NPI - Instituut voor Organisatie Ontwikkeling
syllabus: 5958,8910
VB/LG
ONTWIKKELINGSFASEN VAN DE MENS
Wanneer men stelt, dat de mens tijdens zijn leven een aantal
ontwikkelingsfasen doorloopt en men de specifieke verschijn-
selen bespreekt, die bij de verschillende stadia van die
ontwikkeling behoren, dan moet men uitgaan van een basis-
karakteristiek van de ontwikkeling.
Er bestaat heden ten dage een aantal fundamentele opvattin-
gen dienaangaande.
De mens bepaald door erfelijke factoren. Hierbij wordt aan-
genomen, dat het menselijk gedrag bepaald wordt door de
fysieke, gevoelsmatige en geestelijke geaardheid die hij bij
zijn geboorte heeft "meegekregen". De unieke samenstelling
van zijn chromosomen bepaalt zijn leven. Hij is een "gebo-
ren" musicus met bijbehorend artistiek temperament; als een
onfortuinlijke erfelijkheidsfactor op een misdadige “natuur
wijst, zal hij een misdadiger worden, of dat nu een zakken-
roller is of een volksmenner.
Bij dit mensbeeld speelt het effect van opvoeding en milieu
slechts een kleine rol, alhoewel wordt aangenomen dat ge-
dragsveranderingen bereikt kunnen worden door systematische
conditionering. De idee van de vrije wil wordt als een il-
lusie beschouwd.
De mens bepaald door zijn omgeving. Hierbij is de grondge-
dachte, dat wat de mens in zijn vroegste jeugd beleeft, zijn
toekomstige gedrag zal bepalen. De huiselijke omstandigheden
en de relatie tot de ouders zullen een patroon weven in de
kinderziel, dat de volwassen mens —- vaak onbewust -— zal
blijven volgen. Slechts door het verleden opnieuw te beleven
(b.v. via de psycho-analyse) kunnen verouderde patronen als
zodanig herkend worden en dit kan tot nieuw gedrag leiden,
dat beter aangepast is aan de omstandigheid van de dan vol-
wassen mens. De idee van de afhankelijkheid van de omgeving
blijft bestaan: de mens schijnt voortdurend te streven naar
acceptatie, respect, liefde en genegenheid van hen die hem
omringen; zijn gedrag wordt nu daardoor bepaald,
De mens als individu. Dit mensbeeld omvat (met zekere wijzi-
gingen) de twee vorige en voegt een derde component toe: het
ego van de mens. De levensloop van de mens wordt niet uit-
sluitend bepaald door machten buiten hem om, zoals erfelijk-
heid en milieu-invloeden; er is ook een innerlijke identi-
teit, die richting kan geven aan zijn leven. De mens is zich
bewust van zijn individualiteit, die om erkenning en gene-
genheid vraagt, maar hem ook uitdaagt en noodzaakt zich aan
zijn omstandigheden te ontwikkelen. De mens is uniek in zijn
specifieke situatie met zijn eigen, unieke biografie.
Valckenboschlaan 8, Postbus 299, 3700 AG Zeist, Telefoon 03404-20044, Fax 03404-12770.
Zo verschijnt de mens als een drieledig wezen:
Individualiteit
de bewuste mens
De menselijke
ego-potentieel persoonlijkheid
het denken van een gegeven
ogenblik is het
resultaat van
Persoonlijkheid zijn eqgo-poten-
omgeving gevoel omgeving tieel, dat zijn
dk karakter 4d erfelijk poten-
tieel hanteert
in wisselwerking
met de invloeden
erfelijk potentieel die de omgeving
op hem uitoefent.
de fysieke mens
geaardheid
instincten
De menselijke groei naar de volwassenheid wordt gekenmerkt
door een aantal ontwikkelingsfasen. Wanneer wij deze fasen
specifiek karakteriseren, zijn wij ons ervan bewust te gene-
raliseren, ook bij de beschrijving van de condities die deze
fasen in qunstige of ongunstige zin beïnvloeden.
