk tot z'n complementaire
karikatuur: "De revolutie verslindt haar eigen kinderen,"
Wat wij hier bedoelen is het volgendes een ziek wordend
systeem als onze vertechniseerde verzorgingsstaat;
plaatst steeds meer groepen om de meest verschillende
redenen buiten de deur: omdat er geen werk voor ze is,
omdat ze giek worden van het eysteem of het systeem af-
wijzen, omdat er geen plaats voor ze is, enz. Werkelozen,
druggebruikers, arbeidsongeschikten, gehandicapten en
nog vele andere categorieën worden welwillend met uit=
keringen ondersteund, er wordt zelfs alle moeite gedaan
om ze te re-socialiseren, te re-integreren, te re-vali-
deren, enz. Het grondpatroon, tot uitdrukking komend
in het woordje "re-" is echter: "Jullie zijn iets kwijt

12,
dat wij nog hebben en we zullen jullie helpen dat terug
te krijgen", of "jullie zijn op de een of andere manier
uit de pas gaan lopen, we zullen je helpen het normale
gedrag terug te vinden',
Daarmee worden de ogen gesloten voor het feit, dat deze
uitgestotenen een problematiek voor-leven, waar eïgen-
lijk het hele syteem aan lijdt of wel wordt niet gezien,
dat deze mensen in hun uitzonderingssituatie dingen kunnen
of mogen doen die het grote systeem tot voorbeeld kunnen
strekken.
— miken blinden en doven ons niet bewust dat wij, zoge
neamâ ziende en horende, door de overmaat aan zin=
tuiglijke prikkels nauwelijks meer iets zien en horen?
—= maken rolstoelers met hun eis om toegankelijkheid van
gebouwen ons niet bewust, dat wij bezig zijn onze
grootschalige, gestroomlijnde welvaartswereld voor ons
eltemaal ontoegankelijk te maken?
= meken werkelozen die een uitkering krijgen en nu zinvol
motiverend werk (mogen) doen niet zichtbaar, wat het
betekent, wanneer loon en prestatie ontkoppeld worden
of omgekeerd hoe verziekt een samenleving wordt waarin
arbeid als koopwaar verkocht wordt?
= maakt de hulpverlening — soms één op één — in de ge-
hendicapte wereld niet zichtbaar, dat we economisch en
moreel moeten leren leven met de realiteit van de onder-
linge afhankelijkheid? Alle zelfverzorgerdom, alle
autonomie, alle 'in eigen onderhoud voorzien, voor de
eigen oude dag zorgen", enz. berust op illusies!
—= maken de op de specifieke mogelijkheden en behoeften
van de gehandicapte enkeling aangepaste onderwijs-
activiteiten niet zichtbaar hoe absurd en inefficiënt
de gestandaardiseerde onderwijsfabrieken zijn waar de
zogenaam normalen doorheen gesluisd worden?
Zo zijn de voorbeelden ad libìtum uit te breiden. Aan
elke groep “onaangepasten" kan men de vraag stellen: "Wat
leeft hij voor, welke kans heeft hij, wat kunnen we van
hem leren, hoe kan hij gezondmakend terugwerken op het
grote systeem?!
De werkvraag die we uit deze beschouwing willen destil-
teren, luidt:
In hoeverre wil ik de gehandicapte buiten de maatschap
pij plaatsen en hem pas weer opnemen als hij — met
hulp — aangepast is en in hoeverre wil ík kijken in de
spiegel die hij de maatschappij voorhoudt en daaruit
conclusies trekken m.b.t, noodzakelijke maatschappelijke
veranderingen?

Beeldfragment
Het is voor de wereld moeilijk de gehandicapte in zijn bewust-
zijn te houden bij het ontwerpen van zijn samenleving. We zien
onze werelâ opgebouwd naar het beeld van de "normale" mens, die
echter niet bestaat en slechts beeld is.
Het is voor de gehandicapte mens moeïlijk de wereld buiten in
zijn bewustzijn te krijgen, omdat hij immer geconfronteerd wordt
met de drempels in hem en buiten hem, Hoe onpersoonlijker de
samenleving wordt, hoe groter deze afstand tussen gehandicapte
en wereld. In het land waar het leven goed is, is deze afstand
kleiner dan in de rokerige steden.
De dienstverlener in al zijn goedheid probeert zichzelf tot brug
te maken voor deze gehandicapte om in de wereld te komen.
In de wereld staan de organisaties van dienstverleners, Vanuit
hun gebouwen kijken de beleidsmakers met verrekijkers over de
gaping naar de gehandicapten en naar hun bruggebouwers. Er staan
allerlei soorten bruggen. Sommigen zijn goed uitgevoerd, maar
erg stijl zodat alleen de zeer behendigen erover heen kunnen
komen. Anderen zijn plat en vecht, maar zo smal dat et slechts
sporadisch iemand overkomt, Sommige bruggen missen verbindings-
stukken, er moet gesprongen worden. De meeste bruggen laten
slechts verkeer van het gehandicapteneiland naar de vaste wal
toes Hier en daar zio je bruggehoofden zich samenvoegen en dan
blijkt het verkeer aanmerkelijk beter te gaan. Br vindt daar
ook vaak een ontmoeting plaats.
Tussen de twee kanten lopen allerlei stromen. Er loopt de zilver-
stroom die soms zeer breed, soms zeer vertakt haar voeding geeft
ean beide kanten. Hoe die stroom loopt ken niemand overzien, ze
wordt door allerlei sluizen, stuwen, enz. gericht. Er loopt ook
een papierenstroom, zeer wijd vertakt en voortspruitend uit
zeer verschillende bronnen, Hier en daar wordt gepoogd stromen
samen te voegen door verbindingskanalen te graven.
Wanneer je verder afstand neemt ven het geheel, dan verandert
het beeld, De kleuren en bewegingen vloeien steeds meer in el-
kaar over, alleen het geeft geen wonderschoon panorama. Het
lijkt wel of er een grote kluwen stippen, in elkaar verward
geraakt, omtollend ronddraait,

Ge.
13e
De infrastructuur
De concepties die wij met betrekking tot het thema van de
infra-structuur rondom de huipverlening tot vragen willen
omvormen hebben te maken met:
= het maatschappijbeeld;
= de lijnen waarlangs in het veld differentiatie ontstaat:
—= de middelen waarmee in het veld samenhang wordt geschapen.
Wij zullen nu op deze vragen nader ingaan,
1. Yelk maatscheppijbeeld?
Hulpverlening speelt zich af in een maatschappelijk kader.
Wij denken daarbij zowel aan de wettelijke en formele
kaders als aan de maatschappelijke opvattingen en machts-
verhoudingen die zich daarin uitdrukken. ‚
Binnen dat kader treffen we verschillende groeperingen
aans meer of minder georganiseerde belanghebbenden, een
grote diversiteit aan dienstverlenende organen en tenslotte
de overheid, indirect in bestuurscolleges van organisa
ties, direct in de vorm van ambtelijke en politieke
colleges op locaal, provinciaal en landelijk niveau.
Wanneer wij hier van een maatschappijbeeld spreken, bez
doelen wij niets welke ideologie men aanhangt, maar
welk beeld ons tegemoet komt uit de maatschappij en welke
betekenis dat heeft voor de hulpverlening aan gehandi
capten. Wij willen dit beeld —… ons beeld — kernachtig
karakteriseren door op een aantal tendenties te wijzen.
= Steeds meer levensgebieden zijn onderhevig aan ver-
wetenschappelijking, worden object van deskundigheid,
komen binnen het bereik van experts en professionals.
Elk van die gebieden dreigt daarmee afgekapseld te
worden van de levende werkelijkheid,
= In steeds meer werk- en leefverbanden willen betrokkenen
meespelen in het bepalen van doelstellingen, spelregels,
arbeidsvoorwaarden, e.d. Zij organiseren zich t.b.v.
politieke besluitvorming in groepen. Door de wijze waar-
op zij dit doen, werken zij polariserend in het veld
waarin zij werkzaam zijn (werknemers tegenover werk
gevers, consumenten tegenover producenten, e.d. )e
— De geweldige vlucht die techniek, industrie en organi
satiekunde hebben genomen, hebben ertoe geleid, dat
vrijwel elke behoefte in elk levensgebied object van
een zakelijke benadering ken worden. Of het daarbij
gaat om behoefte aan eten en drinken, grond en arbeiâs-
kracht of recreatie, gezondheid en onderwijs, alles
heeft door deze tendens de neiging koopwaar te worden,
in geld uitdrukbaar te worden, als (onkosten in een
calculatie te verschijnen.
—= Ben vierde tendens wordt door de vorige drie opge
roepen. Door de verwevenheid van het culturele, sociale

14.
en economische leven en de negatieve uitwerking van
de drie genoemde tendenties op die levensgebieden,
ziet de overheid zich steeds meet gedwongen orde te
scheppen, door normstellend, uitvoerend en controlerend
op te tredeù. In vrijwel alle levensgdbieden ie zij
met haar bureaucratische organen binnén gedrongen.
Deze tendens leidt ertoes
— dat individuen en groepen in hun bereidheid initia-
tieven te nemen en verantwoordelijkheden te dragen ont-
moedigd en tenslotte verlamd worden;
— dat onrechtvaardigheid in de verdeling van de beschik=
bare middelen toeneemt, dat in de gepolariseerde poli
tieke besluitvorming, c‚q. door bureaucratische nivele-
ring veel nuances verloren gaan;
- dat de reële behoeftes niet meer bevredigd worden, om-
dat deze niet meer door het ambtelijk apparaat heen
zichtbaar zijn, of wel omdat politici zich tot spreek
buis maken van groepen die zij niet meer kennen.
De mensen die wij bij onze oriëntatie tegenkwamen, ver-
woordden dit vaak met "de overheid is ver weg, anoniem,
log en paternalistisch',
Wij hebben ons afgevraagd waardoor deze gevoelens van
verlamming, onrechtvaardigheid en vervreemding in feite
worden opgeroepen.
Wij zien de oorzaak o.a. in een aantal overheids-werk-
wijzen, die wij in de loop van onze oriëntatie steeâs
weer zijn tegengekomen: de besluitvorming, de middelen
verstrekking en de controle. 7
—- De bestuitvorming, Karakteristiek voor de besluitvor-
ming is, dat het steeds moeilijker wordt de groepen
en mensen die de concrete behoeftes hebben en degenen
âie de concrete mogelijkheden en de bereidheid tot
hulpverlening hebben met elkaar in gesprek te brengen
en daaruit de besluiten, welke hulpverlening waar voor
wie zal worden geleverd, tevoorschijn te laten komen.
In deze besluitvorming komt de overheid steeds centraler
te staan.
— De middelenverstrekking, Middelen worden in natura ver-
strekt, oog. ín budgetten die alleen voor nauwkeurig
omschreven activiteiten besteed mogen worden. Belang-
hebbende individuen en organisaties krijgen niet zelf
de beschikking over middelen (en dus de vrijheid van
alternatieve aanwending wanneer de situatie daarom
vraagt), maar kunnen bepaalde voorzieningen of activi
teiten vergoed krijgen, En in dat woordje "bepaalde"
zit het probleem. De overheid is steeds meer de bepalen
de instantie. Zoals dat ook in het onderwijs en de
gezondheidszorg het geval is, gaat de overheid zich
hierdoor verregaand inlaten met de inhoud van de hulp-
verlening. "

