8855. 924
KL/LG
IK EN MIJN WERK
LEVENSFASEN IN HET WERK
Het werk
Bij 16 is de leerplicht voorbij en bij 65 de plicht tot werken. En
daarmee is ongeveer de periode in ons leven afgebakend waarin het werk
een dominerende rol speelt, voor de een een last, voor een ander haar
lust en leven, Werk wordt gekoppeld aan inkomen en zonder dat kunnen
wij niet leven of minder doen dan wij willen. Werk geeft ook een maat-
schappelijke status. Werklozen weten daarvan mee te praten. Het geeft
ons leven ook een zin. Wij doen iets dat anderen nuttig vinden en het
geeft ons de mogelijkheid om onszelf te verwerkelijken. Maar welke zin
het heeft of hoe belangrijk het voor ons is hangt van vele factoren
af. De betekenis van het werk voor ons verandert met de verschillende
" levensfasen. Kinderen, rond hun 16e jaar, doen allerlei klussen, als:
kranten bezorgen, sorteren en inpakken op een secretariaat, op zondag
eten rond brengen in een bejaardenoord, de bloemist op de markt van
zaterdag helpen, babysitten, tuinieren, enz. Het moet redelijk beta-
len, niet teveel tijd en energie vragen en een tijdje leuk zijn om te
doen. Het is een speelse manier om de maatschappij te leren kennen.
Wordt het te serieus of de baas te lastig dan gaan ze weer.
Collega's rond hun 65e houden niet op met werken. Ze concentreren zich
meer op wat voor hen belangrijk is of leuk om te doen. De druk van het
moeten verdienen is weggevallen of minder geworden. Zo ook de eisen
van het behoren tot een werkgemeenschap. Het geeft hun vrijheid, een
grotere ontspanning en creativiteit. Vaak doen ze klussen voor organi=
saties, in Nederland, Europa of de derde wereld, die minder kunnen be-
talen. Ze genieten en hebben het drukker dan ooit.
Het zijn beelden rond de grenzen van de ‘verplichte! werkperiode in
ons leven. Grenzen die voortdurend onder druk staan. Eerst werd de VUT
ingevoerd, nu weer afgeschaft. Ook zijn er gedachten om de pensioen-
datum naar later te verschuiven. Met de vergrijzing van onze maat-
schappij lijkt dit niet te vermijden. Anderen willen het uit een ver-
langen om te kunnen blijven werken zolang we fut hebben. En met werken
blijven wij fit. Aan de WAO wordt vanuit maatschappelijke financiële
draagkracht geknabbeld. Dit kun je verschillend beoordelen, maar van-
uit het gezichtspunt dat werken je ook gezond houd, is het misschien
zo slecht nog niet.
'Als je niet werkt ervaar je ook de stof van het bestaan niet,
hoe zou je dan ooit op een gedachte kunnen komen?!
Andrej Platonov
Ook de begingrens van de werkperiode staat onder druk. De 'schooltijd!
in het duale onderwijs, waarin werken en leren samengaan, wordt steeds
verlengd. Want het belang van scholing is onbetwist. 'Leer, leer en
leer! ' — stond in 1989 in roze rode letters op een geelwitgekalkte
schoolmuur in Chabarovsk (Oost Siberië), met dat markante profiel van
Lenin ernaast. Kin omhoog, neus pinnig vooruit, felle blik. Ook in
roze-rood. En hij was en is de enige niet. ‘Education permanente! —
echo't het na uit de jaren '70.
Levensfasen
De wetmatigheid van onze levensfasen. Hoe ziet die eruit? In de
Chinese oudheid sprak men over 'leren, vechten en wijs worden'. De
hindu's in die tijd onderscheidden de stadia van 'student, heer des
huizes, pelgrim en annyasin', waarin in het tweede stadium de maat-
schappelijke verantwoordelijkheid centraal stond, in het derde de mens
zich terug kon trekken om zichzelf en de ware zin van het leven te
zoeken. Als annyasin, vrouw of man, had de mens geen haat of liefde
meer, leefde met het eeuwige Zelf en had geen bezit. Ook de Grieken en
Romeinen hadden hun opvatting over de levensfasen. En deze eeuw pakt
in Europa Charlotte Bühler het weer op, waar Bernard Lievegoed naar
verwijst (en naar Rudolf Steiner, Martha Moers en Romano Guardini).
Een leerlinge van Charlotte Bühler, Else Frenkel-Brunswijk en Erik
Erikson vertrokken voor de 2e WO uit Europa naar de Verenigde Staten
en stimuleerden daar het onderzoek naar de levensfasen (zie ook
Levinson, Selles, Sheehy, Washbourn). De Europese en Amerikaanse ont-
wikkeling loopt dan parallel en tamelijk onafhankelijk. Vanaf de jaren
70 groeit het aantal publicaties over de levensloop van de mens en
haar 'midlife crisis' aan weerszijde van de Atlantische oceaan en
wordt het onderzoek naar de eigen biografie een niet meer weg te den-
ken onderdeel van loopbaan-adviezen. Hoe heb je geleefd, wat gedaan,
hoe gekozen? In welke werksituaties ben je geweest? Welke ervaringen,
vaardigheden en kennis heb je opgedaan? Wat zijn je sterke en zwakke
kanten? Wat zou je naar de toekomst willen, met je werk en je leven?
