← Back to catalogue

Intuition and Ratio

Author:
Kees Locher
Original title:
Intuïtie en ratio
Type:
Syllabus
Language:
Dutch
Year:
1989
Pages:
9
Subject:
see title
NPI reference no.:
8038.895

ND
Nederlands Pedagogisch Instituut
syllabus: 8038.,895
KL/LG
INTUÏTIE EN RATIO
In het interview van Peter Dieleman met McKinsey-adviseur
Winsemius) komen een paar opmerkelijke uitspraken.
Een topmanager: "Het meeste spijt heb ik gehad van de momen-
ten dat ik naar mijn staf geluisterd heb, in plaats van toen
afgegaan te zijn op mijn intuiïitie!,
En Winsemius: "Voor een deel is het belangrijk om je huis-
werk zorgvuldig te doen" (als adviseur). En: "Geloof in je
eigen idee over de situatie, die de rationaliteit voorbij
streeft, kan een ervaringspatroon zijn".
Twee gebieden
Als mensen spreken over intuitie dan worden vaak in één adem
begrippen gebruikt als gevoel, geloof, visie, idee. In het
gewone taalgebruik lijkt intuïtie eerder een gebied van de
menselijke ziel of psyché aan te duiden dan een eenduidig
vermogen. Die twee gebieden willen wij het “rationele! en
het "niet-rationele" gebied noemen. Voor het rationele wor-
den begrippen gebruikt als: denken, feiten, analyse, logica,
conclusie. Gewoon je huiswerk doen, zegt Winsemius.
conclusie
logica
analyse
feiten
rationeel denken dagelijks bewust
NNT
niet-rationeel gevoel dagelijks on-bewust
geloof
visie
idee
intuitie
Om in die twee werelden wat verder door te dringen kunnen de
twee volgende oefeningen helpen:
1 - Uit NRC Handelsblad van 7 maart 1989, een wiskunde I op-
gave:
In een gelijkbenige driehoek ABC is A = 80°. B kan niet
gelijk zijn aan: a = 20°
b = 40°
c = 50°
d = 80°
instituut voor Organisatie Ontwikkeling Vatckenboschlaan 8, Postbus 299, 3700 AG Zeist Telefoon 03404-20044

Dit is puur logisch op te lossen als je twee dingen
weet, Ten eerste dat de drie hoeken van een driehoek
samen 180° zijn, en ten tweede dat bij twee gelijke
benen de hoeken aan de voeten gelijk zijn PN Als volgt:
Ü= s C 20° = a
- als B = A = 8 d, i
- als A = C, is B 20° = a
180-A
—- als B = C = = 50° = c
2
Dus B kan niet gelijk zijn aan b = 40°.
Vanuit een heldere probleemstelling kan men met analy-
seren en logisch redeneren automatisch tot een duidelij-
ke oplossing of conclusie komen.
2 - Een oude uitspraak uit Griekenland:
Alle Kretenzers zijn leugenaars, zei een Kretenzer".
Met logisch denken kom je hier niet uit. Want, als dit
klopt dan is die ene Kretenzer een leugenaar en’dan is
zijn/haar uitspraak gelogen. Dan klopt de uitspraak weer
niet en is deze ene Kretenzer weer een eerlijk mens. Een
vicieuze cirkel-redenatie dus, zonder oplossing.
Om hier uit te komen, moeten wij een beroep doen op een
ander deel van onszelf, nl.: ons invoelingsvermogen.
Kunnen wij ons verplaatsen in de gemoedsstemming van
deze Kretenzer? Misschien is hij/zij een paar keer bela-
zerd, misschien heeft hij/zij zich nooit thuis gevoeld
bij zijn/haar soortgenoten, misschien is hij/zij blind
voor zijn/haar eigen oneerlijkheid en/of de eerlijkheid
van de anderen, misschien..... Ja, vele misschiens. Je
komt slechts tot een antwoord als je de persoon en
zijn/haar situatie feitelijk uit eigen waarneming kent.
Het leuke van het rationele gebied is dat je, wanneer een-
maal de probleemstelling geformuleerd en de feiten geanaly-
seerd zijn, je los van de werkelijkheid, op afstand van het
object, met logisch redeneren tot een oplossing kunt komen.
Een denker trekt zich ook terug.
Het leuke van het niet-rationele gebied is dat je andere
delen van je mens-zijn moet mobiliseren om met het rationele
samen tot een oplossing te komen. En dat je in contact met
de werkelijkheid moet blijven. Je voelsprieten moet je blij-
ven uitsteken om tot weten te komen.
Een voorbeeld
Hoe hanteert een manager dat?2) Het volgende betreft een
directeur van een centrale school voor verpleegkundigen en
ziekenverzorgenden, zo'n 850 leerlingen. Tevens verzorgt de

