Nederlands Pedagogisch Instituut
syllabus: 8050.899
KL/LG
MENSKUNDIGE ASPECTEN VAN HET BEOORDELEN
Situatie
De ene mens die er al is (bij voorbeeld gediplomeerde) of
was (bij voorbeeld praktijkcoördinator) beoordeelt een ander
mens (de leerling) die er nog komen moet.
In deze afhankelijkheidsrelatie kan veel misgaan.
De leerling kan zich bij voorbeeld verkeerd begrepen voelen,
doordat de ander het oordeel onvoldoende duidelijk maakt aan
de hand van gestelde eisen en feitelijk gedrag. De beoorde-
laar kan bij voorbeeld terugdeinzen voor het uitspreken van
een negatief oordeel omdat hij onzeker is. Onzeker over het
eigen vermogen tot oordelen, over de wijze waarop de infor-
matie tot stand kwam en over de gevolgen van het uitspreken
voor de sociale verhoudingen. Een oordeel kan ook in de
lucht blijven hangen omdat niet duidelijk was waartoe beoor-
deeld werd.
Beide gesprekspartners kunnen zich daarnaast ook nog in het
beoordelingsgesprek door de ander overdonderd voelen, zo-
wel bij positieve als negatieve oordelen. Karakters en so-
ciale vaardigheden spelen hierbij een rol.
Vragen
Welke aspecten zijn aan dit specifieke menselijke gesprek te
onderkennen?
Waaraan moeten we denken, wat moeten we doen om dit gesprek
goed te laten verlopen?
Definitie
Een oordeel is een toegevoegde waarde aan het verschil tus-
sen het gewenste en feitelijk gedrag.
Uitgangspunten
Een oordeel over mensen in een organisatie moet zoveel moge-
„lijk waar, sociaal aanvaardbaar en doelgericht zijn. Aan
deze criteria moeten oordelen getoetst worden. Onder deze
principiële criteria wordt het volgende verstaan.
Een waar oordeel berust op de feitelijke werkelijkheid. Dit
betekent, dat de mate waarin het feitelijk gedrag afwijkt
van het gewenste gedrag door de beoordelaar zoveel mogelijk
in de werkelijkheid aangewezen moet kunnen worden.
Instituut voor Organisatie Ontwikkeling Valckenboschlaan 8, Postbus 299, 3700 AG Zeist, Telefoon 03404-20044, Fax 03404-12770
Een sociaal aanvaardbaar oordeel laat de waarde van de leer-
ling als mens intact. De wijze waarop het tot stand komt be-
vredigt het rechtsgevoel van zoveel mogelijk betrokkenen in
de organisatie. Op deze manier verstoort het zo min mogelijk
de menselijke verhoudingen. Het eerste geldt in alle tij-
den. De andere twee facetten zijn gebonden aan de leeftijds-
fase van de leerling, de organisatiecultuur en de histo-
rische periode waarin wij leven.
Een doelgericht oordeel bevordert de ontwikkeling van leer-
ling èn organisatie. Het is relevant voor beslissingen in
dit kader. Een oordeel uitspreken is een "sociale daad",
d.w.z, het verandert de werkelijkheid. Het heeft sociale ge-
volgen. Zelfs onuitgesproken oordelen doen dat, waarbij het
soms beter is uit te spreken wat een ieder al voelt.
Aspecten
1. De meeste methoden van beoordelen schipperen tussen twee
polen: het intuïtieve of gevoelsmatige oordeel en het
verstandelijke of rationele oordeel.
Het intuïtieve oordeel is een samenvattende conclusie uit
een reeks van ervaringen, die niet verstandelijk geanaly-
seerd en verantwoord wordt. Beelden uit concrete ervarin-
gen met leerlingen zijn in de beoordelaar versmolten met
niet bewust gemaakte normen. Optredende sympathieën en
antipathieën en eventuele vooroordelen van de beoordelaar
kunnen het oordeel vertroebelen; de karakterstructuur en
menselijke rijpheid van deze zijn bepalend voor de kwali-
teit van het oordeel.
Een verstandelijk oordeel komt tot stand op basis van een
vergelijking van exacte, gerubriceerde en schriftelijk
vastgelegde informatie enerzijds met onpersoonlijke, van
tevoren vastgestelde, algemeen geldende normen ander-
zijds. Bij het verstandelijke oordeel liggen de normen in
het beoordelingssysteem en zijn streng gescheiden van de
feitelijke informatie uit ervaringen. In de uiterste vorm
is het eigen oordeel van de beoordelaar uitgeschakeld.