Een individuele benadering tegen de achtergrond van karakteristieke
fasen en hun overgangen, die ook crises genoemd worden. Crises, als
bedreiging en kans. Leven met crises en tussen de twee grote overgan=
gen van sterven en geboren worden.
Elk mens is geboren en sterft, om maar een wetmatigheid te noemen.
Zijn levensboog kan een korte of lange zijn. Haar levenspad vol door-
nen, grazige weiden of langs spannende kloven en over uitdagende top-
pen. Maar ieder van ons komt hier op aarde en zoekt zijn plek en posi-
tie. Leeft min of meer haar verlangens uit en krimpt weer ineen tot
haar verdwijnpunt, wanneer de weg niet eerder wordt afgebroken.
Als het hoofd uit de schede komt zie je een verschrompeld gezicht,
voorbode van hoe zij er later als oud besje zal uitzien. Maar dit ver-
dwijnt snel en de eerste dagen is haar gezicht met een glans omgeven,
gaaf en mooi. Ook dat verdwijnt en daar ligt zij dan, wat aardser zo
gezegd en begint te reageren op haar omgeving, voor zover zij niet
slaapt. Want grote delen van de dag is zij nog niet hier.
Later is dat omgekeerd. Als zij vol actief in het leven staat, kan zij
perioden lang een minimum aan slaapuren verdragen. Dan als oude vrouw
zit zij bij het raam of de kachel en mijmert wat. Het ene moment is
zij volop aanwezig, je kan niet om haar heen. Zij heeft zo haar mening
of haar klacht, regelt nog dit en dat. Maar steeds vaker verlies je
contact. Ze leeft in haar eigen wereld. Een enkele keer zie je haar
dodemasker al. En als het zover is kan het voorkomen, dat zij er
vredig bij ligt. Het is mogelijk dat je de glans van het begin ziet.
Maar wie weet dat nog? Zij allen zijn haar voorgegaan. En de glans
verdwijnt ook weer.
Ja, dat maken wij allemaal mee: groeien, bloeien en verleppen. Net als
bomen en planten. En de grootste lichamelijke vitaliteit hebben wij
tussen de twintig en de veertig. Wij reizen, we ondernemen, organise-
ren en scheppen. Presteren, daar gaat het om. Wij worden erom verhan-
deld, zie de voetbalprofs. We worden erom gebruikt, zie de planned
career systems voor managers, enz., enz. Wij zoeken het ook zelf:
baan, partner, kinderen, huis en tuin tot zelfs een tweede woning, of
dat nu een tent of een vakantie-optrekje is, een boot of een caravan.
Die vitaliteit brengt ons tot daden, tot de man met de hamer komt.
Voor de een is dat bij veertig, voor de ander bij vijftig. De man
„slaat hard, slaat zacht, maar wij leren onze grenzen kennen: 'doe het
eens wat rustiger aan' schreeuwen hart, rug, maag en darmen, of
hoofd. ‘Zachtjes alsjeblieft', blijf liggen', 'laat los', 'leef ver-
standig'! Wij hebben de grens van onze vitaliteit bereikt, hebben ons
lichaam veronachtzaamd. Is dat het begin van het einde? Wanneer geven
wij toe?
Er zijn mensen die dat vanaf hun 50ste doen. Ze bieden geen weerstand
en het lijkt alsof ze zitten te wachten op het einde. Maar als je
ergens op wacht dan duurt het verschrikkelijk lang voor het komt. Het
leven wordt minder leuk. Kwaaltjes worden klachten en tot klagerig-
heid. Anderen zijn tot ver in de 70, 80, zelfs 90 zeer actief. Ze hou-
den met hun afnemende lichamelijke vitaliteit rekening, maar lijken
geestelijk vol energie. Leveren misschien dan hun topprestatie, daar
zijn vele voorbeelden van. Ze zien er vaak jong uit, alsof ze rijper
en jonger worden.
‘Mit der Reife
wird mann immer jünger'
Herman Hesse
Maar waar haalt de mens die geestelijke veerkracht vandaan? Is dat op-
voeding? Zo kan je kijken. Dan is het geheel of gedeeltelijk ontbreken
van de geestelijke veerkracht aan het eind van zijn leven een gevolg
van een tekort in de opvoeding en vorming vanuit zijn gezin, de
school, de organisaties waarin hij werkte en vanuit de maatschappij.
De mens is een kind van zijn tijd en wordt gevormd door de geest die
dan heerst. Zoals nu: bezuiniging, afbraak van de verzorging van de
wieg tot het graf, stimulering van initiatief, ondernemingsgeest en
commercie. De mens wordt gevormd door de organisatie waar hij werkt,
door zijn beroep, de school waarop hij zat en door het gezin waaruit
hij voortkomt. En als daarin het fysieke en materiële aspect van het
leven overgeaccentueerd wordt is er een grotere kans op aftakeling aan
het eind van zijn leven.
4,
Het is dus belangrijk om de juiste condities aan te brengen, opdat de
geest zijn veerkracht behoudt. Maar er zijn ook voorbeelden van mensen
die in slechte condities overeind blijven en groeien. Hoe de mens in-
nerlijk op de van buiten aangelegde condities reageert is uiterst in-
dividueel en verschillend. De een past zich aan, de ander protesteert
en gaat weg, een derde zoekt haar eigen weg. Zij kiest en blijft zich-
zelf. Dat wijst op een zelfstandige kern in de mens. Deze geestelijke
kern van de mens heeft de mogelijkheid zich zelfstandig te ontwikke-
len, juist aan de handicaps van het lichaam en aan de weerstanden die
zij in de omgeving ontmoet. Zo kijken wij.