Beeldfragment 4
Miensen blijken toch uiteindelijk onvolwassen, incoöperatieve
egoïsten te zijn, laat staan groepen of organisaties van mensen.
Er is geen andere weg mogelijk dan een doelmatige structuur
centraal afdwingen en die werkzaam maken met behulp van sancties,
e.d. De mensen moeten weten waar ze aan toe zijn, wat ze moeten
doen en wat ze moeten laten, wat ze kunnen en wat ze niet kunnen,
Zelfverantwoordelijkheid, vrijwilligheid, zelfcoördinatie, het
zijn mooie kreten maar het werkt niet", zei de man en hij zuchtte,
“Zie je", vervolgde hij, “met de geldstroom kun je de zaken aear-
dig regelen. Als je weet waarvoor wat beschikbaar is dan kun je
het geheel vrij aardig centraal sturen. De overheid heeft de
zaak aardig in de hand en we kunnen wel zeggen, dat we zo lang-
zamerhand hier in Nederland de zaken aardig op de wensen van de
mensen hebben afgestemd."
De andere man, een specialist, was het daar kennelijk niet zo mee
eens.
HDoor die financiële structuur wordt de specialist steeds meer
in zijn professionele element teruggeduwud. Dat zit namelijk zo.
De inkomsten van het revalidatiecentrum komen uit de C,0,Z,-vern
goedingen. Die worden berekend naar speciale behandeling per
patiënt. Ik zie dat het nodig is, dat ik ook buiten mijn vakge-
bied moet opereren om de ghettovorming een beetje te doorbreken,
ik wil graag met collega's over mijn cliënten praten, soms wil
ik mijn cliënt wel eens thuis opzoeken en soms willen we gewoon
met elkaar overleggen over onze interne aangelegenheden, maar
op dat sooet momenten verdien ik niet voor het centrum, ben ik
in feite een verliespost, Al die aktiviteiten waarin
ik als gewoon mens meer vermogens kan gebruiken dan alleen die
van mijn specialisme (dat daardoor vruchtbaarder kan worden)
worden belemmerd door die fijne centrale financiële dwangstruc-
tuur. ‘
“Haar', zei de eerste man, "jij bent de specialist, voor jou
is er geen ander, niemand kan doen wat jij doet, Het ís toch
logisch, dat je voor dat werk daar zit. Ander werk kunnen
anderen ook doen," "Dat denk je maar', zei de specialist.
Wer is maar weinig wat ik alleen kan, maer anderen zijn bang
on wat over te nemen, Veel speciatisten doen dingen die niet
nodig zijn voor de patiënt, maar die ze doen om hun specia-
listische hoogstandje waar te maken, Veel van wat wij doen,
kunnen we overdragen aan het eerste echalon.'"

15,
— De controle, Gontrole geschiedt preventief en niet
repressief. Preventief wil zeggen: de overheid wil door
het van te voren inhoudelijk goedkeuren en financieel
fiateren van activiteiten voorkomen, det gelden ten
onrechte worden uitgegeven. In de hulpverlening blijkt
dit vertragend, kostenverhogend en inítiatiefverlammend
te werken.
Repressief controleren betekent globale steekproefs-
gewijze controle achteraf, ten einde ìn grote lijnen
bij te kunnen sturen naar de toekomst.
Dit maatschappijbeeld en de gevolgen ervan voor kwali
teit, rechtvaardigheid en kosten van de hulpverlening kan
de behoefte oproepen tendenties om te buigen en daarmee
het maatschappijbeeld te veranderen.
Het is natuurlijk een illusie te menen, dat een overheid
kan terugkeren tot haar nachtwakersrol van weleer. Zij
zal verweven blijven met alle levensgebieden. Zij zou zich
echter tot taak kunnen stellen zich in alle levensgebieden
te beperken tot het maken, bewaken en herzien van spele
regels ed ten doel hebben (zie de genoemde tendenties op
blz. 15):
— om negatieve specialiseringstendensen om te vormen in
gezonde professionalisering, waarbij deskundigen in
samenwerking met andere deskundigen werken aan concrete
probleemoplossing;
—= om negatieve poleriseringstendensen om te vormen in
gezonde democratisering, waarbij wegen worden gezocht
voor inspraak van betrokkenen op basis van gelijkheid.
En zo'n gelijkheidsbasis is alleen aanwezig wanneer
de besluitvorming betrekking heeft op aspecten-van
problemen waarover ieder mens als mens tot oordelen
bevoegd iss
— om negatieve verzakelijkingstendensen om te vormen in
gezonde socialisering, waarbij met socialisering be-
doeld wordt het zodenig zichtbaar en bespreekbaar maken
van hulpverieningsbehoeften, dat de hulpverleners hun
activiteit werkelijk op de behoefte van de ander (de
socius) kunnen richten iepeVe op hun eigen winst, hun
eigen continuïteit of hun eigen status.
Samenvattend:
= wij zijn in het veld een drietal tendenties tegenge-
komen, een vierde oproepend en te zamen leidend tot
een maatschappijbeeld, dat de hulpverlening aan de
gehandicapte in gevaar brengt;
— wij zien deze problematiek toegespitst in een aantal
werkwijzen die in het veld gangbaar iss
- wij zien de wenselijkheid deze tendenties om te buigen,
e.d. in evenwicht te brengen;
= wij zien een weg daartoe door verandering ín de ge-
noemde werkwijzen.

Beeldfragment
Er was een tijd toen alles nog simpel was. Je had de zuilen die
hun hulp verleenden. Daarin zaten helpers die gewoon keken naar
wat nodig was, al was het een kanarie in een kooitje om wat ver-
strooing te brengen bij de aan huis gekluisterde gehandicapte.
En toen gebeurde het, dat de overheid, ontevreden als zij was
met wat er gebeurde, de zorg voor de gehandicapten overnam, De
GHD werd geboren en alle hulpmiddelen werden daarin ondergebracht
De mensen die vroeger hielpen hadden nu geen middelen meer, ze
zagen geen gehandicapten meer, want die werden door de algemene
wijkverpleging verzorgd. Ze mochten wel blijven, maar nu moesten
ze de hulpverleners aan de basis gaan verzorgen in plaats van
de gehandicapten zelf. En zo werd een organisatie gecreëerd waar
bij hulpverleners elkaar verzorgden, opdat de gehandicapte maar
niets tekort kwam. Er kwamen ook mensen die na een half jaar
opleiding in staat moesten zijn om zicht te hebben op het ziekte-
verloop bij gehandicapten, de arbeidsinschatting ("hij is alleen
geschikt om licht zittend werk te doen”) de invaliditeitsinschat-
ting ("hij is voor 82 en een halve procent arbeidsongeschikt,
want hij mist een arn") en de herinpassing ("de sociale werk-
plaats voor lichamelijk gehendicapten").
En nu mogen de mensen die graag willen werken met gehandicapten
niet meer en zij die niet erg geïnteresseerd zijn in deze groep
moeten nu.

16.
De werkvragen waartoe wij deze inhoudelijke concepties
willen verdichten luiden: .
Probeer dat gedeelte van het veld van de hulpverlening
aan de gehandicapte, dat u concreet uit eigen ervaring
kunt overzien, door te lichten vanuit de genoemde
tendenties en werkwijzen (herkent u ze?, hoe beoordeelt
u ze?), Probeer u voor te stellen wat het ombuigen van
de tendenties in die situatie zou betekenen. Vraag u
af of het veranderen van de gehoemde werkwijzen daar-
toe een middel is en welke mogelijkheden u hebt om
daar reëel aan bij te dragen.
2, Langs welke lijnen ontstaat in het veld differentiatie?
We komen ou tot een tweede aspect van de infra-stmictuur
tondom de huipverlening. Vanneer een organisatie groeit
ontstaat de noodzaak tot differentiatie. Niet iedereen
kan alles doen, Er worden afdelingen ingericht met ver
schiilende taken, bemand met specialisten van verschil-
dende kleur. Al deze organen moeten samenwerken om tot
een gemeenschappelijke prestatie te komen (product of
dienstverlening). In een veld als dat van de hulpverlening
aan gehendicapten is het niet anders. De meest verschil-
lende organen worden ingesteld ten:einde een specifieke
taak in het geheel te vervullen: bureaus, stichtingen,
inrichtingen, commissies, en zo meer.
Het is van groot belang voor het goed functioneren van
de totaliteit, dat dit proces van orgaanvorming met be-
wustzijn geschiedt: immers, wanneer de optiek vanwaaruit
een groep of een organisatie zich formeert en een eigen
Plaats in het veld inneemt, niet duidelijk is, ontstaan
moeilijkheden.
= intern: wat bindt ons eigenlijk samen?
— extern: waarop is deze groep aanspreekbaar?
= in de tijd: vraagt de ontwikkeling niet om een re-
organisatie? Organen kunnen onstaan zijn
als een antwoord op een reële behoefte
uit het veld, Na enige tijd kunnen ze vol-
ledig dis-functioneel zijn geworden. Wan=
neer ze zich dan niet oplossen of zich om-
vormen kunnen ze de ontwikkelingen in het
veld sterk belemmeren.