school een aantal nascholings- en bijscholingscursussen Voor
gediplomeerden uit de aangesloten verpleeghuizen en zieken-
huizen.
Voor het moment waarover wij het willen hebben beschrijft
hij de situatie van zijn organisatie en zich zelf als volgt:
"Ik zag de organisatie in deze periode sterk gekenmerkt door
wat ik "sleur" zou willen noemen. De dingen herhalen zich.
De mensen komen met voorstellen die neerkomen op "meer van
hetzelfde"... Dat is vreselijk... Consensus gaat overheersen
en neemt steeds groteskere vormen aan... Er ontstaat sleur,
er is geen echte uitdaging meer... Er wordt niet veel meer
gedaan met de christelijke identiteit van de school... iede-
reen wilde het gewoon houden. Maar zo droog je op... We
leefden in de traditie, ook financieel was alles goed gere-
geld. Er was veel geld, maar je hoefde er niets voor te
doen. En door die sleur kwamen we niet tot creativiteit. Ik
had het gevoel: wat doe ik eigenlijk? En mensen zeiden tegen
me: moet je niet eens weg daar? Ik werd me die sleur bewust,
langzaam."
Dan komt er een impuls van buiten, die hem in beweging
brengt:
"Ik weet 't nog goed, in 1984 op een zonnige zomermiddag,
vlak voor mijn vakantie, kreeg ik bezoek van iemand uit mijn
gezondheidszorgnetwerk, van WVC, om me te vertellen dat het
zogenaamde WVC-leerlingenplan, die de grote vernieuwing zou
veroorzaken, in 1985 van start zou gaan... En hij vroeg mij:
hoe houd ik dat tegen? Maar ik wist direct: dit is niet
tegen te houden... Dat heb ik ook gezegd... Op zo'n moment
voorzie ik dan direct hoe het politiek ligt, hoe dat lopen
gaat... Op zo'n moment gaat bij mij de knop om. Er gaat ook
fysiek iets door mij heen, ik krijg een kick... Creativiteit
vliegt er doorheen. Een uitdaging, uit de sleur!"
Over die impuls zegt hij “niet zo'n vage vraag van Hé, moet
je niet eens iets anders doen, maar een echte klus." Op dat
moment gaat er veel door hem heen. Hij overziet allerlei:
naar zijn medewerkers toe, wie wel en niet mee kunnen, wie
eindelijk klussen kunnen krijgen; hoe hij nu een objectieve
reden krijgt om het interne overleg en de structuur te
veranderen, hoe een nieuwe bestuurs- en overlegstructuur met
de verpleeghuizen en ziekenhuizen nodig is, hoe de relatie
tot deze instellingen zich grondig zal wijzigen, hoe in het
land de discussies op gang zullen komen, waarvoor hij argu-
menten nodig heeft, hoe geld van de overheid vrij zal komen,
hoe dat voor landelijke ondersteuning van dit ingrijpende
proces gebruikt kan worden. Het is geen ets waarin elk
detail uitgewerkt is, maar eerder een houtskoolschets waarin
de plekken aangeduid zijn.
Op dat moment weet hij ook wat hij moet doen. Hij spreekt
daarover als volgt:

vJa, we zijn toch samen nog een hele middag bezig geweest om
het bij wijze van spreken Van der Reyden "uit z'n hoofd" te
praten... Want ik heb er niets aan dat ik weet hoe het af-
loopt: je moet toch het schaakspel spelen. Daarvoor heb ik
een intellectuele exercitie nodig. Je krijgt, in de komende
maanden bergen discussies waar je intellectueel positie moet
kiezen. Je gebruikt het gesprek om in de materie te komen...
Maar in die ontmoetingssituatie ben ik ook direct al beïn-
vloedend bezig geweest. Niet om het tegen te houden maar om
bij voorbeeld de invoeringsdatum te verschuiven."
Vervolgens laat hij het rusten, gaat op vakantie waarin hij
het "nooit kwijt" is. En na de vakantie gaat hij een periode
veel met mensen praten, uit zijn netwerk. Vrijblijvend.
Maar:
"Ik kies die mensen uit, om scherpere contouren aan m'n ge-
dachten te slijpen, om mezelf te dwingen er woorden aan te
geven. Ik daag mensen uit door te zeggen: het gaat zo en zo
lopen. Ze zeggen dan: wat 'n onzin. Ik zoek opponenten die
me dwingen om het in het bewustzijn te krijgen. Ik ben er
wel vol van, maar moet toch aan de intuïties woorden geven.
Dat leidt dan vervolgens tot het maken van aantekeningen op
een kladbloc, tot agendapunten voor het beleidsteam, tot het
oprichten van een projectorganisatie voor de inhoudelijke
uitwerking van de A- en de ZV-opleiding, voorts tot het
voornemen in het beleidsteam om een paar dagen in Zeeland te
gaan werken aan de interne organisatie. En één van de mede-
werkers gaat zich oriënteren hoe het eigenlijk met die in-
terne budgettering loopt. Maar het leidt er ook toe, dat ik
me bij het ministerie ga inzetten, met enkele contacten
daar, voor het reserveren van een geldstroom. Zodat in het
land aan allerlei instellingen die door deze maatregel ge-
troffen worden externe ondersteuning gegeven kan worden.
Want onze school zal wel niet de enige zijn die er last van
heeft...
Vervolgens is het van belang, dat ook de bij ons aangesloten
instellingen zich bewust worden van wat er aan het gebeuren
is. Ik heb daar nadrukkelijk in gestuurd, en wel zo, dat ik
ze ben gaan informeren over wat er in het ministerie ge-
beurt. Ik heb daartoe een deskundige hoge ambtenaar uitgeno-
digd, een paar keer, 2 tot 3 keer in een jaar om tegen de
mensen daar te zeggen dat het echt gaat gebeuren. Ik weet
dat zelf wel, maar ik kan toch niet zeggen: ik gelóóf het.
Iemand met gezag moet het vertellen. En deze ambtenaar over-
drijft ietwat, zodat het werkte. De mensen gingen geschokt
de deur uit, ze voelden dat 't echt ging gebeuren. En daar-
uit ontstond bij de directeuren van deze instellingen een
zodanig commitment, dat ik aan de gang kon met het rondstu-
ren van een startnotitie over de uitgangspunten voor het
vernieuwen van de opleidingen. En met het onderzoek naar de
personele en materiële consequenties van de nieuwe regelin-
gen."