Hoe schrijft die kern haar levensloop? Met welke krachten naast opvoe
ding, vorming en lichamelijke vitaliteit heeft zij gedurende haar
leven te maken? We zijn allemaal kind, tiener, 20, 30, enz. geweest .
Wat zijn de karakteristieke kenmerken van die fasen en wat betekent
dat voor de werksituatie?
Levensfasen en werk
Lievegoed onderkent drie fasen in de ontwikkeling van de mens waarin
telkens de ontwikkeling van een ander aspect van zijn persoonlijkheid
op de voorgrond staat. Achtereenvolgens:
— de ontwikkeling van het lichaam;
- de psychologische ontwikkeling;
— de ontwikkeling van geestkracht.
Levensfasen zijn niet matematisch te scheiden. Bovenstaande ontwikke-
lingen ook niet. Normaal zakt wat in een bepaalde fase op de voorgrond
van het bewustzijn stond in de daaropvolgende fasen weg in het droom-
en slaapbewustzijn. Met oefening is dit terug te krijgen in het wak-
kere bewustzijn.
En elk mens heeft zijn eigen gang door deze levenswetmatigheden heen.
In het afwijkende ligt het unieke van het individuele lot.
Er is veel geschreven over levensfasen, zie de literatuurlijst achter-
in dit boek. Wij bepalen ons hier tot enkele aanduidingen. Wij volgen
bij de indeling van fasen het normale spraakgebruik, waarin mensen
praten over de 20-er, 50-er, enz. Bij elke fase geven wij voor ons
focus ‘het werkleven! eerst een algemene karakteristiek van de levens-
fase.
De twintiger En
De twintiger stapt het volle leven binnen, vaak met een positieve ge-
stemdheid. Het leven ligt immers nog vóór hem. Het is spannend en
avontuurlijk. Hij staat er open tegenover. Bovendien heeft hij nog
weinig zelfkennis. Daarom gaat het nu vooral in deze periode: zelfken-
nis opdoen, je eigen grenzen en mogelijkheden verkennen, ontdekken wat
bij je hoort en wat niet. Door dit te doen bouwt de jonge mens inner-
lijke zekerheid op, die in tegenstelling staat tot uiterlijke zekerhe-
den als gegarandeerd inkomen, sociale zekerheid, enz.
Als oudere kun je soms met verbazing kijken naar wat ze aandurven.
Maar als je zelf terugkijkt merk je dat je zelf ook dit soort 'roeke-
loze! avonturen bent aangegaan zonder van het gevaar bewust te zijn.
Bij dit alles wordt de jonge mens overwegend gestuurd door de (nog on-
bewuste) wil. 'Je gaat waarheen je benen je brengen'. Er is nog geen
vast uitgestippelde koers. 'Ik zie wel! is zijn favoriete uitdruk-
king. Hij wordt snel enthousiast voor bepaalde (nieuwe) denkbeelden.
Het op ervaring gebaseerd oordeelsvermogen is nog dun. Daarom is deze
leeftijdsgroep, evenals de tieners, een makkelijke prooi voor dictato-
riale regimes, groeperingen van terroristen, sekten, e.d.
Het werk is één van de mogelijkheden waarin je jezelf kunt uitprobe-
ren, naast verenigingen, clubs, vrienden, reizen, enz. Het werk heeft
dikwijls nog een voorlopig karakter. De jonge mens wil nog geen vaste
verbinding. Indien mogelijk zoekt hij verandering, niet te lang het-
zelfde. Uitzendbureaus bieden hem hiertoe een ideale mogelijkheid.
“Bovendien wil hij in deze fase nog op korte termijn resultaten zien
van het werk. Hij is nog niet in staat iets te beginnen waarvan pas
over 1 à 2 jaar het produkt zichtbaar wordt. Dan loopt de motivatie
terug. Hij heeft nog sterke behoefte aan positieve contacten met ande-
ren in het werk die hem zien zitten. Hij is nog geen solist. De ande-
ren moeten duidelijk maken wie hij is.
De dertiger
In de overgang van twintig naar dertig hebben de meeste mensen hun
eerste levensevaluatie. Een lange studie kan het wat uitstellen, maar
de jonge mens kent nu zo'n beetje zijn grenzen en mogelijkheden en wil
die nu gaan benutten. Guardini noemt deze overgang de ‘crisis der er-
varing'. Het beweeglijke van de 20-er verdwijnt, maar de vitaliteit en
snelheid blijft.
Naast de wil gaat nu ook het verstand een sturende rol spelen in het
leven. Het denken wordt zakelijk en nuchter. De dertiger denkt het
leven rationeel te kunnen beheersen, hij pakt de dingen planmatig aan,
of dit nu thuis, in de hobbysfeer of op het werk is. Er wordt veel
aangepakt en goed in elkaar passend georganiseerd. Daarover is hij
voortdurend in gesprekken met anderen bezig.
In het beleven komt een element van serieusheid: 'ik ben al 30, mijn
jeugd zit erop, de ernst des levens is begonnen'. En halverwege de 350
kan het besef komen van het uiteindelijke einde van het eigen leven.