Beeldfragment 6
Een vrouw die, nu de kinderen weg zijn, zich inzet voor de
gehandicapte medemens, omdat ze gelooft, interesse in mensen
heeft en levenspraktijk. Ze bezoekt in een jaar honderden ge-
handicapten thuis, anderen in het ziekenhuis en ze helpt iedere
dag de mens die haar daarom vraagt. Steeds weer zit ze de Tege-
laars, de dienstverleners achter de broek, houdt ze aan hun be-
loften, Haar mensen belooft ze niets, vertelt ze steeds weer hoe
het er: voorstaat. Zij kan blijven, waar voor anderen de dienst-
tijd ophoudt, Ze heeft geen dossiers, steeds weer wil ze een fris
en nieuw beeld hebben, krijgen. Ze geeft geen oude informatie
door, Ze ziet dat gehandicapten het meest lijden onder hun eenzaam
heid en onder de onmenselijkheid en vernedering door hun omgeving.
Ze zijn overgeleverd aan de willekeur van de specialisten die
sons beledigend, onmenselijk en ongeïnteresseerd hun werk doen.
Zij is de mens die gtaat tussen cliënt en instantie en die de
kortsluitingen uit beider onvermogen ontstaan, oplost, Ze geeft
niet op, draagt de zaken door tot in de laatste verwerkelijking:
(pasop voor "het ambtelijk afdoen") de uitkering voor de
voningverbouwing is toegekend — het plan is gemaakt — de aannemer
heeft opdracht gekregen — de loodgieter is geweest — de douche
is betreedbaar en bruikbaar, Ze gaat kijken of de dingen echt
functioneren, echt aangepast aanwezig zijn. Ze weet, dat veel
problemen ontstaan doordat de aandacht voor het detail, de con=
creet functionerende werkelijkheid ontbreekt. Ze laat zich niet
afschrikken door loket, ambtelijke schotjes, hierarchie,
Ze stoot door totdat ze de man van het dossier te pakken heeft.
Dan kun je de afstandelijke formele oordelen over "gevallen" weg
blazen en vervangen door levensechte volle beschrijvingen van de
mens en zijn situatie, Daarbij ontziet zij het geweten van
ambtenaren, directies, enz. niet, Ze doorziet de bureaucraat die,
gevangen in zijn systeem, de situatie van de cliënt niet ziet,
die in papieren leeft, in de wereld ven de voorschriften. Ze
praten ambtelijk over de hoofden heen, en stellen zich vaak
paternalistisch op. Ze missen de persoonlijke identificatie.
Tegenover haar staan sociale academie studenten, toekomstige Pro-
fessionals. Die zoeken hun zekerheid in methodes en technieken
door gebrek aan echte interesse en contactvaardigheid,. Ze drukken
zich al uit in een jargon, zijn bezig met systeem-critische
politieke acties, stellen hoge eisen aan "ze! maar vooralsnog
weinig aan zichzelf. Ze missen de levenspraktijk, kunnen nog
nauwelijks een brief schrijven, maar pogen het systeem te door-
zien, Die studenten vinden dat zí$ maar weinig effektief werkt.
Het systeem verander je met haar werkwijze niet. Zij willen de
hulpverlening professionaliseren, politiseren, zij wil de hulp
ontprofessionaliseren, ontpolitiseren en ook ontcommercialiseren
(geen 5. minuten per cliënt),
De sociale academie studenten praten, voeren het woord en be-
strijden met het woord. Zij is bezig, ontmoet, en doet, leeft
mee.

17.
Wij zijn in Het veld de meest verschillende gezichts-
punten eh behoeften tegengekomen, die aanleiding gaven
tot orgaanvorming, differentiatie, segmentering. Van
sommigen hadden we de indruk, dat ze een positieve bete-
kenis hadden, voor de mensen erbinnen en voor de produc
tiviteit naar buiten. Van anderen hadden we de overtui
Sing, dat hun bestaansrecht reeds lang achterhaald was.
Wij hebben getract in de veelheid van differentiatiemo-
tieven wat orde te brengen zodat organisaties m,b.v. een
aantal werkvragen hun plaats in het veld eritisch kun
nen evalueren,
De ordeningsgezichtspunten hebben te maken met de aard
van de bijdrage, het functioneren van de organisatie en
de soorten doelgroepen.
a. De aard van de bijdrage
Bijdragen in het veld komen van mensen en vragen om
verschillende capaciteiten. Die capaciteiten zijn
niet los te denken van de mensen die er de Ärager van
zijn. Vanuit welke waarden, normen en motieven zetten
zíj hun vermogens in? Evenmin zijn die capaciteiten los
te zien van het moment waarop ze in het hulpverlenings-
Proces nodig zijn. Zo zijn we in principe een ârietal
aspecten van deze catagorie tegengekomen:
confessioneel, functioneel en Professioneel.
gönfessioneel, We staan aan het einde van een periode
van ontzuiling en ontkleuring. In vele gevallen zijn
katholiek, protestant en neutraal samengesmolten.
De confessionele achtergronden bleken veelal geen
reële betekenis meer te hebben voor de feitelijke
beroepsuitoefening en de werkstijl. In zo'n situatie
is ontkleuring reëel. Maar wil dat zeggen, dat we nu
kleurloos helpen, waardevrij hulpverlenen of gewoon
allemaal werken vanuit hetzelfde mensbeeld?
We krijgen de indruk, dat er op vele plaatsen in het
veld sterke behoefte bestaat aan hernieuwde bezinning
op het mens- en maatschappijbeeld van waaruit men in
dit veld staat, Mensen zoeken wellicht daarin de vaste
grond die zij in dit turbulente veid nodig hebben.
Het zou wel eens kunnen zijn, dat dit een begin is,
niet van herverzuiling, maar van een grotere veel
klieurigheid in het veld, van grotere iâentiteitsver-
schillen tussen hulpverleningsorganen.
functioneel, Ben zeer gangbaar uitgangspunt voor
differentiatie is het onderscheiden van plenning, uit
voering en controle. Men spreekt dan over beleids-
voorbereidende organen, over organen die de uitvoering
verzorgen en over organen die daar controlerend op
toezien. Taylor, de grondlegger van de klassieke
bedrijfsorganisatie;, is de eerste die dit onderscheid
maakt en het daarna ook rigoreus doorvoert, Zijn ge-
zichtspunt om al het plannende, doelstellende en

Beeldfragment 7
Wat vastgelopen is, verstard is weer oplossen, weer in beweging
brengen.
» de specialismen;
« de structuren;
« de ruimte waarin de specialist werkt;
« de hierarchie, “het hoogste moet het gecompliceerdste en het
beste zijn", omvormen tot'het eerste echalon moet het beste
zijns
… de machtsstructuren, de superorganen.
De beweging, de oplossing kan slechts voortkomen uit de ont-
moeting tussen mensen âie elkaar, gescheiden als ze zijn Goor
de verstarde structuur en gedachten, nu niet ontmoeten maar wel
eigenlijk dezelfde richting willen uitwerken.
Het is niet zo belangrijk zaken af te schaffen als zaken aan te
schaffen. Het komt erop neer, dat er weer open ruimtes gecreëerd
worden, waarin mensen elkaar kunnen ontmoeten zonder dat ze wat
moeten. Waarin ze elkaar kunnen beschrijven wat ze doen, aan
het doen zijn, beschrijven wat ze willen, wat hun idealen zijn,
aan elkaar beschrijven wat hun handicap is en wat zij in de
toekomst op zich af zien komen.

18,
normstellende werk te scheiden van het uitvoerende
en het in aparte organen onder te brengen was o.a,
dat dit werk een hogere intelligentie vraagt en dat
die schaars is, Zo ook het vermogen tot distantie en
beoordeling zoals dat in de controle nodig is. Zijn
gezichtspunten dateren van 1905, Zij hebben nog steeds
betekenis, maar uit de ervaring weten wij, dat de
scheiding van planning, uitvoering en controle kan
leiden tot praktijk-vreemde, abstracte planning, tot
frustrerend, geestelijk gedraineerd uitvoezingswerk en
tot bureaucratisch knellende controle,
Het feit, dat het plannend, uitvoerend of controlerend
bezig zijn andere vermogens in de mens aanspreekt, wil
nog niet zeggen, dat scheiding in verschillende organen
altijd gewenst is. Dergelijke "functionele mono=cultu-
ren! kunnen de gewenste eigenschappen juist negatief
deformeren.
In ieder geval vereist differentiatie langs deze lijn
de grootste waakzaamheid. Daarvoor zijn we de negatieve
effecten ervan te vaak tegengekomen in het veld.
professioneel. De meeste harde scheidingslijnen in het
veld lopen langs de professies: medisch, maatschappe-
dijk, verzorgend, agogisch, arbeidskundig, enz. En
deze scheidingslijnen zijn des te taaier, naarmate âe
verschillende professies eindpunten van eigen oplei=
dingslijnen zijn, onderbouwd zijn met een eigen weten
schappelijke discipline inclusief jargon, omgeven zijn
door een eigen status en verankerd zijn in een sala-
riëringsschaal.
De werkelijkheid dient haar problemen niet aan volgens
de op zichzelf willekeurige scheidslijnen van de pro=
fessies. Zij vraagt om inter-disciplinaire aanpak.
Bovendien: wat is de feitelijke inhoud van een beroep;
van een wetenschap? Is het meer dan gesystematiseerd
gezond verstand en geaccumuleerâe ervaring? Zitten er
niet veel "kleren van de keizer! bij?
Wanneer langs deze lijn gedifferentieerd wordt is be-
zinning op het eigene van het vak en de methode van het
grootste belang. Dat voorkomt onvruchtbare gevechten
aan de grens, die alom in het veld kunnen worden waar=
genomen.
Het functioneren van de organisatie
De tweede grote categorie van motieven waarom organen
zich afsplitsen heeft te maken met het functioneren
van het orgaan zelf. We kunnen hier twee kanten aan
onderscheiden: een binnenkant en een buitenkant.
de binnenkant: kleinschaligheid. Organen kunnen zo
log worden, dat zij intern niet meer functioneren.
Dat kan aanleiding geven tot splitsing, tot differen-
tiatie. De vraag is of dit altijd een goede oplossing
voor het probleem is, En wanneer dat het geval is,