Wat valt op?
Wat kan je nu naar aanleiding van dit voorbeeld over ons
thema zeggen? Hij krijgt kennelijk een beeld over de conse-
quenties van wat er aan het gebeuren is. Hij wordt weer
geïnspireerd. En hij weet intuïtief wat hij moet doen, ter
plekke en voor de komende tijd. Dit doet denken aan het voor
deze wereld beschikbaar hebben van hogere bewustzijnsvermo-
gens, waarover Steiner spreekt.) Maar wat doet hij, wat
verzorgt hij om dit intuïtieve moment te bereiken?
- Het eerste dat opvalt is dat hij thuis is in zijn eigen
organisatie, de mensen bij voorbeeld kent, dat hij thuis
is bij zijn klanten en dat hij thuis is in het macroa-so-
ciale, politieke krachtenveld. Hij zit in allerlei bestu-
ren en commissies, hij heeft overal mensen die hij goed
kent. Dit hanteert hij bewust.
"In dit soort posities moet je altijd naar het maatschap-
pelijke krachtenveld kijken: kranten lezen, radio, actua-
liteiten, geen TV, behalve Den Haag Vandaag en zo. Je moet
een zintuig willen hebben voor het politiek-maatschappe-
lijke. Je kiest bestuurlijke functies ook met het oog op
dat doel: je moet er wat voor over hebben, om het moment
van de "kick" te halen, uit lijfsbehoud. Anders schrik je
je te pletter en kruip je achter de kast. Anders krijg je
ook de juiste intuïties niet."
De karakteristiek is dat hij zich verbindt, zowel op het
macro-sociale, als op het meso-sociale met zijn klanten,
als in het micro-sociale met zijn mensen in zijn organisa-
tie. Hij gaat kijken, vragen, praten. Hij zit zogezegd met
z'n handen in het materiaal, zoals de pottenbakster in het
voorbeeld van Henry Mintzberg in zijn artikel Crafting
Strategy.#) Hij zorgt dat hij het materiaal (micro, meso,
macro) door en door kent.
_ Het tweede dat opvalt is dat hij steeds naar nieuwe oplos-
singen zoekt. Hij wordt geleidelijk aan onrustiger als al-
les z'n gangetje blijft Lopen. Een renteniersgevoel is hem
vreemd. Ook in de maanden van de nieuwe chaos blijft hij
zoeken, naar argumenten, naar wegen en vormen.
Een ander aspect dat opvalt is dat hij actief blijft vol-
houden. In de "sleur"-periode door niet het advies te vol-
gen van “zou je niet eens iets anders gaan doen!" Hij
blijft en loopt zo tegen z'n eigen grenzen en die van de
organisatie op. Maar ook in de beweging van het nieuwe,
houdt hij vol, ondanks de reacties die hij krijgt van "wat
een onzin". Hij laat zich niet ontmoedigen of meeslepen
door woede of te groot enthousiasme.
- In dit alles blijft hij ontvankelijk voor verrassingen,
ingevingen, nieuwe misschien vreemde zaken. Hij neemt
daarbij alles serieus op.