Nog niet langdurig aanwezig, meer even kortstondig aanwezig. De derti-
ger gaat zich sterker binden aan het werk, partner, woonplaats, vere-
nigingen of andere maatschappelijke verantwoordelijkheden. Naast dit
voldoen aan de verwachtingen 'van buiten! is de opgave vande dertiger
de verinnerlijking. Na de verkenningsfase van de 20-er, die in de
breedte plaatsvindt, zoekt hij nu de verdieping. Toch is menig mens in
de 30 ook in de meest materialistische fase van zijn leven. Luister
maar eens waarover ze praten op recepties: huizen, auto's, boten,
hypotheek, enz.
Voor velen wordt het werk nu de plek waarin zij zich willen ontwikke-
len, zowel in innerlijke zin (zich als mens kunnen ontplooien) als in
6.
uiterlijke (carrière-)zin. Wij denken aan de uitspraak van 'Loesje':
‘Hebt u ook al fulltime werk en een parttime relatie?! Je werk is je
leven.
De dertiger is in staat een breed veld te overzien en om verantwoorde-
lijkheid te dragen die verder reikt dan alleen de uitvoering van het
eigen werk. Ook op langere termijn kan hij nu zaken aan. Hij kan ook
veel tegelijk aan. Meestal houdt ze ervan om aangesproken te worden op
verstandelijke capaciteiten: doelen stellen, plannen, organiseren,
systemen opzetten, prioriteiten afwegen, enz.
De mens rond 55 is in de ideale levensfase voor vele organisaties:
krachtig, helder, ordelijk, zakelijk, vitaal, enz., enz. Althans in
onze huidige cultuur.
De veertiger
Rond het 40e levensjaar gaan veel mensen zichzelf existentiële vragen
stellen. Het begint vaak met vage gevoelens van onrust en ontevreden-
heid en soms met een voor de persoon zelf volslagen raadselachtig ge-
voel van onzekerheid. Het is alsof al hetgeen hij tot nog toe in het
leven de moeite waard had gevonden glans gaat verliezen. Daar komt nog
bij, dat hij zich soms met schrik realiseert dat de helft van het
leven erop zit. Terugkijkend op het tot nu toe geleefde leven rijst de
vraag of dat nu 'alles' is wat het leven te bieden heeft. Het oude
waardensysteem blijkt niet meer volledig te voldoen, de veertiger
zoekt een andere oriëntatie. Sommigen hebben het gevoel, dat ze heel
snel een aantal zaken in de buitenwereld moeten veranderen om de boot
niet te missen in het leven. Zij veranderen van baan, breken hun huwe-
lijk af en willen een nieuwe start maken. Meestal is dat een illusie:
ook in de nieuwe relatie en de nieuwe baan komt men zichzelf weer
tegen. Wat gevraagd wordt is veelal een innerlijke heroriëntatie.
Eerder 'de dingen anders doen! dan andere dingen doen. De belang-
rijkste opgave voor de veertiger is het afscheid nemen van zijn expan-
sieve fase van 20 tot 40, waarin hij voor de opgave stond om zijn
plaats te vinden in de wereld. Al het streven was daarop gericht. Rond
de 40 is die plaats bereikt en rijst de vraag 'wat nu?', Is datgene
wat er nu nog komt in het leven alleen maar herhaling? ‘Misschien nog
één à twee promoties en wat dan?
In plaats van het streven naar verdergaande macht, gelding, erkenning,
of gehoord willen worden, of met andere woorden egocentriciteit - is
de nieuwe innerlijke opgave het ontwikkelen van de terughouding om
anderen ruimte te geven, en het beschikbaar te zijn voor het moment
dat die anderen, vaak jongeren dat nodig hebben.
De expansieve toer zal de eerste jaren nog wel volgehouden kunnen wor-
den, maar naarmate de 50 nadert zal dit krampachtiger worden en bij de
buitenwereld spot, medelijden of irritatie oproepen.
Deze strijd waarbij het oude niet meer voldoet en het nieuwe nog niet
gevonden is kenmerkt deze levensfase. Deze jaren worden vaak als een
belangrijke overgangsfase gezien, die in hevigheid te vergelijken is
met de puberteit. Echter, vaak met nog meer pijn, omdat men nu niet
meer een opgaande lijn voor zich ziet, maar een neergaande. Depressies
en innerlijke strijd spelen in het leven van de veertiger een rol.
Dikwijls zal hij ook onrustig zoeken naar mogelijkheden om deze
levensproblematiek te ontvluchten door drank, TV, erotische avon-
tuurtjes, sensatie, enz. Het vraagt veel moed om deze problemen onder
ogen te zien en op zoek te durven gaan naar geestelijke waarden die
het leven meer opnieuw zin en betekenis geven. Want daar liggen de
mogelijkheden! Wanneer de lichamelijke vitale strevingen ten gevolge
van het ouder worden afnemen, ontstaat tegelijkertijd ruimte voor
geestelijk-ideële strevingen. Welke dat zijn kan een ander je niet
vertellen. Daarvoor ben je op jezelf aangewezen. Het vraagt meestal
een stevige confrontatie met jezelf, die het karakter van een crisis
kan hebben. De kracht die van de geestelijk-ideeële strevingen uitgaat
kan maken dat de veertiger tegen zijn 50ste een nieuw evenwicht, een
nieuwe innerlijke zekerheid gevonden heeft die het leven een nieuwe
impuls geven.
A
Het bovenstaande neemt de veertiger uiteraard ook mee in zijn werk.