Ce
19,
moet bovendien nog met zorg worden onderzocht, volgens
welke gezichtspunten de nieuwe organen worden gevormd,
de buitenkents onafhankelijkheid. Organen kunnen zo
ingeklemd zitten in grotere kaders of zo verstrengeld
zitten in economische of ideologische belangen, dat
zij niet meer goed kunnen functioneren, Daaruit kan
de behoefte ontstaan om zich af te zonderen, om zich
“Tuit te differentiëren" uit het grote geheel en zich,
zoals dat heet, zelfstendiger en autonomer op te stel
len. Ook hier gelden dezelfde waarschuwingen als boven.
Het zal duidelijk zijn, dat deze binnenkant- en buiten-
kant.gezichtspunten veelal complementair zijns klein-
schaligheid roept vaak van buitenaf de noodzaak tot
inkadering op en luidt daarmee veelal een proces van
schaalvergroting in, Dat kan op den duur weer de be-
hoefte aan meet autonomie en kleinschaligheid oproepen.
De soorten doelgroepen
Een laatste catagorie van differentiatie-motieven komt
voort uit de behoefte en de noodzaak zich te beperken
in het soort problemen dat men wil oplossen en het
soort mensen dat men wil helpen. Sommigen specialiseren
zieh op blindenhulp, anderen op werkvoorziening, weer
enderen op bejaarden. Het is duidelijk — zoals dat
ook bij de andere categorieën het geval is — dat de
differentiaties nooit exclusief zijn. Wanneer het gaat
om nuttige bezigheid voor bejaarde blinden is er samen-
werking nodig! Wij hebben in het veld de volgende
soorten doelgroepen gevonden die aanleiding geven tot
differentiatie in hulpverleningsorganen (en ook tot
bundeling in belangengroepen! ).
, soorten handicap (blinden, doven, asthmatici, moto
risch gestoorden, enz.)
« soorten problemen (onderwijs, arbeid en sociale
zekerheid, huisvesting en vervoer,
spel en recreatie, relatieverzor-
ging)
. leeftijdsgroepen (kinderen, volwassenen, bejaarden)
« woonplaats (gemeente, regio, provincie, rijk)
. rechtspositie (recht op hulp vanuit AAW, AWW, bij-
standswet, enze )
Het name in deze differentiatie-categorieën toont het
veld alle overgangen en daarmee het arbitraire van
elke indeling. Kinderen worden volwassen, een asthma-
ticus kan motorisch gestoord zijn, een werkeloze wordt
van het niets doen arbeidsongeschikt, onderwijsvoor-
zieningen vragen om oplossing van vervoersproblemen,
mensen verhuizen of wonen op de rand tussen twee
regio's, enz.
Grenzen trekken is noodzakelijk en toch roept elke
grens problemen op, omdat het leven zich niet laat
indelen.

Beeldfragment 8
VAR
= Ik ben verantwoordelijk voor
de revaligatie-hulp
— Ïk zal u heïpen, mevrouw
= Ík coördineer de hulpver-
leningsactiviteiten
= Ik kies wie u zal helpen
— Ik werk zelfstandig
- De top is verantwoordelijk
dat het goed loopt
= Voor deze aspecten moet u
bij mij zijn
- U lijdt aan de ziekte van .….
= De oorzaak van uw handicap is
— Wij zijn vooral sterk in
= Het gaat er in onze disci-
pliine vooral om dat .……
= Voor concrete hulp moet u
zijn bij se
—= Volgens de wet op de arbeids
ongeschiktheid, heeft u recht
OP eee
= Bij onze organisatie past het
best „oe
HAAR
= Hij gezamenlijk stellen ons
verantwoordelijk voor de veva-
lidatie-hulp
— Wij zullen u helpen, mevrouw
= U coördineert de hulpverlenings
activiteiten
— Wij overleggen wie het best kan
helpen
— Wij werken samen
- De basis is verantwoordelijk dat
het goed loopt en wij dat zij
het kan waarmaken
= Voor sommige aspecten moet
specialistische hulp ingeroe-
pen worden
= Wat betekent dit ziek zijn voor
u?
- De gevolgen van uw handicap kun-
nen er zo uitzien
— Onze inbreng is vooral dat
— Onze discipline is er om het
volgende bij te dragen
— Vat is de concrete hulp die wij
geven en,
= Gezien uw behoefte kunnen wij met
onze middelen het volgende doen
= Bij wie zou dit het best th is
horen?
en daarvoor moeten wij oude onvruchtbare gewoontes als dienstver-
lener afleren en ons vruchtbare gewoontes aanleren.
Hoeten wij onze zwakke kanten aan elkaar durven tonen.
Hoeten wij verder leren kijken dan onze eigen discipline.
Moeten wij de vermogens ontwikkelen die werkelijke hutpver-
lening mogelijk maken, zoals waarnemen, luisteren, dingen werke
lijk doen, probleemverhelderend vragen stellen en dus niet
alleen met onszelf bezig zijn, spreken, regelen, oplossingen ver-
zinnen, Moeten wij onze hulpverlening vermenselijken.
“Het werkelijke tekort gaan zien en het juiste initiatief ont-
plooien."

20.
De oplossing van deze problematiek verwijst sterk
naar het volgende en laatste hoofdstuk uit dit deel:
met welke middelen wordt in het veld samenhang ge-
Schapen?
Samenvattend zijn in dit hoofdstuk aan de orde geweest
doorsnijdingen van het veld vanuit: de aard van de bij=
drage (confessioneel, functioneel, professioneel), het
functioneren van de orgenisatie (kleinschaligheid en
onafhankelijkheia) en de soorten doelgroepen (soorten
handicep, soorten problemen, leeftijd, woonplaats,
rechtspositie)
Wij willen dit hoofdstuk wederom afsluiten met een aantal
werkvragen, zoals die uit het voorgaande voortkomen,
Ga voor uw eigen organisatie na met behulp van alle in
dit hoofdstuk genoemde differentiatie-ingangen:
= vanuit welke gezichtspunten zijn wij gedifferentieerd?
= zijn die differentiatie-kenmerken voldoende duidelijk
om onze organisatie een eigen identiteit te verschaf-
fen?
« intern voor de medewerkers?
« extern vanuit het veld gezien?
= zijn de lijnen waarlangs wij onze eigenheid hebben
gekregen nog relevant of vraagt de ontwikkeling om
herziening?
= hoe gaan wij om met "grens-problemen" (onduidelijk-
heid bij aangrenzende disciplines, problemen,
groepen)?
Het welke middelen vordt in het veld samenhang geschapen?
Ve komen nu tot een derde aspect van de infra-structuur
rondom de hulpverlening. Dit aspect vormt het complement
van het vorige, Overal waar gedifferentieerd wordt, moet
weer worden geïntegreerd; overal waar gescheiden wordt,
moet weer samenhang worden gecreëerd. Dat kan op ver-
schillende manieren, We willen hieronder beschrijven wat
we in het veld zijn tegengekomen, zowel in positieve als
in negatieve zin. We zuilen daar wederom zòtn ordening
in brengen, dat er een zinvolle samenhang ontstaat en
aan het einde van deze paragraaf de concepties wederom
tot critische evaluatievragen kunnen worden verdicht.

21e
De kernvragen die hier te stellen zijn, luiden:
— vat wordt er gebundeld? Daarmee wordt ook tevens licht
geworpen op de vraag naar het bundelingsmotief.
= waarmee wordt gebundeld? Dit zegt iets over de methode,
het hoe, en over de aard van de samenhang die daardoor
ontstaat.
= vie bundelt er? Waar liggen de bundelingsinitiatieven?
Van welke groepen geet er een bundelingskrvacht uit?
a, Vat wordt er gebundeid?
Het maakt een groot verschil of men ervaringen, midde-
len of behoeften bundelt.
. Ervaringen. Mensen die vanuit eenzelfde probleemstel-
ling, vanuit eenzelfde discipline of vanuit eenzelfde
werk-methode ervaringen opdoen kunnen die ervaringen
bijeen brengen, ten einde daardoor tot persoonlijke
verrijking en professionele verdieping te komen.
Of deze bundeling nu tot een losse studiegroep of tot
een vast werkverband teidt, het wezenlijke effect van
dit soort bundeling is wetenschappelijke verdieping
en kwalitatief betere prestaties. De optiek daarbij
is die van de ontwikkeling, zowel voor de mensen als
voor de organisatie en haar prestaties.
«Behoeften. De prestaties waarvan ín het voorgaande
sprake was, moeten worden gericht op de behoeften,
in dit geval van gehendicepten, Daartoe kan bunde-
ling van behoeften nuttig zijn. Deze bundeling kan
natuurlijk ook leiden tot het verbeteren van de
onderhandelingspositie in een veld waarin schijnbaar
veel tegenstrijdige belangen aan de orde zijn.
Een eerste stap in de richting van een situatie waar.
in mensen en groepen met zeer verschillende behoeften
toeh tot hun recht komen, is het zichtbaar en be-
spreekbaar maken van deze behoeften, Dat maakt het
de hulpverleners ook mogelijk zich op deze behoeften
te richten. Het is over de bundeling vanuit dit motief,
dat wij hier spreken over de bundeling van behoeften.
. Middelen, Het bundelen van middelen ken van betekenis
zijn om de beschikbare midâelen zo vechtvaardig en
doelmatig mogelijk ter beschikking te stellen t.b.v.
het hulpverleningsproces tussen de hulpverleners en
de gehandicapten.
Wij hebben in het veld waargenomen, dat de versnippe-
ring en de onoverzichtelijkheid alom om bundeling
vraagt, maar det er weinig onderscheidingsvermogen is
voor het verschil dat er bestaat tussen het bundelen
van ervaringen, von miâdelen en van behoeften, en
tussen de verschillende doelen die daarmee kunnen wor-
den nagestreefd.