2. Elk mens draagt in zich twee beelden van zich zelf mee.
Enerzijds is dat een beeld van zijn betere zelf dat alles
omvat wat deze mens zou willen worden, hoe deze zich zelf
als ideaal ziet. Al deze positieve eigenschappen, stre-
vingen en verlangens vormen samen een lichtend beeld voor
de eigen persoon, het hogere ik van de mens. Anderzijds
heeft elk mens een beeld van zijn zwakkere zelf, dat de
negatieve eigenschappen, strevingen en begeerten bevat.
Dit is de schaduwzijde, de dubbelganger van de mens, het
lagere ik. Tussen beide ontwikkelt zich het dagelijkse
ik, in en aan het spanningsveld dat tussen beide beelden
bestaat.
Het spanningsveld tussen het dagelijkse ik en het lichte
hogere ik of de duistere dubbelganger kan ontvlucht wor-
den op twee manieren. Het dagelijkse ik kan één van de
polen omarmen, d.w.z. zich ermee identificeren.
Het kan deze pool ook ver van zich afstoten, d.w.z. ont-
kennen. In beide gevallen wordt het dagelijkse ik blind
voor het eigen denken, voelen en willen en voor de uit-
werkingen daarvan op het oordeel over een ander.
Het onbewuste innerlijke spanningsveld, dat niet geaccep-
teerd is maar wel bestaat, werkt als een zoeklicht op de
tekortkomingen bij de ander. De splinter staat hier voor
het niet verdragen van de tekortkomingen, alsook het
beter zijn van de ander.
Andere voorbeelden zijn: de pot verwijt de ketel dat hij
zwart ziet. De ander wordt negatiever beoordeeld door het
niet verdragen van eigen zwakheden. Of: het is niet alles
goud wat er blinkt. De ander wordt overgewaardeerd door
het kritiekloos omarmen van het eigen ideaalbeeld.
3. Wie beoordeelt?
Vanuit de zorg voor patiënten en voor leerlingen willen
de daarvoor verantwoordelijken de leerlingen beoordelen,
gezien de eisen van de opleiding.
Vanuit de zorg voor patiënten en zich zelf willen de
leerlingen zich zelf beoordelen, gezien de eisen van de
A opleiding en de ideaalbeelden van henzelf.
Hierbij moeten we rekening houden met de volgende gege-
vens:
‚ De regelingen beogen een zelfstandige gediplomeerde aan
het eind van de opleiding.
‚ De meeste leerlingen beëindigen hun opleiding in een
leeftijdsfase waarin ze kunnen zeggen: ík ben ik, dus
anders.
. De historische periode waarin wij leven vraagt een ver-
hoogd zelfbewustzijn.
4. Wat te beoordelen?
-— Wat iemand kan, al heeft ontwikkeld, bf wat iemand nog
in petto heeft. Het ene beoordeelt wat de persoon mee-
gekregen heeft, eindpunt van het verleden. Het andere
is het begin van de toekomst.
- De persoon of het gedrag dat in de situatie gevraagd
wordt.
Wat te doen?
A — Zorg dat leerlingen van tevoren weten waarop ze wanneer
beoordeeld worden en hoe dat zal gaan: in welke situa-
tie, met wie, schriftelijk, mondeling, enz. wat beoor-
deeld wordt moet worden aangegeven met opleidingsdoe-
len. De leerlingen moeten ook weten waartoe ze beoor-
deeld worden; het doel van de beoordeling moet vast-
staan.
—- Beoordeel op gedrag, niet op de persoon.
- Zie de leerling als mens in ontwikkeling.
B — Zorg dat in de interactie tussen beoordelaar en leer-
lingen de hiërarchie vermeden wordt, niet de objectief
gegeven afhankelijkheidsrelatie, maar de subjectief be-
paalde relatie door gedrag en houding. De leerling als
volwassene tegemoet treden.
- Daarnaast vraagt het openheid en oprechtheid. Vertel
wat je weet, hoe je denkt, wat je ervan vindt.
- Beoordeel vanuit de waarneming.
C -— Leer als beoordelaar je eigen onvolkomenheden zien en
werk eraan. Het is een zuiveringsproces van je eigen
oordeelsvermogen. Verschillende methoden zijn hiervoor
mogelijk:
‚ De terugblik, d.w.z. regelmatig in teruggaande bewe-
ging je een beeld vormen van wat er gebeurde en welke
werking dat had.
. Het inventariseren van je eigen idealen en waarden,
sterke kanten en positief morele eigenschappen.
‚ Het kijken naar gedragingen van de leerling waarin je
jezelf herkent.
Het zoeken van de “gouden momenten", waarin de leer-
ling het vereiste gedrag probeert.
COPYRIGHT NPI