INSTITUUT VOOR ORGANISATIE ONTWIKKELING
Valckenboschlaan 8 - Postbus 299 - 3700 AG Zeist - Holland - Tel. (03404) 20044
5487.831
JU/LG
OEFENING IN PROBLEEM STELLEN
Opleidingsdoel van de oefening
Inzicht hebben in de belangrijkste factoren, waarmee men
rekening moet houden om tot een — voor een groep — vrucht-
bare probleemstelling te komen.
De oefening verloopt iets anders al naar gelang de uitgangs-
situatie van de groep, ni.:
I De hele groep kiest een thema, dat zij gezamenlijk als
probleemgebied beleeft.
of:
II Eén persoon, of een subgroep heeft een probleem vanuit de
eigen situatie, maar wil dit met anderen bespreken c.q.
wil anderen bij de oplossing ervan betrekken.
Werkwijze voor situatie I
a. De hele groep kiest een thema, dat zij als reeel probleem-
gebied beleeft en waarover zij wil praten.
b. In subgroepen uiteen (3 à 4 man). Rollen: A - B -C - D.
— A formuleert een probleemstelling zoals hij die ziet,
als nadere precisering van het thema. Hij kan, als hij
wil, daarover eerst nadenken. Noteren op flap.
— B en C gaan aan de hand van enige hulpvragen nader in op
de probleemstelling van A door middel van een vrij ge-
sprek.
— Het is de bedoeling, dat A-B-C tot overeenstemming komen
over de juistheid van de probleemstelling als uitgangspo-
sitie vooreen gesprek. Het kan dan gebeuren, dat de pro-
bleemstelling van A bevestigd of geheel of gedeeltelijk
gewijzigd wordt. Noteren op flap.
— Rol van D: Indien er een "D" is, wordt hij waarnemer.
Waarnemingsopdrachten voor D
. Welke gezichtspunten hanteert A bij zijn probleemstelling?
. Komen er in de loop van het gesprek nog nieuwe gezichts-
punten bij? Welke?
‚ Op grond van welke bijdragen van A, B of C komt het tot
verdieping/wijziging van de probleemstelling?
. Wat neemt u waar in de betrokkenheid van A-B-C tot de
probleemstelling(swijzigingen) en ten opzichte van elkaar?
. Maak voor u zelf onderweg korte notities hierover.
c. In voltallige groep:
Vergelijken van de probleemstellingen uit de subgroepen.
Nadere uitleg aan elkaar op grond waarvan men tot de eigen
Zn
probleemstelling gekomen is. Toelichting op het eigen
gespreksverloop. Ontdekken van factoren die een rol spe-
len bij het gezamenlijk stellen van een probleem.
Werkwijze voor situatie II
a. In de voltallige groep:
— De uitgangspositie is nu, dat er problemen aan de orde
komen, die met mensen besproken moeten worden, "die er
zelf niet mee zitten", of anders gezegd, die zelf niet
direct in de situatie van de probleemsteller betrokken
zijn.
— De criteria voor het uiteengaan in subgroepen zijn nu,
dat de gesprekspartners niet direct in elkaars probleem-
situatie betrokken zijn, maar voor de bespreking ervan
elkaar wèl nodig hebben (b.v. OR of stafbespreking met
mensen uit Produktie — Research — Verkoop, e.d.).
b. In de subgroepen:
Dezelfde procedure als genoemd onder Ib.
N.B.: Voor de waarnemer geldt hier in het bijzonder of en
waardoor B en C werkelijk betrokken raken bij het
probleem van A.
Cc. In de voltallige groep:
Nabespreking van de ervaringen uit de subgroepen.
Gezichtspunten voor de nabespreking:
-— Was de oorspronkelijke probleemstelling juist?
— De betrokkenheid tot de probleemstelling en de probleem-
steller, Hoe speelt dat voor B en C?
— Waarop moet de probleemsteller letten? Waarop B en C?2
Ontdekken van factoren en samenhangen waarop men moet let-
ten bij deze soort van probleemstellingen.
Opdrachten voor B en C
Zorg ervoor, dat de volgende punten aan de orde komen en/of
verder uitgewerkt worden in het gesprek:
- Wie stelde (uiteindelijk) de probleemstelling of "het geval"
aan de orde?
-— Hoe beschrijft de probleemsteller (A) de situatie waaruit
het probleem voortkomt?
— Komt hij tot een vraag- (c.q. probleem)stelling? Uit welke
factoren en gezichtspunten is de probleemstelling opgebouwd?
— Wat wil hij blijkens de probleemstelling?
- Zijn wij, die erover mee moeten gaan praten (B-C) het eens
dat A de probleemstelling zó heeft geformuleerd?
= Zo nee, hoe zou de probleemstelling dan wel moeten luiden?
— Kunnen wij — A, B en C - het hierover eens worden?
COPYRIGHT NPI