Beeläfragment 9
En toen sprak de dienstverlener tot zijn collega: "Als ik de
zaken eens goed op een rijtje zet, komt het er toch op neer,
dat er verschillende belangen spelen, er is sprake van een
belangentegenstelling. Het is omdat ik weinig macht heb,
anders zouden we de zaak eens anders aanpakken, Het werk zou
ik anders organiseren, dat is punt een, Ik vraag me wel eens
ef, hoe kunnen we de patiënt zo goed mogelijk helpen als we
niet het voliedige pakket kunnen uitvoeren. Het is echter een
heel karwei om daarvoor de nodige middelen los te peuteren bij
de overheid,"
Zolang we de dingen zelf blijven doen, weten we zeker dat ze
goed gaan
De dienstverlener moet ontmoedigd constateren, dat hij steeds
weer en vooral met organisatorische vragen komt te zitten, Al
die wetsveranderingen dwingen tot een formele opstelling tegen
over elkaar. "Je vraagt je wel eens af hoe het komt, dat we onze
zaken niet echt met elkaar willen en kunnen bespreken als onze
taak is dat wel met de gehandicapte te doer, zei de andere
dienstverlener.
De eerste dienstverlener dacht na en zei toen: "We hebben nu
toch een netwerk van contacten intramuraal — GMD « kruiswerk —
maatscheppelijk werk, waarom loopt het dan niet?
De tweede dienstverlener antwoorddes "De infrastructuur is ex.
Het ontbreekt echter aan een gezamenlijk beleid. De een weet
niet hoe en wat de ander doet en denkt. Het ontbreekt aan een
goedlopende gemeenschappelijke hulpverlening."
Ze vroegen zich af: "Wat moet er gebeuren, opdat straks de
“nulpverlener aan de basis" mee het beleid zal gaan bepalen.
Vat willen en kunnen we samen doen als we nog niet eens weten
wie nu wat doet? En bovendien we doen wel leuke dingen, maar we
missen toch een gedegen stuk onderbouw.“
Een derde die mee had staan luisteren dacht:
“Het gaat er bij de dienstverlener toch vooral om, dat hij deel
uitmaakt van een netwerk van mensen uit verschillende organisa
ties met verschillende bekwaamheden. En dat netwerk van mensen
moet met elkaar kunnen vaststellen wat het tekort is ín het
functioneren naar de cliënt toe, wat de dingen zijn die vast
gelopen, vastgeroest zijn en die "opgelost!" moeten worden,

22,
b., Waarmee wordt gebundeld?
Wij hebben in het veld vanuit vier verschillende in-
valshoeken integratiepogingen zien ondernemen, C‚a.
integratie zien optreden en wel door concepties;,
structuren, relaties en cliënten.
„ Concepties. Leidende gedachtes, gemeenschappelijke
doeïstellingen, concepties, leidbeelden kunnen een
krachtige integrerende werking hebben in een ver-
brokkelà veld, Ze kunnen het handelen van indíviduen
en groepen richten als de noordpool de naald van een
kompas.
Wij hebben in het veld een schrijnend tekort aan echte
leidbeetden, aan enthousiasmerende ideeën vastgesteld.
Beleidsnota's worden regelmatig geproduceerd, maar
ze bevatten weinig "substantie. Ze bevatten weinig
fundamentele, toekomst-krachtige gezichtspunten. Ze
blijken dan ook over het algemeen een vrij schimmig
bestaan te leiden zonder veel betekenis voor de
werkelijkheid die haar eigen bedding zoekt,
„ Structuren, Ben veld kan ook zijn samenhang krijgen
door een rationele structuur, die een logisch ver-
band brengt in het geheel van activiteiten,
Dit middel wordt » in nauwe samenhang met een
begrotings- en subsidiestructuur — door de bureau-
cratische overheid hoofdzakelijk gehanteerd uit
beheersoverwegingen. Het is ons opgevallen, dat het
soort structuren dat hierdoor ontstaat veelal tot
beddingen leidt waarin het leven niet op natuurlijke
wijze stromen kane.
Meer organische structuren ontstaan wellicht in ver=
binding met het volgende aspect:
. Relaties. Mensen kunnen samenhang scheppen, doordat
zij elkaar kennen, elkaar vertrouwen, elkaar de bat
toespelen, in elkaar geïnteresseerd zijn, Zo kan
er wars door de formele structuur heen een netwerk
van reële menselijke relaties ontstaan.
Wij zouden hierbij willen onderscheiden, tussen
enerzijds het bekende "old-boys-netwerk", de Lobby,
waarbij een beperkt aantal mensen via een veelheid
van dubbelfuncties en "relaties" achter de schrermen
de touwtjes in handen heeft en anderzijds het net-
werk dat ontstaat door bewust opgebouwde vertrouwens.
relaties, interdisciplinaire vak-interesse en gemeen=
schappelijke werk-project-ervaringen,. We hebben op
bepaalde punten ín het veld de creatieve kracht van
zulke netwerken ervaren,
„ De cliënt, Alle problemen komen bij de cliënt te
zamen. De gehandicepte is een ongedeelde eenheid,
Terwille van de hulpverlening kunnen wij zijn vraag
wel uiteen leggen in een psychische en een somatische,

Beeldfragment 10
De maatschappelijk werker was erg begaan met het lot van de mis-
deelden in zijn werkterrein, Daar had je allereerst dat groepje
Surinamers in het opvanghuis, waar ze nu alweer drie jaar zaten.
En dan was er ook de jeugdsoos, waarin steeds gevochten werd;
omdat de jongeren zich verveelden. En ook had je daar de lichame-
Lijk gehandicapten, die vaak stilletjes en wat vereengaamd thuis
zaten. Het leek wel of er steeds meer gehandicapten kwamen, ook
nu de WAO-ers in aantal toenamen. Die maatschappelijk werker
voelde erg mee met deze groepen en het waren vooral gehandicapten
die zijn interesse hadden. Af en toe bezocht hij er een en dan
schrok hij ven de problemen die hij hoorde.
Deze maatschappelijk werker had sinds kort een geweldig probleem
in huis gekregen. Enige weken al was hij in contact met een
groepje gehandicapten, dat zich georganiseerd had, omdat de
dienstverleners nooit thuis waren, als je ze nodig had en ook om
dat die niet erg goed onderling samenwerktenen hun werk afstemden.
De maatschappelijk werker was enthousiast geworden voor. hun plan
nen, niet in het minst omdat hij zo zijn ideaal "het aktiveren
aan de basis" kon beleven en realiseren, Ze hadden een paar keer
met hem vergaderd en hij had hen zijn hulp en steun toegezegd.
Hu trof het lot hem zo, dat hij bijna tegelijkertijd door zijn
baas, de direkteur van de stichting maatschappelijk welzijn, aan=
gevezen werd om deel te nemen aan een project, dat maatschappe-
lijk werk samen met GMD had opgezet, In dat project zou de
maatschappelijk werker naast de arbeidskundige en medischkundige
zijn advies moeten geven over bepaling van de toekomst van hen
die axbeidsongeschikt waren geworden. Op deze wijze werd hij in-
gelijfd in het corps van dienstverleners dat, op afstand oor-
delend, de toekomst van gehandicapte mensen bepaalde.
De maatschappelijk werker zeg zich voor een dilemma geplaatst.
Hij moest zowel rechter als advocaat, zowel officier van
Justitie als verdediger zijn. Hij zelf wilde naar de basis en
zijn functie ging naar de top. Zijn ideaal was de maatschappe-
lijke huisarts, de werkelijkheid was de bureaucoördinator.

25.
in een relatievraag en een werkvoorzieningsvraag,
in een korte termijn- en een lange termijnprobleen,
maar voor de belanghebbende is alles een ondeelbaar
geheel. We zijn mensen in het veld tegengekomen die
de integratie niet zozeer verwachten van de boven-
kant (eoncepties) of van het midden (structuren en
relaties) maar van de onderkant (de cliënt).
Zij hebben het vertrouwen, dat er een zinvolle samen-
hang zal ontstaan tussen alle facetten van de hulp-
verlening, wanmeer ze zich laten leiden door de cliënt
zelf, wanneer ze de gehandicapte ten nauwste betrek-
ken bij de oplossing van zijn eigen problemen, wanneer
ze de belanghebbenden helpen het helpproces zelf in
de hand te nemen.
Deze laatste integratiekracht ig nog sluimerend, Veel
hulpverlenende diensten (zie diverse rapporten van de
laatste tijd) zijn zo gericht op wetten toepassen,
uitkeringen betalen, eigen organisatie continueren,
budgetten bewaken, spel-spelen met (of tegen) de
overheid en andere instanties, dat de gehandicapte
zelf veelal achter de bewustzijnshorizont verdwijnt.
ec, Wie bundelt er?
Het is van belang te onderscheiden en na te gaan van
wie (en van waar) de bundelende krachten in het veld
uitgaan. Het is een groot verschil of het centrum van
actie bij de overheid ligt, bij de dienstverlener of
bij de belanghebbende, De tendens bestaat op het ogen-
blik, dat de overheid de initiatiefnemer is, dat haar
veld van actie bij de dienstverlener ligt (als jullie
subsidie willen ontvangen, zul je je hierarchisch-
eentralistisch moeten organiseren, wij wensen maar
een beperkt aantal gesprekspartners) en dat als. reac=
tie hierop de belanghebbenden zich gaan organiseten om
een sterkere vuist te maken tegenover de overheid,
Zoals in de voorgaande paragraaf duidelijk was, dat alle
differentiatielijnen elkaar kruisen en de. differentiaties
elkaar overlappen, zo ís het hier duidelijk hoe bunde-
lingsmotieven, -objecten, -middelen en -inítiatoren ten
nauwste samenhangen. Toch kan deze onderscheiding helpen
om het totale bundelingsgebeuren in het veld doorzichtiger
en evenwichtiger te maken.