EEN
Wat doen om intuïties te krijgen?
Uit dit voorbeeld is een aantal vermogens te halen die nodig
zijn om intuïties te krijgen. Descartes, de grondlegger van
het rationalisme, ging uit van de "twijfel aan de zintuigen
en inhouden van het bewustzijn". Maar hier is het:
_ een eerste vereiste dat je openheid en geïnteresseerd
heid ontwikkelt voor inhouden van het bewustzijn (inner-
lijk dus) en voor wat de zintuigen opleveren (dus van bui-
ten). Uit het voorbeeld van de directeur blijkt een ver-
trouwen op wat hij zelf waarneemt en op wat in hem op-
komt. Een voorbeeld voor ons als volwassenen is het jonge
kind. Daar kunnen wij zien wat hier bedoeld wordt: ont-
vankelijk zijn.
- een tweede dat je je verbindt met situaties, mensen en
zaken waarom het gaat. Erop afgaan en meebewegen met wat
op je afkomt, met wat buiten je gebeurt. Hetzelfde kan ook
gezegd worden t.a.v. innerlijke processen. Wanneer je je
bewustzijn wilt scholen om intuïties te krijgen moet je
zorgen dat je je zaakjes door en door kent.
- het is ook nodig dat je een zoekhouding hebt, waarbij je
met vragen leeft. Elk antwoord is een startblok voor een
nieuwe vraag. De directeur uit het voorbeeld laat het niet
bij zijn intuïtie. Hij zoekt mensen op die hem dwingen het
onder woorden te brengen, dat tegelijk een onderzoekspro-
ces is voor hem. Wat kom ik allemaal tegen, welke nieuwe
verrassingen zal dit mij opleveren.
— een volhouden dat een zoeken naar nieuwe mogelijkheden
is, een vierde vermogen van de mens. Niet het uitzitten
van een ondraaglijk lijden, maar actief blijven. Volhou-
den, ondanks het ontmoeten van je eigen en andermans gren-
zen. Telkens opnieuw proberen.
—- vele facetten in een overzicht kunnen zien. Dit noemen
wij: een beeld kunnen vormen van een geheel.
— consequenties in de toekomst kunnen zien. Concrete voor-
stellingen kunnen maken over die toekomst, of met andere
woorden scenario's kunnen maken.
Wat doen om rationeel te denken?
Het is zo volstrekt vanzelfsprekend in onze cultuur dat wij
rationeel denken, dat het gek is om deze vraag te stellen.
En toch: het gaat om beide. Ratio en intuïtie horen bij el-
kaar. Ze lijken verbonden met de linker- en rechter hersen-
helft. In ieder geval zijn het twee potentiële vermogens van
ieder mens.
AA

De directeur uit ons voorbeeld weet dat hij het intellectue-
le of rationele nodig heeft en zoekt daarvoor zijn mensen
uit. Deze mensen zeggen niet direct ja en amen tegen wat hij
te berde brengt. "Wat een onzin!“ roepen zij en dat zoekt
hij. Twijfel dus, ongeinteresseerdheid en niet bereid het zo
maar op te nemen. Hij zoekt opposanten.
Wil je tot rationeel denken komen, moet je de volgende ver-
mogens ontwikkelen:
- op een afstand kunnen beschouwen, je losmaken uit je ver-
binding, van je ervaring en van je directe beleving: emo-
ties en gevoelens;
- wat je ziet, denkt, enz. niet zo maar Voor lief nemen.
Kunnen betwijfelen, een vraag stellen die begint met "Ja,
maar...'';
… een kluwen uiteen kunnen rafelen, in partjes leggen;
- en stap voor stap kunnen denken, een gedachtengang kunnen
vasthouden;
— en vertrouwen in deze logica, die je automatisch tot op-
lossingen of conclusies voert.
Intuïties
Wij hebben een aantal voorbeelden verzameld waarin mensen
zeggen intuïties gekregen te hebben. Daaruit bleek ons het
volgende:
het moment van intuïtie komt altijd na een periode van
worstelen met materie, mensen, zaken, situaties;
het moment zelf heeft iets van een inslag, alsof de intuï-
tie gekregen wordt;
‚ deze intuïtie heeft met iets nieuws te maken, in het be-
wustzijn of in het handelen en zeker v.w.b. de consequen-
ties in de toekomst;
het is verbonden met het handelen, het vraagt om actie te
ondernemen;
‚ als het niet aanvaard wordt als een reëel gebeuren of niet
begeleid wordt met de ratio vervluchtigt het zeer snel;
. als onze rationele kant teveel heerst is er geen ademruim-
te waarin intuïties kunnen binnenkomen. Je intellectuele
denken kunnen loslaten is een voorwaarde. Daarvoor zijn
vele wegen en oefeningen, zie o.a. het artikel van Hannie
Nathans”) en de bewustzijnsontwikkeling waarover Rudolf
Steiner het heeft.)
. mensen die het vermogen tot intuïties krijgen hebben ont-
wikkeld, doen meestal naast hun werk geheel andere zaken,
zoals Winsemius: schrijven; schilderen en met lopen zijn
lichaam in conditie houden. Het is een veelzijdigheid ver-
zorgen, waarin geheel verschillende kanten van het mens-
zijn ontwikkeld worden.