Maar daar zullen de meeste mensen over het algemeen stekk geneigd zijn
„om deze levensproblematiek verborgen te houden vanuit de norm: 'je
moet je zwakheden niet tonen'. Verschillende managers hebben ons in
persoonlijke gesprekken verteld over de grote onzekerheid in deze
periode en over de angst dat hun bazen het zouden merken.
Soms kan de veertiger enorm opzien tegen taken waarvoor hij voorheen
zijn hand niet omdraaide. Maar het kan ook dat uiterlijk alles goed
gaat, terwijl de innerlijke bevrediging die het werk biedt afneemt.
‘Mijn beoordelingen zijn uitstekend. Zojuist heb ik weer promotie ge-
maakt. Maar het zegt mij allemaal niets meer!. Het werk kan voor die-
gene die in deze overgangsperiode zit zowel een welkom houvast als een
zware belasting zijn en vaak is het beide.
Een houvast omdat je toch maar weer elke ochtend om 08,30 uur achter
Je bureau moet zitten, mensen te woord moet staan, enz. Het weerhoudt
je ervan je te zeer te laten meeslepen door je depressies. Maar het
kan ook een zware belasting zijn omdat je uiterlijk veel moet ophouden
wat er innerlijk niet is.
Hoewel het bovenstaande een algemene grondtrek is, is de houding van
de 40-ers ten opzichte van hun werk ook verschillend. Dit is afhanke-
lijk van de ontwikkeling in vorige fasen, de aard van hun werk, de
houding van hun collega's, enz. Wij noemen enkele varianten:
- de 40O-er die ten gevolge van de overgangsfase echt wil veranderen in
uiterlijke zin. Hij slaat aan het solliciteren, in- of extern, hij
die wil verhuizen naar een andere stad, een andere relatie aangaat,
enz.
= de 40-er die tijdens de vergaderingen ineens onverwacht emotioneel
principiële vragen gaat stellen en daar hele kwesties van maakt. Los
daarvan of tegelijkertijd een zekere onverschilligheid uitstraalt
ten opzichte van zaken waarover hij voorheen zich druk maakte.
= Zij die plotseling veel harder gaat werken, zich als het ware ‘erop
werpt', werk mee naar huis neemt, enz. Daarmee gaat soms gepaard een
zich krachtig opstellen tegenover anderen, de eigen innerlijke onze-
kerheid wegdrukkend.
— Hij die haar privéproblemen en zijn werk niet meer kan scheiden.
Problemen die met deze overgangsfase te maken hebben, als: drankge-
bruik, buitenechtelijke relaties/-partner relaties, financiële pro-
blemen die ontstaan doordat hij in weekenden en vrije tijd de exis-
tentiële vragen wil ontvluchten. Vroeg of laat is dit in de werksi-
tuatie te merken.
Evenals ieder mens in zijn jeugdjaren op een individuele manier een
puberteitsfase doormaakt, zo maakt ieder mens rond zijn veertigste ook
een overgangsfase door. De zogenaamde 'midlife crisis'. Naarmate hij
de 50 nadert wordt alles minder stormachtig. Het kan zijn dat hij
een nieuwe zienswijze of oriëntatie op zijn leven gevonden heeft en
daarvoor werkt. Door deze nieuwe zingeving en de daarbij passende
grondhouding kan hij opnieuw van ongelooflijke waarde zijn voor de or-
ganisatie,
De vijftiger
Veel van de wijze waarop iemand als vijftiger leeft en werkt hangt af
van de wijze waarop hij de voorgaande overgangsfase heeft doorgemaakt.
Is de nieuwe levensoriëntatie niet gevonden omdat hij gevlucht is voor
de problemen of de expansieve fase heeft voortgezet, dan zal hij als
vijftiger veelal tot een steeds grotere krampachtigheid vervallen. Met
name de jongeren, en vooral de dertigers, vormen dan zowel in werk als
in leven een bron van irritatie. De vijftiger wil dan de baas blijven
spelen over jongere collega's in het werk, of over de kinderen thuis.
Hij kan niet luisteren naar hun soms wilde ideeën en reageert daarop
met negativiteit (kleineren, minachting, enz.). Tegelijk idealiseert
hij het eigen verleden. Daardoor kan hij een sfeer om zich heen
scheppen die verziekend werkt. De negativiteit die hij uitstraalt
wordt dan door de omgeving vaak teruggespiegeld, zodat de 50-er in een
soort vicieuze cirkel terecht komt waar lastig uit te komen is. De
neiging is vaak groot een zondebok te zoeken, waaraan hij al zijn el-
lende kan toeschrijven, die verantwoordelijk wordt gesteld voor het
mislukken van hun leven.