Beeldfragment 11
“Toen ik in het revalidatiecentrum zat, had ik het gevoel, alsof
die mensen daar er voor mij waren. Ik zat in een schema van
activiteiten, regelmatig zag ik de therapeuten die me aan het
werk zetten en die me vertelden hoe ik vorderde. Af en toe sprak
ik de revalidatiearts en die was heel tevreden met mijn vorde-
ringen. Hij zei, gemiddeld zitten mensen zoals jij hier wel 120
dagen, mear ik denk dat jij wel na 100 dagen naar huis kan. Met
de andere mensen had ik af en toe contact, Je kon zo nu en dan
eens wat uitwisselen, Hoe gaat het met jou, is het echt gelukt,
klonk je tegemoet. Regelmatig kwam het gezin op bezoek. Ze ver-
telden me steeds dat ze het thuis wel konden rooien zonder me,
ze hadden de taken onderling verdeeld. Ze zeiden ook, dat ze
biij zouden zijn als ik er weer was. Ik vorm me nog maar geen
idee over hoe het thuis zal gaan straks. Er zal wel een en ander
gaan veranderen. Misschien moeten we ook wel verbouwen. Eerst
maar eens zorgen, dat ík er na 100 dagen uit ben, ik moet zor-
gen, dat ik precies doe wat ze me vragen te doen!
“Ik ben een half jaar thuis en besef nu in wat voor uitzonde-
ringspositie ik gekomen ben. Ze dachten hier dat alles wel
weer z'n gang zou gaan, maar dat ging niet zo,
Ik moet nog steeds regelmatig naar therapie en ook moet ik nog
wel eens anderen opzoeken, Ik weet niet precies wat er nu verder
gaat gebeuren, Je komt hier wel op jezelf te zitten, de anderen
hielpen in het begin nog wel eens, maar nu zeggen ze maar dat
ik het zelf moet proberen, dat ik daardoor vooruit zal gaan. De
relatie tot mijn echtgenoot is wel veranderd. Het gaat niet meer
zoals vroeger, hij is ook wel erg druk nu met zijn werk. De
kinderen zijn wel aardig voor mij maar ze begrijpen toch niet
wat ik moet doormaken, Gelukkig is de buurvrouw een toffe meid,
die voelt wel aan wat het betekent, haar man is WAO-er. Je
vraagt je wel af wat je nu verder nog moet. Veel beweging is
er niet meer, je suft hier maar in."

24.
Daarom is onze werkvraag aan het einde van deze paragraaf:
Heem een stuk van het veld in ogenschouw, dat u uit er—
vering kent en vraag u afs
wat houdt de zaak bijeen?
wat betekent dat voor de mensen in de organisaties
en voor de dienstverlening naar buiten?
:
zoudt u andere samenhang scheppende krachten willen
mobiliseren?
welke concrete wegen ziet u daartoe?
D, Het help-proces
Binnen het kader van de infra-structuur (zie 2) en zich
richtend op de gehandicapte (zie 1) speelt zich het eigen
lijke help-=proces af. Veel vragen die hierbij aan de orde
komen vonden van daaruit reeds hun antwoord. Een drietal
vragen willen wij nog stellen, omdat ze ons zo duidelijk
uit het veld tegemoet klinken, Ze hebben te maken met de
visie op het helpproces zelf, met de vraag wie er moet
helpen en wie er geholpen moet worden.
1, De visie op het helpproces zelf
De belangrijkste vraag die men aan het helpproces kan
stellen, — en het gewicht dat men aan die vraag hecht,
zegt iets over de visie die men op het helpprocèes
heeft — is of er werkelijk sprake is van een proces.-
Het eerste kenmerk van een proces is geleidelijkheid:
= een geleidelijke overgang van intramuraal naar extra-
muraal 3
— een geleidelijke overgang van afhankelijkheid van
externe deskundigheden naar autonomie door zelf-hulp;
— een geleidelijke overgang van de ene soort hulp (bove
meer fysiek) naar een andere soort (b.v. meer maat-
schappelijk).
Al deze overgangen kunnen ook abrupt en onverwacht zijn,
zodat er eigenlijk geen sprake is van een proces, maar
van een discontinu gebeuren.
De vraag of er werkelijk sprake is van een proces kunnen
we ook beantwoorden door te bezien ín hoeverre alle
deelactiviteiten die aan de orde komen een innerlijke
samenhang, een "gestalte" hebben, doordat ze niet
alleen op elkaar, maar ook op een gemeenschappelijk

Beeldfragment 12
De leek in het gehandicaptenveld, vaak de vrijwilliger, beleeft
een afstand tot de professionel. Die weet het precies, maar wel
binnen zijn vakrichting en die kan het ook zo goed verwoorden,
Ook neemt die goed afstand van het probleem, Ze leggen van 8 tot
5 de mens geheel uiteen in specialismen en je vraagt je af hoe
dat weer bij elkaar gebracht moet worden. Ze hebben ook oog voor
structurele vragen en bemoeien zich nogal met andere werkers in
het veld. Ze hebben autoriteit vanwege hun kennis en inzicht en
die is vaak onmisbaar, De mensen die het werk doen bij de ge-
hendicapte thuis, zoals verpleegkundige of huisarts staan de
vrijwilliger nog het naast, Werkers uit diensten voor hulpver-
lening staan al verder af. De vrijwilliger wil en kan veel doen,
heeft vaak de tijd daarvoor en de lange adem.
De professional in het gehandicaptenveld beleeft een afstand tot
de leek, de vrijwilliger. Vaak staan die met hun goedbedoelde
intenties vakbekwame hulpverlening in de weg, Je kunt slechts
in zekere situaties een beroep doen op hen, Ze doen wel goed
werk, maar wat oppervlakkig. Hulpverlening is een vak, je moet
weten wat je doet,
De vrijwilliger en de professional: het verleden en het heden,
Hoe zal âe toekomst zijn?
Home teams waarin verpleegkundige, maatschappelijk werker,
arts en arbeidsbureau werken
Eegionale teams waarin secretaris/coördinator en mensen uit de
verschillende diensten werken, zoals GMD, kruis=
vereniging, maatschappelijk platform
Provinciale teams provinciale diensten
Waar zal de plaats zijn van de vrijwilligersorganisaties en niet
te vergeten van de gehandicaptenorganisaties zelf?
“De dienstverleners met elkaer, hoe zulten ze zitten?

25e
idee (b‚v, een revalidatie-plan) zijn betrokken.
Een laatste karakteristiek waar we naar kunnen kijken
als we ons afvragen of een bepaald gebeuren proces-
karakter heeft, is het verschijnsel ontwikkeling. Ben
mechanisch gebeuren is iets dat rechtlijnig verloopt, door
bekende causaliteïten wordt bepaald en daardoor voltedig
planbaar, voorspelbaar en beheersbaar is. In een organisch
proces is ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Elke fase
schept nieuwe realiteiten die op hun beurt uitgangspunt
kunnen vormen voor gebeurtenissen die we in een eerder
stadium niet voor mogelijk hadden gehouden, Een mechanisch
en volledig gepland verlopend gebeuren verhindert een
nieuwe inslag. Bij een levend helpproces wordt steeds op-
nieuw naar de realiteit van het moment gekeken en van
daaruit naar de volgende stap. De innerlijke houding daar-
bij is de overtuiging, dat in het proces zelf krachten werken
die veel wijzer zijn dan ons beperkte intellect.
Vanuit deze visie op het hulpproces zelf kunnen ärie werk-
vragen worden geformuleerd:
— În hoeverre is het helpgebeuren geleidelijk of dis-
eontinu?
— in hoeverre is het helpgebeuren geïntegreerd of een
optelsom van deelhulp?
— in hoeverre biedt het helpgebeuren ruimte voor ont=
wikkeling of is het rechtlijnig gepland?
Wie moet er helpen?
Een tweede centrale vraag in het kader van het helpproces
is de vraag wie het helpende subject is. Drie mogelijke
antwoorden zijn ons uit het veld tegemoet gekomen: de
deskundige, de vrijwilliger en de gehandicapte zelf.
Historisch is de hulp begonnen bij de vrijwilliger. Alle
armenzorg en filantropie was vrijwilligerswerk vanuit de
gegoede stand, Geleidelijk begon het werk te professio-
naliseren, Er ontstonden speciale opleidingen, methodes,
technieken, enz. Daarmee dreigde de cliënt steeds on-
mondiger te worden, Hoe verder de hulpverlener zich
professionaliseerde, hoe groter de afstand tot hem werd
en hoe meer de cliënt zich passief moest overgeven.
Een ander gevolg van deze ontwikkeling was een sterke
polarisatie tot de vrijwilligers. De professionals beleef
den vrijwilligers als onverantwoordelijke amateurs, beun-
hazen, hobbyisten en dergelijke. De vrijwilligers ver-
weten de deskundigen, dat ze koude technocraten waren:die
meer in hun methodes en wetenschappelijke hypothesen
geïnteresseerd waren dan ìn de gehandicapte zelf, Dan

26,
komt de kentering. In het kader van de emancipatie en de
personalistische stromingen in de menswetenschappen, wordt
het woord zelf-help geboren. De gehandicapte moet geholpen
worden zichzelf te helpen.
De specialist moet van zijn voetstuk komen, de cliënt is
primair verantwoordelijk voor zijn eigen herstel-, aan-
passings- of ontwikkelingsproces.
Daarmee is de helpäriehoek langzaam uit de verf gekomen.
expert
vrijwilliger eliënt
Onze conclusie uit onze oriëntatie is, dat ze alle drie
een wezenlijke functie hebben. De cliënt omdat hij degene
is die het probleem heeft en ermee moet leren omgaân, de
deskundige omdat het ondoochenbaar is, dat wetenschap en
studie een eigen bijdrage kunnen leveren aan diagnose en
therapie, de vrijwilliger omdat hij niet gebonden is aan
een organisatie, aan beroepsnormen, aan prestatienormen en
inkomens-probtiemen. Hij maakt vaak — als buurman of
familie — deel uit van de leefsfeer van de gehandicapte en
als dit niet het geval is, dan heeft de gehandicapte in
zijn belevingswerelà toch een veel grotere nabijheid tot
hem dan tot de professional. Zo ken de vrijwilliger een
belangrijke bron van informatie voor de professional aijn
en kan de professional de vrijwilliger waardevolle tips
geven om diens help-werk effectiever te maken. En allebei
hebben ze hun eigen relatie tot de gehandicapte.
Zo moeten alle zijden van de driehoek — als relatie — ver-
zorgd worden. Elke vorm van polarisering of willen uite
schakelen is onvruchtbaar.
De werkvraag aan het einde van deze korte paragraaf is
ook korte
Bekijk in het eigen werkveld waar sprake is van zelf
hulp, waar van vrijwilligers-hulp en waar van profes
sionele hulp; bekijk de relaties tussen de drie zijden
van de driehoek in uw speciale situatie en vraag u af
of en zo ja met welke middelen het zwaartepunt van de
driehoek verschoven en de relaties verbeterd moeten
worden.