Deze veelzijdigheid is van wezenlijk belang. Zowel het rati-
onele als het niet-rationele gebied moeten wij in ons zelf
ontwikkelen om intuïties bewust te kunnen krijgen en hante-
ren. Eén van de middelen om je (zoals Winsemius dat zegt)
lop te rekken" tot intuïties, willen wij hier noemen. Dat is
het leven met beelden. Beelden kunnen je helpen “door de
buitenkant van het alleen verstandelijke, rationele" te
komen.6) Het is dan wel nodig dat je de taal van beelden
leert en dat je die beelden kiest die jou aanspreken. Ze
verwijzen naar een ander gebied dan het puur rationele. In
plaats van wiskundig bezig zijn, bij voorbeeld, vraagt het
van je om thuis te raken in poëzie. Lukt dit de, dan kom je
met een bron van het leven in aanraking. En intuïties hebben
daarmee veel te maken. Daarvoor moet je je soms losmaken uit
het voortdenderen van je bestaan.
De Saint-Exupéry heeft dit in De kleine prins’) als volgt
verwoord:
- De mensen, zei de kleine prins, kruipen in sneltreinen,
maar ze weten niet meer wat ze zoeken. Ze maken zich druk
en draaien in een kring rond. '
En hij voegde er aan toe:
- 't Is de moeite niet waard...
De put die we bereikt hadden leek niets op 'n woestijnput.
De putten in de Sahara zijn gewoon in 't zand gegraven
gaten. Maar deze leek op 'n dorpsput. Alleen was er nergens
In dorp in de buurt en ik dacht dat ik droomde.
_ 't Is vreemd, zei ik tegen 't prinsje, alles is in orde:
de katrol, de emmer, 't touw...
Hij lachte, bevoelde het touw en liet de katrol draaien. En
die piepte als 'n oude windwijzer wanneer er lang geen wind
geweest is.
< Hoor je 't, zei de kleine prins, wij wekken de put en hij
zingt...
Ik wilde niet dat hij zich inspande:
- Laat 't mij maar doen, zei ik, het is te zwaar voor jou.
Langzaam hees ik de emmer tot aan de putrand en zette hem
daar stevig neer. In m'n oren klonk nog 't geluid van de
katrol en in 't trillende water zag ik de zon trillen.
_ Ik heb trek in dat water, zei de kleine prins, geef me te
drinken...
Toen begreep ik wat hij gezocht had. Ik bracht de emmer aan
zijn lippen. Hij dronk met gesloten ogen. Het was als 'n
feest. Dit water was heel wat meer dan voedsel. Het sproot
voort uit onze tocht onder de sterren, uit 't geluid van de
katrol en de inspanning van mijn armen. Dit water deed het
hart goed, als 'n geschenk.

Literatuur
1
Peter Dieleman:
‚J.C.M. van Koolwijk,
F
K. Locher:
Rudolf Steiner:
Henry Mintzberg:
Hannie Nathans:
Bert Voorhoeve:
Antoine de Saint-
Exupêéry:
COPYRIGHT NPI
Een logisch gevolg van alle ver-
snellingen, maar hoe beheers je
het? Een interview met dr. P.
Winsemius, Bedrijfskundige Be-
richten, 1988/89.
Hoe brengt een manager een ver-
nieuwingsproces op gang?, een in-
terview. NPI-bulletin 13-1989
De trappen van het hogere bewust-
zijn; imaginatie-inspiratie-in-
tuïtie, Vrij Geestesleven, 1982
Crafting Strategy, Harvard-
Business Review, 1977
Intuïtie is te leren, Opleiding
en Ontwikkeling, 1989-5
Beelden als een inspiratiebron,
een werkboek, Christofoor, 1988
De kleine prins, Donker N.V.,
1951