Wij hebben echter ondervonden dat - zelfs een generalise-
rend — inzicht in deze menselijke "wetten" van grote bete-
kenis kan zijn voor de samenleving.
Alhoewel er een groot aantal meningen en veronderstellingen
bestaan aangaande de specifieke eigenschappen van jongere en
van oudere mensen, komt het zelden voor dat het organisatie-
beleid rekening houdt met de wetten van de menselijke ont-
wikkeling. Ware dat wel het geval, dan zou men belangrijke
veranderingen zien in de praktijk van het personeelsbeleid!
Drie levensperioden
Hoewel de ontwikkelingspsychologie een vrij nieuwe tak van
wetenschap is, vinden wij de grondslagen daarvoor al in ver
achter ons liggende tijden in het oude China. Daar stelden
de wijzen vast, dat er in het leven van de mens drie basis-
perioden waren:
— een tijd om te leren;
- een tijd om te vechten;
- een tijd om wijs te worden.
Wij erkennen deze hoofd-fasen nog steeds en noemen ze nu
(meer abstract):
= de ontvankelijke fase;
- de expansieve fases;
- de sociale fase.
Wij hebben deze drie hoofd-fasen verder verdeeld in J- jarige
perioden. Zowel van fysiek als psychologisch standpunt uit
bezien lijkt de periode van 7 jaar relevanter dan b.v. de
10-jarige periode, maar men moet ze eerder als gemiddelden
dan als absoluten zien.
De ontvankelijke periode
0-7 jaar. Het leven begint met een crisis: het kind begint
te ademen na de schok van plotselinge afkoeling, die het ge-
volg is van het verlaten van de warme beschutting van de
baarmoeder.
In de allereerste maanden is er weinig bewustzijn (slapen -—
eten - slapen), maar de groeikrachten zijn enorm. Er is een
geweldige hoeveelheid vitale krachten. Het kind leeft vol
vertrouwen in de nabijheid van de moeder. Het moet leren
zich fysiek aan de wereld aan te passen; dat betekent zich
oprichten en zich oriënteren in de drie-dimensionale fysieke
wereld. Tevens zijn - gedurende de eerste drie jaar - het
lichaam, de hersenen, het zenuw- en klierstelsel nog niet
voltooid. Deze eerste 7- jaar periode eindigt met het wisse-
len van de tanden, de vervanging van de laatste en hardste
cel-constructies van het lichaam.
Vereisten. Het kind leert in deze periode door imitatie. Het
reageert als een spiegel op zijn omgeving. Om "menselijk" te
worden, moet het dus een menselijke omgeving hebben, waarin
de elementen van zekerheid, liefde en levenslust aanwezig
zijn. Deze elementen vormen als het ware de grondslag voor
zijn vertrouwen in het leven en het kind zal daarop positief
reageren, behalve wanneer de ouderliefde ontaardt in overma-
tige bescherming, hetgeen een uiting van angst is en onze-
kerheid kweekt of wanneer zij te koel-intellectualistisch
is; wat het kind het gevoel geeft niet werkelijk nodig (ge-
wenst) te zijn.
7-14 jaar. Het kind staat nu objectiever ‘tegenover zijn on-
middellijke omgeving. Het kan nu over de dingen gaan naden-
ken en leeft niet meer alleen mèt de dingen (het laat de Hof
van Eden achter zich); het kan nu een wijdere omgeving bin-
nentreden, waarmee het zich op harmonieuze wijze kan verbin-
den. Deze grotere omgeving zal gewoonlijk bestaan uit de
school en een vriendenkring; zij zullen hem in staat stellen
zijn denk- en gevoelsleven te ontwikkelen. Het is de perio-
de, waarin het kind de grondslagen legt voor zijn morele en
sociale ontwikkeling en waarin het de waardemeting leert
kennen en het omgaan met mensen.