Beeldfragment 13
Dat ben ik, ik met mijn handicap. Alles hangt met alles samen.
Als ik maar niet gehandicapt was, dan Had ik die andere proble
mea ook niet zoe Er is niemand in mijn wereld âie er zo aan toe
is als ik.
Ik maek mij zo klein mogelijk. Als ik alles breed ga uithangen,
dan zie ik niemand meer. Ik zit nu al in een isolement, Niemand
zit hek zo tegen als ike
Dat zijn wij. Wij hebben een handicap. Alles hangt met alles
samen. Je kunt je afvragen of alleen gehandicapten dat soort
problemen hebben, zoals wij ze hebben. Je zit toch maar behoor-
lijk beroerd, als je niet meer 20 mee kan in âe maatschappije
Haar goed, wij steunen elkaar en we kunnen onze gevoelens van
onmacht, teleurstelling, angst en agressie ook eens kwijt.
En gehandicapten hebben humor, We lachen ons soms rot met el-
Ik ben wat kwijt, maar zij zijn ook wat kwijt, De een zijn kind,
de ander zijn vrouw, een derde zijn baan. We hebben veel gemeen
schappelijke problemen. Voor mij gien ze er soms toch wat anders
uit, Ik moet niet alles aan elkaar plakken. Ieder heeft zijn
combinatie van problemen. Mijn probleem is, dat ik niets doe.
Ek ga toch maar eens kijken of ik niet iets kan doen, bev. die
drempels in openbare kantoren,
Je vraagt je af, als specialisten waar ik steeds moet komen nu
ook eens een keer gingen zien, dat ze maar dunne schotjes om
zich heen hebben, ale ze elkaar eens om raad zouden vragen;
elkaar eens opbellen dan zouden ze een beter en vollediger
beeld hebben van waar het bij mij om gaat. Maar ja, initiatief.
nemen is moeilijk met al âie volle agenda's. Gelukkig dat ik
nog wat tijd over heb. Dan kan ík die eens wegschenken aan een
ander die mij nodig heeft,

27.
5, Wie moet geholpen worden?
Het enige en centrale punt dat hier eigenlijk aan âe orde
is, is de relatie tussen de gehandicapte en zijn omgeving.
In alle toonaarden is ons dit probleem uit het veld tege-
moet gezongen: niet alleen de gehandicapte heeft een pro-
bleem, coq, een uitdaging, maar ook zijn omgeving, Die
omgeving kan men in concentrische kringen om hem heen teke
nen. Het dichtst bij eventueel zijn vrouw, dan zijn kinde-
ren, naaste kennissen en familie, de straat, de werkkring,
tot de anonieme samenleving aan toe.
Voor de kringen dicht om hem heen is het helpprobleem zeer
verwant aan dat van de gehandicapte zelf: nieuwe hand
vaardigheden leren, relaties opnieuw vormen, ander dag-
rytme, misschien verhuizen, veranderd levensperspectief;,
e.â. Voor de kringen ver weg is het helpprobleem anders;
veel meer het durven stellen van de gewetensvraag hoe
we ons verhouden tot al die groeperingen die we als "on-
aangepasten" of "niet meer tot functioneren in staat
zijnden" buiten de samenleving plaatsen, hoe we daarbij
met hen en met onszelf omgaan, wie eigenlijk de "af
wijkenden'" zijn, wat we van ze kunnen leren en zo meer.
Uit deze korte beschouwing volgt de simpele werkvraag:
Is de beschikbare hulpcapaciteit evenwichtig verdeeld
over de hulp aan de persoon zelf en aan zijn omgeving?

28,
V_ _HETHODE EE MENSBEELD
De betekenis van de methoden die de onderzoeker en de
veranderaar gebruiken
Het is in de wetenschepstheorie bekend, det het soort ant=
woorden dat een onderzoek oplevert bepaalâ wordt door de
aard van de vraagstelling. Is mijn hypothese kwantitatief
van aard, dan zal het onderzoeksobject alleen dàt gedeelte
van zijn werkelijkheid prijsgeven dat op de gekozen zeef
blijft liggen, in dit geval de kwantitatieve. Wie met een
machtaconcept de sociale werkelijkheid benadert, hem zal
die werkelijkheid uitsluitend als machtsverhoudingen ver=
schijnen, Aangezien methodes en instrumenten afgeleiden
(dienen te) zijn van hypothesen en probleemstellingen,
geldt het bovenstaande voor deze eerstgenoemde evenzeer.
Voor âe onderzoeker zou âaarom een permanente gewetensvraag
moeten zijns "Zijn mijn methodes en mijn instrumenten van
dezelfde sard als het object dat ik wil onderzoeken?"
Met betrekking tot de moderne fysica werd door Heisenberg
deze vraag zodanig negatief beantwoord, dat hij zich geroepen
voelde tot de uitspraak 'de moderne natuurwetenschapper neemt
eileen nog maar zijn eigen instrumenten vaar!
Zijn hypothesen, tot uitdrukking komend in zijn methodes en
instrumenten, schuiven zich als wezensvreemde elementen tus-
sen onderzoeker en object.
Haar enalogie van het voorgaande daagt in de agogiek het
inzicht, dat de veranderingen die als gevolg van een proces
optreden van dezelfde aard zijn als het proces dat ze heeft
opgeroepen. Ik kan verbaal naar democratisering streven, wan=-
neer ik die democratisering met autoritaire methodes tracht
in te voeren, zal ik slechts het autoritaire in de situatie
versterken. Wanneer ik op vertrouwen gebaseerde samenwerking
wil oproepen en daerbij controlemiddelen hanteer die op
wantrouwen berusten, zal mij dat wantrouwen (versterkt) uit
de omgeving worden teruggespiegeld. Zo zullen decentralisa-
tie-pogingen die langs centralistische banen worden onder
nomen, weinig effect sorteren. Voor de veranderaar zal dus,
even krachtig als voor de onderzoeker, een gewetensvraag
zijn handelen moeten begeleiden: “Zijn de methoden die ik
hanteer van dezelfde aard als de veranderingen die ik daar
mee teweeg wil brengen?!
B. Intentie, proces en resultaat
De vraag naar de samenhang van de door ons gebruikte methode
en het door ons beoogde rospectievelijk behaalde resultaat
— een probleemstelling die zowel voor de wetenschappelijke
onderzoeker als voor de "agogische veranderaar" blijkt te
gelden — willen wij hieronder trachten te beantwoorden,

29,
Om te beginnen zijn wij van meet af aan zo bezig geweest,
dat het onderzoek zelf een bijdrage zou zijn tot verandering.
Het Vactie'=karakter van onze oriëntatie is uiteraard nog
zeer bescheiden, Het gaat echter om de intentie. Deze inten-
tie is zo, dat de werkelijkheid niet 'waarde=vrij", statis-
tisch, op een afstand wordt beschreven, maar doelgericht,
participerend, in beweging wordt gebracht. Daardoor open.
baart de werkelijkheid zich van haar âynamische zijde.
De doelstellingen van het actie-onderzoekproces werden niet
abstract-technocratisch van tevoren vastgesteld in de vorm
van kwantificeerbare resultaten. Eet proces zelf is koers-
zoekend, doel-genererend, intenties-ontwikkelend. Daarmee
komt het proces centraal te staan. Het heeft geen middel
karakter in de zin van een wetenschappelijke methode die mij
= ais een verworvenheid buiten mij — een onderzoeksresultaat
oplevert. Koen, de bewustwording die zich in de onderzoekers
onderweg voltrekt is het ondergz; :
Het proces heeft ook geen middel-karakter in de zin van een
strategische methode die míj — als een situatie buiten mij —
een actieresultaat oplevert, Hee, de gedragsverendering die
zich bj de veranderaar onderweg voltrekt is het actie-resul-
taat,
Wenneer van een aantal in het proces betrokkenen zowel het
bewustzijn als het gedrag verandert, betekent dit in feite
een verandering van de situatie, ven de structuur. Deze
veranderde structuur kan natuurlijk terugwerken op het be-
wustzijn en het gedrag ven anderen.
Het gehele veranderingsproces dat in ons onderzoek aan de
orde is, vindt zijn essentie in veranderingen in en aan
en door de mensen, Omdat in onze aanpak getracht wordt het
onderzoeksproces en het veranderingsproces te beschouwen
als twee zijlen van óénzelfde proces en dit proces zelf
de kern van het beoogde resultaat is, daarom zijn wij van
mening, âat de vraag of methode en beoogd resultaat van
dezelfde aard zijn, positief kan worden beantwoord,
De keuze van het mensbeeld
Wanneer de kern van de door ons beoogde processen beschre
ven wordt in termen ven veranderingen in en aan en door
mensen, komt de vraag centraal te staan, welk mensbeeld
daaraan ten grondslag ligt, e.d. welk mensbeeld men ver-
werkelijken wil. We zullen hieronder in het kort de con—
touren van dit mensbeeld beschrijven:
Wenneer ik door een wei met bloemen loop kan ik âe fy-
sieke werkelijkheid buiten mij zintuiglijk waarnemen.
Zij is er zonder mijn toedoen, Heel anders is het ge
steld met de gevoelens die dit alles in mij oproept.
Zij horen bij wij en zeggen iets over mijn relatie tot
de wereld om mij heen. Tenslotte ken ik mij denkend

