← Back to catalogue

Ways to learn

Author:
Hans von Sassen
Original title:
Leerwegen
Type:
Syllabus
Language:
Dutch
Year:
1983
Pages:
5
Subject:
The way of instruction- to introduce, to offer, to instruct before digesting, to instruct before using, to use, to finish- The way of discovery- to introduce, to handle/to observe, to ask, to explore, to collect and to order, to look at, to tie on
NPI reference no.:
5684.838

&
INSTITUUT VOOR ORGANISATIE ONTWIKKELING
Valckenboschlaan 8 - Postbus 299 - 3700 AG Zeist - Holland - Tel. (03404) 20044
5684.838
HS/LG
LEERWEGEN
Enkele kenmerken van de instructieweg en de ontdekkingsweg
in een schema samengevat.
INSTRUCTIEWEG
De inhoud (leerstof) is gegeven, het te bereiken doel is,
dat deze inhoud als zodanig, tot eigendom van de lerenden
wordt. De leerweg (leergang) is een afgeleide van het daar-
toe nodige leerproces, dat in drie fasen te beschrijven is:
opnemen — (innerlijk) verwerken — eigendom worden (inslij-
pen, e.d.). In verband daarmee zijn de drie hoofdfasen van
de instructie-weg: aanbieden -— verwerken (als leeractiviteit)
— toepassen. Een "volledige" instructieweg kan als volgt
(kort) beschreven worden:
Ì. Inleiden
De opleider/docent maakt het doel bekend, bespreekt plaats,
aanleiding, nut, e.d. van dit onderwerp (voorbereiding en
motivatie).
2. AANBIEDEN
De docent biedt een bepaalde (meer algemene) inhoud (in-
formatie, begrippen, gedachten (voor-)beelden, e.d.) aan.
De lerenden luisteren, lezen, kijken.
3. Instrueren voor de verwerking
De docent (instructeur) geeft aan hoe de verwerking plaats-
vindt (individueel of in groepen, aan de hand van gegeven
vragen, enz.).
4. VERWERKEN
rijpe LE
De lerenden krijgen gelegenheid het aangebodene "met zich
zelf te verbinden", d.m.v. bekijken, nalezen, nadenken,
vragen stellen, bespreken, vergelijken, in verband brengen
met andere kennis, enz.
Dit gebeurt al of niet met begeleiding van de docent.

5. Instrueren voor de toepassing
De docent geeft aan, welke opgaven, oefeningen, enz. te
maken zijn en de wijze van werken.
6. TOEPASSEN
De lerenden werken, oefenen nu aan bepaalde opgaven of
werkstukken, waarin de gegeven begrippen, enz. in speci-
fieke gevallen worden toegepast en zo (geleidelijk) tot
vanzelfsprekende kennis of vaardigheid worden.
7. Afsluiten
De leeractiviteiten kunnen worden afgesloten door de be-
reikte resultaten te toetsen. Gezien de aard van het op-
leidingdoel bij instructie, zouden alle deelnemers in
principe hetzelfde leerresultaat moeten hebben, namelijk
het bezit van de aangereikte kennis of vaardigheid.
De belangrijkste kenmerken van de instructieweg zijn:
— Een algemene, reeds nauwkeurig bekende en begrensde kennis
of vaardigheid in de cultuur wordt a.h.w. verdicht tot een
vermogen in ieder individu afzonderlijk. Instructie betekent
eigenlijk "inbouwen", vandaar de naam instructie-weg.
— De docent beschikt reeds over deze kennis en overziet ver-
banden met aangrenzende kennisgebieden; hij wordt daarom
door de lerenden in principe als autoriteit aanvaard van
wie men de betreffende kennis wil overnemen.
— Instructie is een proces met een in principe gesloten doel-
stelling, dat daarom in hoofdzaak voorspelbaar is en ook te
plannen (aangenomen dat de beginsituatie van de lerenden
bekend is). Het is een reis waarvan de bestemming vastligt
en waarheen de meest efficiente route gekozen wordt.
— De opleider/instructeur heeft aan het begin van de instruc-
tieweg een actieve rol, terwijl de lerenden afwachten; in
het vervolg treedt hij steeds meer terug om gelegenheid
te geven voor de activiteit van de lerenden.
-— In elke fase van de weg zijn verschillende leervormen moge-
lijk; bij de aanbieding kan men spreken van aanbiedings-
vormen (b.v. doceren, laten zien, voordoen), bij het ver-
werken van gespreksvormen (bij individuele verwerking vindt
er een gesprek van de lerenden met zich zelf plaats), bij
de toepassing van werkvormen.