Vereisten. Op deze leeftijd leert het kind voornamelijk via
het (echte) gezag van de "volwassenen", die hem de wereld
moeten leren kennen. Dit kan vooral worden waargenomen in de
relatie met de onderwijzer. Het is belangrijk, dat een kind
kennis wordt bijgebracht op een artistieke en creatieve
manier: “Het vuur ontsteken, niet de emmer vullen'. Als
voorbeeld: De ontdekking van de waarden en relaties van
het kleurengamma in de schilderkunst zal het kind helpen
zijn waardegevoel in andere zaken te ontwikkelen. Het luis-
teren naar iemand, die hem een sprookje vertelt, zal hem de
gelegenheid bieden goed en kwaad te leren onderscheiden voor
zover dat binnen het kader van zijn eigen begrip ligt. Het
spelen met andere kinderen leert hem over eerlijk en on-eer-
lijk, over de vreugde van het bewegen en over pijn veroorza-
ken en pijn lijden. Thuis blijft de behoefte aan liefde en
veiligheid bestaan, maar langzamerhand zal het kind een
eigen plekje willen hebben en het zal ook van de volwassenen
begrip voor zijn persoonlijkheid vragen en de gelegenheid om
deel te nemen aan hun gesprekken.
14-21 jaar. De puberteit is de periode waarin het kind zijn
eigen ideeën en waarden over de mensen en de wereld moet
ontwikkelen, zodat het de eigen persoonlijkheid kan opbou-
wen. Daarvoor moet het zich kunnen bevrijden van het uiter-
lijk gezag der volwassenen en het moet nu door louter eigen
inzicht leren en inzicht krijgen via zelfbespiegeling.
Tegelijkertijd is er nog altijd een sterke behoefte aan
liefde, in tegenstelling tot zijn toenemende behoefte aan
onafhankelijkheid.
Gewoonlijk vinden kinderen van deze leeftijd het heel moei-
lijk deze innerlijke tegenstelling te hanteren en zij zijn
daardoor vaak onhandig en gedragen zich onaangepast tegen-
over hen die in het dagelijks leven het nauwst met hen ver-
bonden zijn. Het groeiend eigen bewustzijn gaat gepaard aan
een groeiend sexueel bewustzijn. De emotionele onrijpheid
verhindert vooralsnog de harmonische sexuele relatie; met
een gewaarwording van "anders" en onbegrepen zijn ervaart
het kind dikwijls een periode van intense eenzaamheid.
Vereisten. Wat de adolescent het meeste nodig heeft is on-
zelfzuchtige belangstelling en begrip van zijn naasten plus
de gelegenheid eigen ideeën te ontwikkelen die mogelijk tot
idealen kunnen uitgroeien.
Als de volwassenen om hem heen laten zien, dat ook zij hun
twijfels en vrezen hebben en desondanks duidelijke doelstel-
lingen in het leven, dan zal de adolescent zich minder
geïsoleerd voelen en zal hij vertrouwen hebben in zijn toe-
komst.
Gevaren. Er zijn veel jongeren die op deze leeftijd al hun
eerste werkkring moeten aanvaarden. Gewoonlijk betekent dit
een omgeving zonder stimulans voor het ontwikkelen van eigen
ideeën en zonder erkenning van de kwetsbaarheid van deze
leeftijdsgroep. Het resultaat is vaak dat kinderen zich in
zich zelf terugtrekken, naar buiten een "volwassen" indruk
maken en het prille zaad van hun creatieve mogelijkheden de
rug toekeren ten gunste van het materialistische "ideaal"
van “een goed leventje".
Anderen, bij voorbeeld in het voortgezet onderwijs met een
sterk concurrerend karakter, hebben weinig ruimte voor in-
nerlijke oriëntatie of voor de ontmoeting met mensen anders
dan in dezelfde concurrerende samenhang. Dit leidt vaak tot
een onderontwikkeld gevoelsleven en tot vroegtijdige "drop-
outs".