Heeft de 50-er echter wel een nieuwe zingeving gevonden voor het leven
dan kan deze periode van vijftig een bron zijn van grote innerlijke
rust en creativiteit. Juist omdat de Ich-haftigkeit (zoals de Duitser
het noemt) minder sterk optreedt ontstaat er ruimte voor echte in-
teresse in mens en maatschappij. Voorheen hadden hobbies tot taak om
zich zelf te bewijzen, vanaf nu om zich echt aan een gebied te wijden
(muziek, kunst, natuur, geschiedenis, enz.). Voor de dikwijls al wat
oudere kinderen en hun vrienden kunnen vijftigers soms echte vertrou-
wenspersonen worden, mede omdat zij kunnen vrij laten en het leven van
de kinderen niet bedisselen. Het huis kan een plek worden waar ruimte
geschapen is voor jonge mensen, die zich daar thuis voelen en waar de
vijftigers voor hen beschikbaar zijn zonder zich op te dringen. Moei-
lijk te accepteren voor veel vijftigers is niettemin de lichamelijke
achteruitgang, met name in onze cultuur, waar de lichamelijkheid zo'n
belangrijke rol speelt. Werd het erisismatige in de leeftijd van veer-
tig reeds versterkt door lichamelijke afbraak verschijnselen als haar-
uitval, grijs worden of buikje, tijdens de leeftijd van vijftig komen
daar dikwijls echte kwaaltjes en klachten bij. Het zich in een neer-
gaande lijn begevende lichaam eist steeds meer de aandacht op, ook al
zijn hier ook weer grote verschillen. Degene die nu niet geïnspireerd
wordt door geestelijk-ideële strevingen, loopt gevaar mentaal met het
lichaam in de dalende lijn te geraken. Daar tegenover kande mens zich
met 'geestkracht' jong houden. Sommige mensen kunnen er begin 50
jonger uitzien dan met 40. Het is de opgave geestelijk vrijer van je
lichaam te worden!
De hierboven geschetste negatieve ontwikkeling heeft voor het werk tot
gevolg dat de betreffende een steeds groter blok aan het been wordt
van de organisatie. Dikwijls tegen verandering of vernieuwing. ('Dat
hebben we in 1970 ook al geprobeerd en toen werd het ook niets..….!'),
eigenzinnig en moeilijk in beweging te krijgen. Het werk en de werksi-
tuatie wordt voor hem een echte belasting en hij telt de jaren die
hem nog scheiden van de VUT of de pensionering. Zoals gezegd vormen
„jongeren een vaartdurende bedreiging. Eerst gaat hij met hen in de
slag, maar omdat de ongelijke strijd steeds vaker verloren wordt gaat
de 50-er over op spot en cynisme en het tyraniseren van de anderen
door. op haar rechten te gaan staan. Kleine dingen als roken, raam
open, een telefoontje overnemen, kunnen aanleiding zijn tot telkens
weerkerende conflicten op een afdeling. De positieve ontwikkeling
daarentegen kan ertoe leiden dat deze mensen belangrijke steunpilaren
in de organisatie worden. Zij zijn voorbij aan het streven naar ver-
sterking van de eigen positie en daardoor in staat tot een veel gro-
tere objectiviteit. Deze mens is in staat om een breed veld te
overzien, afstand te nemen en daardoor tot echt beleidsdenken. Hij
hoeft zich niet meer zo nodig persoonlijk waar te maken en kan daar-
door echt leidinggeven. Ook is hij in staat tot het nemen van moeilij-
ke beslissingen en daarbij kan hij ook hard zijn, niet vanuit allerlei
subjectieve overwegingen, maar omdat de zaak het vraagt.
In een hectische omgeving, waar tien dingen tegelijk gebeuren, snelle
en korte termijn besluiten genomen moeten worden voelt de 50-er zich
minder thuis. Het is de kunst om in een organisatie die plaatsen te
vinden en te creëren waar de positieve kwaliteiten van deze levensfase
het meest tot hun recht kunnen komen. Dat hierbij traditionele uit-
gangspunten van de huidige beloningssystemen, en pensioen, een grote
belemmering vormen behoeft geen verder betoog.
De zestiger
De huidige maatschappij met zijn gefixeerdheid op de vitaliteit van de
jonge mens, zie de reclame: 'jong, wild en snel', zegt: ‘zestiger, je
bent oud'. En daarmee is zij 'out'. In welke reclame, welk modeblad
wordt een zestiger getoond? Toch is de zestiger nog niet oud. Hij
wordt wel steeds sterker geconfronteerd met de eindigheid van het
eigen leven. Een leven dat zich afspeelt tussen twee polen.
Enerzijds staat de mens in zijn leven voor de opgave zich te verbinden
met de aarde, het leven hier, de wereld, Door zich daarvoor in te zet-
ten kan hij zich ontwikkelen. En het werk biedt een fantastische gele-
genheid.
10.
Tegelijk staat de mens voor de opgave zich te onthechten, los te
maken. Het gaat uiteindelijk om het loslaten van wat in die wereld bij
hem is gaan horen: werk, positie, relaties, financiële mogelijkhe-
den...
Door het overschrijden van de grens van de ‘verplichte werkperiode!
doet moet hij dit loslaten, soms akelig, soms bevrijdend. Je leven
wordt niet meer gedragen door het werk. Meer en meer komt het aan op
eigen kracht. Tegelijk kan deze 'niet-verplichting/ vele nieuwe moei-
lijkheden geven. Een verbinding met wat je nog echt belangrijk vindt,
geeft vaak nieuwe energie. Terwijl de grote beweging van het leven
loslaten ingezet wordt.
Verbinden en loslaten
de hartslag van het leven
Bij 16 is de leerplicht voorbij en bij 65 nog de plicht tot werken. Je
mag nog met de VUT, hoewel het niet lang meer zal duren omdat de VUT
nationaal-economisch niet langer te dragen is. De nieuwe trend is een
individuele benadering. Per bedrijfssituatie en per mens zal een ge-
hele of gedeeltelijke pensioendatum voor of na 65 mogelijk worden.