ONTDEKKINGSWEG
Deze weg begint, als wij iets in de werkelijkheid waarnemen,
waarvan we de samenhangen (nog) niet kennen of begrijpen.
Het "daarachter komen" is een leerproces, dat eveneens in
drie stappen te beschrijven is: ervaren — ontdekken -— in-
zien. Dit leerproces voltrekt zich in het leven min of meer
vanzelf. Willen we dit op een meer actieve en systematische
wijze in een opleiding laten plaatsvinden, dan kiezen we
de ontdekkingsweg. De drie hoofdfasen kunnen genoemd worden:
handelen/waarnemen — (onder-)zoeken — (na-)beschouwen.
Een "volledige" ontdekkingsweg kan als volgt beschreven wor-
den. Daarbij wordt verondersteld, dat de opleider het initia-
tief neemt en de voortgang bewaakt. Deze rol kan echter ook
door de lerenden zelf worden vervuld.
l. Inleiden (zich voornemen)
De opleider/begleider spreekt over de bedoeling van de te
ondernemen activiteit, b.v.: onbekend gebied verkennen,
namelijk....... meer inzicht verwerven in......., een aan-—
tal wetmatigheden ontdekken......., enz.
Waartoe, waarom op deze wijze, e.d.
(orientatie en motivatie)
2. HANDELEN/WAARNEMEN
De opleider zorgt voor (biedt aan, schept) een concrete
situatie, waarin de lerenden al doende (proberen, obser-
veren, enz.) iets kunnen ervaren. Verschijnselen, gebeurte-
nissen, e.d. vormen het "ervaringsmateriaal".
3. Vragen
De ervaring roept vragen (problemen) op of deze worden door
de opleider ingebracht, om gerichter te kunnen zoeken.
Een vraag n.a.v. een ervaring betekent een uitdaging.
4, ONDERZOEKEN "groeien"
urrjpe u
De lerenden bewerken de problemen door veronderstellen,
toetsen, discussieren, enz. al of niet met hulp van de
opleider. Daarbij kunnen zij geleidelijk of sprongsgewijze
iets ontdekken.

5. Verzamelen en ordenen
van vondsten, (voorlopige) conclusies.
6. BESCHOUWEN
De lerenden bezien het gevondene o.l.v. de opleider. Zij
maken zich los van het bijzondere geval, evalueren, gene-
realiseren om zich de essentie, de draagwijdte, e.d. van
het nieuwe inzicht bewust te worden en dit te verdiepen.
7. Vastleggen
van nieuwe inzichten. De neerslag van het verworven inzicht
krijgt zo weer de vorm van kennis, die meegenomen of door-
gegeven kan worden.
De belangrijkste kenmerken van de ontdekkingsweg zijn:
— een éénmalige situatiegebonden ervaring wordt verwijd tot
een algemeen inzicht, dat licht kan werpen op vele andere
gebeurtenissen;
— de ontdekkingsweg loopt van doen naar denken (de instruc-
tieweg van denken naar doen);
— het einddoel van de ontdekkingsweg is meer “open, er kan
iets uitkomen, dat ook voor de opleider geheel nieuw is.
De weg is daarom minder voorspelbaar en exact te plannen,
houdt daarom een risico in — leidt echter, als het enigs-
zins lukt, tot veel groter bevrediging van opleider en deel-
nemers. Het is een reis, waarvan de route voor een belang-
rijk deel bepaald wordt door wat men onderweg tegenkomt;
- de "autoriteit" ligt meer bij de feiten, die ervaren worden,
dan bij de opleider: deze komt daardoor in de begeleidende
rol:
— in het begin van de ontdekkingsweg houdt de opleider zich
het meest terug, om vervolgens steeds meer deel te nemen.
De ontdekkingsweg is dus in vele opzichten het omgekeerde
van de instructieweg.
De bovenstaande beschrijving van de leerwegen roept een aan
tal vragen op, zoals:
— wat is het verband tussen opleidingsdoelen en niveaus van
leren en (keuze van) de leerweg?
— welke typische moeilijkheden kom je bij de instructieweg,
respectievelijk de ontdekkingsweg tegen en wat is in dat
opzicht te verwachten in elk van de fasen van de leerweg?
— hoe reageren deelnemers op de beide wegen (waardering,
weerstand) en wat kan de opleider doen om de motivatie zo

ui
.
gunstig mogelijk te beïnvloeden?
— op grond van welke kriteria kies je de instructie- of de
ontdekkingsweg?
- in welke gevallen is het raadzaam de volledige weg te door-
lopen en wanneer kan men met delen ervan volstaan?
Deze en dergelijke vragen komen, zoveel als gewenst en mogelijk
is, tijdens de leergang aan de orde. :
COPYRIGHT NPI