De expansieve periode
21-28 jaar. Voor de jonge volwassene is het belangrijkste,
dat hij nu de buitenwereld binnentreedt en zelfkennis verza-
melt. De wereld moet hem vertellen wie hij is door als een
spiegel voor hem zelf te fungeren; tegelijkertijd heeft hij
de behoefte die wereld te leren kennen en te veroveren. Hij
treedt vaak op met een zekere meedogenloosheid of arrogan-
tie, met een egoïsme dat - letterlijk - weinig ruimte voor
anderen overlaat. Dat duidt op een sterke behoefte aan veel-
zijdige ondervinding en aan duidelijke en onmiddellijke
feed-back.
Gevaren. Veel jonge mensen hebben een werkkring met eenvou-
dige routine-bezigheden, die weinig van hun capaciteiten
vergt. Op deze wijze leren zij maar zeer gedeeltelijk hun
eigen mogelijkheden ontdekken en zij verliezen hun weet-
gierigheid op jonge leeftijd. Later "verstarren" deze mensen
gemakkelijk en zij ontwikkelen een tegenzin in veranderin-
gen. Hetzelfde geldt voor mensen die zich op jonge leeftijd
teveel specialiseren. Alhoewel deze mensen zich diepgaand
zullen ontwikkelen op één speciaal gebied (b.v. het intel-
lectuele gebied), worden zij eenzijdig en blijven emotioneel
onderontwikkeld en in het algemeen onhandig en onpraktisch.
Een ander gevaar ligt in de isolerende eigenschappen van de
leefwijze in onze eeuw en in de onpersoonlijkheid van het
organisatorisch verband, dat weinig mogelijkheden biedt voor
een persoonlijke en directe betrokkenheid. Dit resulteert
vaak in vervreemding en desoriëntatie, waardoor mensen zich
geheel terugtrekken in zich zelf of in hun werk.
28-55 jaar. Mensen van omstreeks dertig willen deel uitmaken
van een wijdere wereld, zij willen hun verbintenissen uit-
breiden en te zelfder tijd hebben zij de behoefte over de
wereld als zodanig na te denken. Dit is de tijd om actief te
zijn op het sociale vlak, om een bewust deel te zijn van de
gemeenschap.
Op het gebied van de arbeid is dit de tijd om te specialise-
ren, om werkelijk diep door te dringen op bepaalde gebieden
van kundigheden en/of kennis. De mens is nu minder met zich
zelf bezig; hij staat wat vrijer tegenover de wereld (soms:
om te zien wat hij eruit kan halen); hij voelt zich zekerder
wat betreft de eigen sterke en zwakke kanten en hij heeft
meer begrip voor de kwaliteiten van anderen. Hij debatteert
nu minder en discussieert meer. Rationele activiteiten zoals
analyseren, organiseren en plannen komen nu zeer sterk naar
voren.
Gevaren. Een dertig-jarige kan inmiddels door ervaring ge-
leerd hebben dat het zijn nut hebben kan met je ellebogen te
werken, maar dat je nog beter je hoofd kunt gebruiken. Met
andere woorden: hij is rijp om te manipuleren. In onze maat-
schappij heerst daartoe vaak een bevorderlijk klimaat: zij,
die macht hebben, produceren een grote hoeveelheid anonieme
en geïsoleerde informatie, bedoeld om de achtergronden van
de besluitvorming te maskeren; in zo'n klimaat gedijt de
manipulatie.
Een tweede bron. van gevaar is het uitsluitend gericht zijn
op resultaten, een jacht die weinig tijd laat om de kwalita-
tieve aspecten van het leven te overdenken.
Een derde gevaar ligt in de omstandigheid, dat het comfort
waarmee de moderne techniek en de "ontspannings!"-mogelijkhe-
den de mens omringen, hem ertoe zullen brengen genoegen te
nemen met het oppervlakkige.