Pans
30.
verdiepen in de wetmatigheden die zich in de natuurlijke
wereld openbaren. In deze wetmatigheden ervaar ik een
objectieve werkelijkheid die er zonder mij ook is.
Wanneer ik het volgend jaar door dezelfde wei Loop,
zuilen er nieuwe bloemen zijn die ik wederom kan vaar=
nemen, er zullen wederom gevoelens — misschien andere =
in mij opstijgen, maar de wetmatigheden die zich in
die bloemen uitdrukken en die ik denkend kan trachten
te bevatten, zijn dezelfde.
In drie richtingen wijst deze korte beschrijving: op de
materiële wereld om mij heen, op mijn eigen binnenwereld,
en op âe objectieve werkelijkheid die in de verschijn=- .
selen werkzaam is. Op drie verschillende wijzen verbindt
de mens zieh met de wereld om hem heen.
Dat fenomeen verwijst naar drie aspecten van zijn wezen.
We kunnen die met lichaam, ziel en geest benoemen. Door
zijn lichaam heeft hij contact met de materiële wereld
om hem heen; door zijn ziel verbindt hij deze met zijn
eigen bestaan, waardoor hij lust en onlust, sympathie
en antipathie aan ze beleeft; door zijn geest openbaart
zich hem wat als objectieve wetmatigheid in de dingen
werkzaam is,
Ais fysiek wezen heeft hij deel aan een materiële wereld,
âls zielewezen, levend in voorstellingen, gevoelens en
begeerten, heeft hij deel aan een zielewereld waarin ook
zijn medemens leeft, als geestwezen is hij een entiteit
en maakt hij met andere geestelijke entiteiten deel uit
van een geestelijke wereld.
De mens kan zieh van zijn drieledig wezen bewust worden.
Deze ervaring kan zó in hem leven, dat hij zich bewust
wordt van het feit, dat dit mensbeeld als ontwikkelings=
potentie gegeven is, en dat de verwerkelijking ervan
de inhoud van zijn vrijheid is, Zelfverwerkelijking be-
tekent menswording en dat houdt drie opgaven in. Pen
eerste steeds bewuster zijn eigen entiteit erkennen in
relatie tot andere entiteiten, Ten tweede de eigen ziel
steeds meer tot waardig kleed van die entiteit omvormen.
Ten derde de fysieke werkelijkheid steeds meer gaan zien
als de werkplaats die we zó moeten inrichten, dat deze
ontwikkeling mogelijk is.
Tot zover in alle kortheid iets over het mensbeeld, dat
achtergrond voor ons werk is en dat voor de auteurs, door
de anthroposofische scholingsweg, die ieder van hen op
zijn eigen wijze probeert te gaan, steeds meer ervarings-
werkelijkheid wordt.
Vanuit dit mensbeeld werken in het sociale betekent voor ons
het ontwikkelen van samentovingsvormen, waarin ieder mens
op zijn wijze zich als geestelijke entiteit kan verwerken
lijken. Haarmate dit proces voortschrijdt zullen de sociale
vormen steeds meet eon afspiegeling worden van de mens in
zijn drieledigheid. Omgekeerd, wanneer bijgedragen wordt aan

het inrichten vaù bociale vormen die zijn afgelezen aán
de mens zelf … eù óp vele plaatsen in dit rapport is
in die kichting vorwezen — zal de mens zich drarin äts
drieledig wezen kunnen herkennen en zich daardan in die
Fichting künnen ontwikkelen. .
Eet bezig-zijd met de ontwikkeling van deze samenlevings-
vormet is de mest wezenlijke vorm van zelfverwerkelijking.
Proces en resultaat vallen daar gamen.

BIJLAGE
ONZE GESPREKSPARINERS
Hieronder volgen de namen van degenen met wie wij in de loop van
onze oriëntatie in persoonlijk contact zijn geweest.
1, Gehandicapten Raad
De heer A.M, van Beek
Biesterwveg 44
5615 AJ Eindhoven
0640-782201
2, Federatie Maatschappelijke Dienstverlening
De heer M. Berger
Groot Hertoginnelaan 45
2517 EC Den Haag
070-4535200
5. Dienst Maatschappelijke Gezondheidszorg
De heer Dr. E.S, Bosma
Gorechtkade 6-10
9115 CA Groningen
0950-159744
4. Centrum voor Gezinsverzorging en Maatschappelijk Werk
Rijswijk en Voorburg
Hevrouu C. Bothe-Dunselman
Geestbrugkade 55
2201 CX Rijswijk (ZH)
070-9068360
De Nederlands Zeehospitum
De heer J.H. Bromelow
Postbus 50401
2505 LK Den Haag
070-686660
6, De heer W.B. Camoenié
Luchthavenlaan 16
5042 TD Tilburg
0153-672064
7. Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne
De heer F.H.J.M. Daams
Secretaris I,S,E,
Dokter Reyerstraat 12/Postbus 439
2260 AK Leidschendam
0970-209260

8e
10,
11,
12,
13e
1áo
15e
GG. De
De heer J.M, Eilander
Jac, ved. IJndestraat 73
22714 XA Voorburg
0970-694011
De heer A.P.M. van Gestel
Poemalaan 1
5691 CE Son
04990-11241 (zaak
04990-19354 (privé)
De heer Ds, Je van der Graaff
Van Catsstraat 19
1851 JG Heilo
012-5351556
Stichting "De Kempen!'
De heer B‚J. Grimberg
Nieuwstraat 25
5521 CA Eersel
04970-35477
Gehandicapten Organisatie Nederland
Kevrouw J.Th. van Häapert-Lathouers
Pisanostraat 37
5623 CA Eindhoven
0404545719
Nederlandse Vereniging voor Revalidatie
De heer 5,F, Hoekstra
Oude Gracht 136/Postbus 323
3500 AH Utrecht
0350-551121
Revalidatiecentrum
De heer GeJ.JeM. van Hooff
Kempensebaan 96
5615 JG Eindhoven
040-444166
Provinciale Revalidatie Stichting Noord-Holland
De heer Drs. A. Horsman
Spaarndamseweg 520
2022 EC Eaarlem
025-3580950
2,

16,
17.
18.
19,
20.
21e
22.
25.
Gemeenschappelijk Administratiekantoor
De heer E,Â,C. Huybrechts
Markendaalseweg 78a
3411 KD Breda
076-2224611
Provinciale Revalidatie Stichting Zuid-Holland
De heer A.A, Jacobs
Hisenhowerlaan 142
2517 KE Den Haag
070-5490582
Gemeenschappelijk Medische Dienst
De heer K‚H.J. Kettenis
Bos en Lommerplantsoen 1
1055 AA Amsterdam
020-5679111
Centrum voor Gezinsverzorging en Maatschappelijk Werk
Ríjswijk en Voorburg
Hevrouw J. van der Knaap
Geestbrugkade 35
2251 CX Rijswijk (ZE)
070-9068650
De heer Dr. Hed. Köster
Jan Muschlaan 51
2597 TP Den Haag
070-246785
Jorr
De heer Drs, A.Th, Lathouers
Luybenstraat 19/Postbus 286
5201 AG Den Bosch
0775-159920
Sociaal Medische Dienst voor Zuid-Holland
Mevrouw T.J. Lavooij
Prinsegracht 71
2512 EX Den Haag
0704695635
Revalidatie Centrum
De heer H, van der Linden
Kempensebaan 96
5615 JG Bindhoven
040-444166
EN

24e
25:
26,
27.
28.
23.
30.
51.
Ministerie van Sociale Zaken
De heer Ne. Metf.J. Menken
Parkstraat 20
2514 JK Den Haag
070-624651/tstenr. 327
Sociaal Medische Dienst voor Zuid-Hollbùd
De heer J. Moor
Prinsegracht 71
2512 EZ Den Haag
070-4693563
Dienst Haatschappelijke Dienstverlening
De heer He. A.J. Roggeveen
Generaal Spoorlaan 2-4
2233 GH Rijswijk (ZH)
070-9249551
Sociaal Hedische Dienst voor Zuid-Holland
Hevrouw A, Rood=Nieuwland
Prinsegracht 71
2512 EX Den Haag
070-4693565
Dienst Maatschappelijke Gezondheidszorg
De heer J. Rutten
Gorechtkade 6
9715 CA Groningen
050-1539744
Sociaal Hedische Dienst voor Zuid-Holland
Hevrouw M.Th, Schouten
Prinsegracht Tí
2512 EX Den Haag
070-4695635
JOIET
De heer 5. Spruyt
Luybenstraat 19/Postbus 265
5201 AG Den Bosch
9075-159920
GeleeDe
De heer B. Stellinga
Willem II straat 23
5038 BA Tilburg
0135-551944
4e

55e
34.
55.
36,
31.
38.
59.
JOINT
De heer Drs. de. Timmers
Luyberstraat 19/Postbus 260
5201 AG Den Bosch
07j-159920
Provinciale Revalidatie Zuid-Holland
De heer L.l. Toxopeus
Eisenhowerlaan 142
2517 Ki Den Haag
070-5493082
JOINT
De heer A. Umans
Luyberstraat 19/Postbus 268
5201 AG Den Bosch
0735-159920
Ministerie voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne
De heer Viddeleer
Dokter Reyerstraat 12/Postbus 439
2260 AK Leidschendam
070-209260
Ziekenhuiscentrum
De heer A.A.G: Vlierhuis
Oudlaan 4fPostbus 9696
3506 OK. Utrecht
050-7359911
Stichting "De Kempen"
Mevrouw S.H.T, Vos-van Heck
Nieuwstraat 25
5521 CA Eersel
04970-54TT
AVO-Nederland
De heer C.F.J, Vuister
Postbus 850
3800 AW Amersfoort
035- 55214
Dienst Maatschappelijke Gezondheidszorg
De heer A‚M. van Weelen
Gorechtkade 610
9113 CA Groningen
050-1359744
De