Mogelijk worden? Noodzakelijk wellicht. Enkele grote bedrijven berei-
den zich er al bewust op voor. In de 2e kamer is het al ter discussie
gebracht. Maar zestigers zijn nog zeldzaam in organisaties. Velen zijn
van tevoren al afgehaakt, vertrokken met de WAO of VUT. Degene die
overblijft stelt er vaak een eer in om 'de 65 vol te maken'. Als men
niet teveel last heeft van lichamelijke kwalen kan men nog veel aan.
Een zestiger is niet oud. Wat is er aan de hand dat er zo weinig zijn
in organisaties? Meestal hoor je 'ze kunnen niet meer mee, het tempo
van de veranderingen is te hoog'. Waarschijnlijk is dat voor velen
waar , trekken wij niet de verkeerde conclusie? Zijn de reacties van
oudere mensen in organisaties niet een graadmeter voor de wijze waarop
met veranderingen en vernieuwingen omgegaan wordt? Want oudere mensen
knappen af daar waar jongeren nog de energie hebben om in het gesol
met hen nog staande te blijven. Maar vraag niet naar de tol, het kap-
pen van hun motivatie en hun verbinding met het werk. Bij oudere men-
sen breekt het eerder. Zij stappen er liever uit en de organisatie
laat hen graag gaan om door te kunnen gaan op de manier, zoals gebrui-
kelijk is om te doen. Immers, de markt, klanten, concurrentie, kosten-
ontwikkeling, bezuiniging, enz., enz. vraagt het toch!
Om de 60-er in organisaties te houden is een individuele benadering
nodig. Wanneer met pensioen? In welke mate nog werken, parttime, full-
time? Waar liggen de prioriteiten voor de zestiger en welke taakinhoud
hoort daarbij? Spreek de oudere mens aan op. zijn kracht en_enthousias-
A eeenentemmnsn sees an
me en stem daarbp de condities af. Dan kan hij nog lang geestelijk
vitaal en creatief vanuit zijn ervaring de organisatie ten dienst
jee ene ae ae ane ennn ann en
De zeventiger n
Het aantal mensen dat oud wordt neemt toe. Sommigen zijn dat bij
zeventig, anderen pas bij negentig. Velen zakken weg en raken in een
11.
toestand waarin zij slechts lijkente vegeteren en verzorgd moeten wor-
den. Anderen kunnen zichzelf actief houden, ‘selfsupporting’ tot op
hoge leeftijd.
Eerst ijlt, terwijl je zeventig wordt de vrijheid van werkverplichtin-
gen nog na. Nieuwe dingen worden aangepakt, grote reizen nog gemaakt.
Het leven is nog een veelkleurige afwisseling van maatschappelijke
bijdrage als vereniging, kerk, familie, buren en vrienden en van eigen
initiatieven om van het leven te genieten.
Voor de meeste mensen zie je op weg naar tachtig hun wereld verklei-
nen. De veelheid van activiteiten wordt te zwaar, zo ook het onderhou-
den van allerlei contacten. Tegelijk worden die contacten steeds be-
langrijker. De eenzaamheid wordt groter, velen vallen weg, gaan heen.
De kring wordt kleiner en de afhankelijkheid daarvan groter.
Het eigen einde nadert, maar wordt nog afgehouden. Herinneringen nemen
een steeds grotere plaats in. Maar zij die hun interesse in wat er in
de wereld gaande is levendig kunnen houden, en dit kunnen verbinden
met innerlijke vragen omtrent de essentie van het leven, worden plek-
ken van rust voor jongeren, die zich laven aan hun milder wordende
wijsheid. Zo worden zij hoopvolle voorbeelden.
De tachtiger
De afhankelijkheid van een steeds kleinere kring groeit. De perioden
van activiteit worden korter, die van rust langer. Vaak wordt de over-
gang naar deze jaren gekenmerkt door een forse fysieke ingreep, als
bijvoorbeeld het breken van een heup. Letterlijk wordt het leven
wankeler, kwetsbaarder, onzekerder. Het is een moeilijke periode waar-
in de mens nog meer wil dan dat hij kan. Alles dat opgegeven wordt
heeft een definitief karakter en dat maakt het zo moeilijk. Het uiter-
lijke actieve leven neemt af en als daarvoor geen innerlijke activi-
teit in de plaats komt blijft er niet veel over. Tegelijk neemt het
vermogen om met de geest actief bezig te zijn ook af. Het is een ge-
vecht met steeds dichterbij komende grenzen. En de opgave is die te
accepteren zonder je geheel over te geven. Dan ontstaan er, hoewel
kleiner en in aantal minder wordende, ruimten om dat te doen wat nog
na aan het hart ligt. Wie nog wel bezoeken, en wie maar niet meer? Wat
nog doen, voor elkaar te krijgen en wat maar laten, overlaten aan an-
deren? De kracht ligt in de beperking tot het kleine en de kwaliteit
kan daardoor zeer groot zijn. Op die enkele momenten kan een verhoogde
intensiteit van het leven beleefbaar worden. Zij die dat van nabij
kunnen meemaken ervaren verwondering en dankbaarheid.
Het is waar, de dood kunnen wij niet ontgaan.
Dat is ook niet erg.
Dan begint de grote logeerpartij bij een
Gastheer, die zo boeiend is dat tijd
volledig stil gaat staan een eeuwig wordt.
Godfried Bomans
12
Overzicht
In het onderstaande schema zijn de belangrijkste kenmerken opgenomen
van de hierboven beschreven houdingen per fase ten opzichte van het
werk. Tevens de gevaren waaraan de 20-er, 30-er, enz. bloot staat en
wat per fase nodig is gezien de daarbij horende ontwikkelingsopgave.