35-42 jaar. Omstreeks het veertigste levensjaar gaan veel
mensen door een crisis van diepe twijfel; een periode, die
lijkt op die van de puberteit. De vragen, die dan bij de
mens opkomen, zijn echter van andere aard; tegen die tijd
hebben wij genoeg levenservaring opgedaan om met ons zelf
zowel als met de ons omringende wereld om te gaan, wat nog
niet wil zeggen, dat wij de relatie tussen die twee door-
gronden
Wij worden geconfronteerd met vragen waar wij liever niet
bij blijven stilstaan. Daar is bij voorbeeld de kwestie van
het ouder worden en de onontkoombaarheid van de dood, Vragen
betref fende heden, verleden en toekomst hangen daarmee
samen: "Wat heb ik met mijn leven tot nu toe gedaan? Wat be-
tekenen mijn huidige leven en de mensen om mij heen voor
mij? Wil ik zo doorgaan? Waar is het leven goed voor?" Dit
„zijn existentiële vragen, die lang niet iedereen onder ogen
“durft te zien; dan zien wij in deze levensfase de houding
van “het leven begint bij 40“, mensen die zich waar willen
FD]
ZEN
maken; mensen die eerder erop uit zijn indruk te maken op
anderen dan zich met deze vragen bezig te houden. Wanneer
wij echter de wilskracht opbrengen dit laatste wel te doen,
betekent deze fase van het leven een voorbereiding voor een
periode van een nieuw zelfbewustzijn en van creativiteit,
Onze omgeving kan ons behulpzaam zijn door ons op dit niveau
van zelf-evaluatie tegemoet te komen en ons de gelegenheid
te geven met nieuwe gedragsmethoden te experimenteren. Groe-
pen, waarin men deze fundamentele levensvragen aan de orde
wil stellen, kunnen hierbij ook van veel nut blijken te
zijn.
Gevaar. Naast de reeds eerder genoemde gevolgen van de
moderne welvaartsstaat, lijkt tevens een tendens aanwezig om
de mogelijkheid van de innerlijke ontwikkeling van de mens
überhaupt te ontkennen; de neiging om eenvoudig te aanvaar-
den dat het leven als zodanig geen enkele speciale bedoeling
of betekenis zou hebben. Dit is een toestand van finale wan-
hoop die slechts door de warmte der naastenliefde kan worden
overwonnen.
De periode van de sociale volwassenheid
42-49 jaar. Als de vraagstukken van de vorige fase tot op
zekere hoogte onder ogen zijn gezien, zullen de mensen van
in de veertig op zoek gaan naar nieuwe impulsen, naar een
nieuwe dimensie in hun leven.
Het is niet langer de behoefte aan persoonlijk succes en er-
kenning, die voorop staat, maar een groeiend verlangen om:
- de wereld met nieuwe ogen te bekijken;
- nieuwe doelstellingen in het leven te ontdekken;
- een werkelijke bijdrage te leveren aan de noden en behoef-
ten van anderen.
Vaak ook slaat hij de verkeerde weg in, doordat hij op zoek
gaat naar "iets anders" (een nieuwe baan, een andere levens-
partner) wat echter de ontdekking van nieuwe mogelijkheden
niet zal bevorderen; het is een deformatie, waarvan de oor-
zaak vaak ligt in een onbevredigend verleden.
Op de drempel van nieuwe - realistische - idealen of van
initiatieven, die aan anderen ten goede komen, worden veel
mensen geconfronteerd met hun vroegere mislukkingen en te-
leurstellingen en er is een doelbewuste moed voor nodig om
het verleden te aanvaarden voor wat het was en desalniette-
min een nieuwe toekomst te creëren.
Als dat lukt, zien wij dat mensen groot enthousiasme opbren-
gen voor nieuwe taken en de vruchten daarvan zullen aan an-
deren of aan de organisatie, waarvan zij deel uitmaken, ten
goede komen.
FEN
Gevaren. Alhoewel onze tijd rijk is aan veranderingen en
vernieuwingen, lijden toch veel grote organisaties zowel als
de samenleving zelf aan een zekere verstarring; aan onwrik-
bare structuren en procedures, die weinig ruimte laten voor
een vrije, persoonlijke ontwikkeling. Wij worden gefixeerd
in een bepaald rol-gedrag, dat vaak in het geheel niet
beantwoordt aan de persoonlijke ontwikkelingsbehoeften.
Wanneer er geen ruimte is voor het experiment met een nieuwe
gedragscode (in de prestatie-maatschappij is geen ruimte
voor “onzekerheid") lijkt dikwijls aanpassing aan de oude
situatie de enige mogelijkheid.
49-56 jaar. Mensen, die in de vorige levensfase het geluk
hadden nieuwe doelstellingen in hun leven te formuleren,
zullen nu ook anderen willen helpen hetzelfde te bereiken.
In deze fase kan de mens echter sociale vaardigheden ontwik-
kelen, het vermogen om te luisteren en inzicht in de juiste
aanpak van een situatie. Ook oorspronkelijke denkbeelden;
het vermogen de zaken te overzien in hun veelvoudige reali-
teit of het talent om een nieuwe richting en nieuwe doel-
stellingen op overtuigende wijze uit te dragen zijn de kwa-
liteiten, die in deze leeftijdsgroep gevonden worden.
Wanneer levenservaring en intelligentie gepaard gaan aan
verworven mededogen, kan de mens in deze levensfase een
wijze helper en raadgever zijn.
Gevaren. Mensen, die uit de vorige levensfase veel onopge-
loste problemen meenemen, zullen Yafwijkingen" vertonen: wij
zien dan mensen, die vluchten in hun werk en er de slaaf van
worden; mensen, die vluchten in de drank of sexuele perver-
sies. .
Op het toneel levert dit uitbundig materiaal op voor farce
en komedie, maar de scheidslijn tussen komedie en tragedie
is uiterst dun.
- Er kan geconstateerd worden, dat het management weinig be-
grip opbrengt voor de afnemende fysieke kracht van de mens
in deze levensfase.
Wij zien dan mensen in dezelfde fysiek veeleisende banen
te zamen met twintig- en dertigjarigen, zonder dat er re-
kening mee wordt gehouden dat de oudere veel meer van zijn
. energie zal moeten verbruiken dan de jongere om hetzelfde
te verrichten.
— De kwaliteiten van visie en sociale vaardigheid worden in
het management maar matig gehonoreerd. Rationele intelli-
gentie en het autoritaire leiderschap worden gewoonlijk
veel hoger aangeslagen.
Dit leidt vaak tot een vervroegd "af danken" van de vijf-
tigjarigen en dit heeft op zijn beurt weer een verharding
van de levenssfeer in de organisatie tot gevolg.
ied
56-635 jaar. Gedurende deze Jaren begint de mens langzamer-
hand terug te zien op zijn (werk-)leven en gaat hij de reke-
ning daarvan opmaken. Ook hiervan kan weer een nieuwe impuls
uitgaan. Men vraagt zich af: "Wat zou ik nu nog kunnen
doen?" De wereld om zich heen en in zich zelf beschouwende
tracht de mens de balans op te maken van wat bereikt werd en
van wat onvervuld bleef,
Gevaar. Een zekere hopeloosheid ten aanzien van het niet-be-
reikte. Men kan hier onderuit komen door om zich heen te
zien en de noden van "de ander" te herkennen.
65-70 jaar. In deze leeftijdsfase trekken de meeste mensen
zich meer en meer terug. De organisatie zou deze mensen kun-
nen helpen zich voor te bereiden op een leven zonder het
concern, zonder het regelmatige werkleven en de status die
dit met zich meebrengt.
Als de pensioengerechtigde leeftijd nadert, kan men nog veel
bevrediging vinden in een goede “overdracht aan de opvolger
en in het nuttig zijn op de achtergrond,
Vaak wordt de essentie van een mensenleven pas na zijn dood
duidelijk zichtbaar voor hen die hem na stonden. Wij over-
zien dan dat leven in zijn totaliteit en ervaren -— als een
melodie — het unieke van deze persoonlijkheid. De eerbied,
die wij soms voelen voor wat een mens met zijn leven tracht-
te te bereiken, heeft veel weg van de eerbied waarmee wij
het beginnende leven van de jonggeborene aanschouwen.
COPYRIGHT NPI