Kenmerken van Gevaren Wat nodig is
werkverhouding
20-er Het werk is één Fanatiek Afwisseling en
van de mogelijk- idealen brede oriëntatie
heden om jezelf nastreven in werkervaring
uit te proberen
Fladerrig Het 'op tenen!
Voorlopig karakter, langszeilen lopen, uitdaging
Geen vaste binding
Wil op korte termijn
resultaat zien
Snel enthousiast,
weinig ervaring,
dun oordeelsvermogen
Sterke behoefte aan
positieve contacten
en gezien worden
Te vroeg-snelle
vastigheid in
huisje, boompje
en beestje
Op korte termijn
resultaat beoor-
delingen
Positieve werk-
sfeer, open
communicatie,
rechtuit feed-
back
50-er Fulltime werk en Rationaliteit Eigen werk
parttime relatie wordt gevoel- en leven
loze hardheid plannen en
organiseren
Carrière en
ontplooing Eigenbelang
wordt niets Lange termijn
Veel tegelijk en ontzien doelen stellen
georganiseerd machtsstreven en aanhouden
Kunnen denken Ordelijkheid Professionele
op lange termijn wordt tot verdieping;
burgerlijkheid grote verant-
woordelijkheid,
Doelen stellen Oppervlakkig- netwerken
plannen en
systematiseren,
afwegen van
prioriteiten
heid, sturen
op verwacht ing-
en van anderen
Echte interesse
voor gevoelens
van anderen
dd
Kenmerken van
werkverhouding
40-er Opzien tegen
taken, innerlijke
onvrede, uiterlijk
doordraaien
Werken is houvast
en belasting
Zwakheden niet
tonen, onzekerheid
en zoeken van
nieuw zinvol werk
Onverwachte
en gedrag
Steunpilaar of
blok aan het been
Ervaring, breed
overzicht, afstand
kunnen nemen en
beleidsdenken
Echt leiding
kunnen geven
Menselijk gezien
moeilijke beslis-
singen kunnen ne-
men vanuit objec-
tieve zakelijkheid
In dynamische om-
geving minder
thuis, jongeren
als potentiële
bedreiging
Gevaren
Opsluiten in
harder werken
Impulsief ver-
anderen van
levenssituatie
Vlucht in
drank, relaties,
financiële
uitspattingen
Vasthouden
aan het oude
Strijd om de
positie met
jongeren
Negat ivisme
en cynisme
Idealiseren
eigen verleden
tegenover
jongeren
Jong willen
blijven, vol
dynamisch mee
doen
13e
Wat nodig is
Persoonlijke
gesprekken,
waarin onrust
geuit kan worden
Pijnlijke exis-
tentiële vragen
als ontwikkeling
zien
Overbekende
leef -werksitua-
tie, innerlijke
leegheid en
chaos aangaan
Nieuwe zingeving
zelf ontdekken
Aanspreken op
wat zij kunnen
als 50-jarige
Uitgaan van de
gedachte dat een
mens nooit te
oud is om te
leren
Reële positieve
feedback geven
Geestelijk
ideële of
culturele
inspiratie
bronnen vinden
Voorbereiding
op einde
werkperiode
14,
Kenmerken van Gevaren Wat nodig is
werkverhouding
ee
60-er Einde werkplicht Niet kunnen Individuele
is in zicht loslaten, benadering qua
geen afscheid werktijd, werk-
Werken in eigen kunnen nemen last en arbeids-
tijd voorwaarden
Met het werk
Ondersteunend verdwijnt ook Taken 'na aan
werken vanuit de identiteit, het hart 'geven,
ervaring soms met dode- zaken afronden
lijk gevolg
Een losrakende Voorbereiden op
verbinding met Te snel los- levensvulling
de organisatie laten, de eigen voor nieuwe
waarde voor de fase
Op eigen benen organisatie
verdergaan niet zien
Loslatenen opnieuw verbinden. Dit is misschien wel het belangrijkste
aan het einde van onze verplichte werkperiode. Het is de hartslag ge-
durende ons hele leven, zoals Herman Hesse dat prachtig verwoordt.
Stufen
Wie jede Blüte welkt und jede Jugend dem Alter weicht,
blüht jede Lebensstufe, blüht jede Weisheit auch und
jede Tugend zu ihrer Zeit und darf nicht ewig dauern.
Es muss das Herz bei jedem Lebensrufe bereit zum Ab-
schied sein und Neu beginne, um sich in Tapferkeit und
ohne Trauvern in andre, neue Bindungen zu geben. Und
jedem Anfang wohnt ein Zauber inne, der uns beschützt
und der uns hilft, zu leben.
Wir sollen heiter Raum und Raum durchscheiten, an
keinem wie an einer Heimat hängen, der Weltgeist will
nicht fesseln uns und engen, er will uns Stuf ' um Stufe
heben, weiten. Kaum sind wir heimisch einem Lebenskreise
und traulich eingewohnt, so droht Erschlaffen, nur wer
bereit zur Aufbruch ist und Reise, mag lähmender Gewöhnung
sich entraffen.
Es wird vielleicht noch die Todesstunde uns neue Räumen
jung entgegen senden, das Lebensruf an uns wird niemals
enden...
Wohlan denn, Herz, nimm Abschied und gesunde!
Herman Hesse