NPI - Instituut voor Organisatie Ontwikkeling
syllabus: 5175.909
AB/J0
OORDEELSVORMING IN GROEPEN
Vergaderen als "agrarische bezigheid"
Wanneer men in het jaarbeursgebouw of in een ander vergader-
centrum op het mededelingenbord kijkt is men steeds weer
verbaasd over het aantal groepen dat voor een vergadering
bijeenkomt: federatie van Gelderse banketbakkers, gilde van
honkbalscheidsrechters, commissie ad-hoc voor het diepvries-
wezen, vereniging van voorzitters van wit-gele kruisvereni-
gingen, enz.
Wij willen ons niet bezighouden met de vraag, waarover al
deze mensen spreken met elkaar. De samenleving wordt steeds
ingewikkelder en er moet steeds meer worden onderzocht, af -
gestemd en samengewerkt.
De bloemlezing op het verwijsbord in het vergadercentrum zou
nog moeten worden aangevuld met het duizendvoudig politiek
en ambtelijk overleg in overheidsinstellingen, met af de-
lingsbesprekingen, directievergaderingen en werkoverleg in
produktie-organisaties, met "inspraak-toestanden!" in univer-
sitaire gemeenschappen en zo meer.
Wij willen ons bezighouden met de vraag hoe al deze vergade-
ringen verlopen. Wie beroepshalve veel vergaderen moet of
als adviseur vergaderende groepen aan het werk ziet, kan
zich daar wel een voorstelling van maken.
Over het algemeen is de inhoudelijke diepgang onbevredigend,
de samenwerking niet echt creatief en derhalve de Wuitkomst"
beneden de maat, althans dat zijn de geluiden die men veelal
van de deelnemers opvangt, wanneer zij zich aan een vluch-
tige beoordeling wagen.
De oorzaken zijn vele. Het begint er al mee, dat op scholen
(nog) te weinig wordt gedaan aan de ontwikkeling van sociale
vaardigheden en vergadertechniek.
Voorts kan het zijn, dat samenstelling, opdracht en bevoegd-
heden van een commissie zo zijn, dat daarbinnen ook nauwe-
lijks een bevredigend resultaat te verwachten is.
Ook is het mogelijk, dat er tussen de leden van de groep
persoonlijke spanningen bestaan die het moeilijk maken tot
een zakelijk gesprek te komen.
Valekenboschlaan 8, Postbus 299, 3700 AG Zeist, Telefoon 03404-20044, Fax 03404-12770.
Het gebruikelijke besluitvormingsmodel
Aan al deze mogelijke oorzaken willen wij in dit artikel
voorbijgaan. Wij willen het zoeklicht richten op het proces
van besluitvorming. Welke voorstellingen leven daarover bij
de betrokkenen?
De literatuur over probleemoplossing en besluitvorming is zò
uitgebreid en heeft in populaire vorm zo'n verbreiding ge-
kregen via leergangen, "succes'"-cursussen en instructie-
boekjes voor discussieleiders, dat de meeste "vergaderaars"
er wel kennis van hebben genomen.
Wat houdt deze kennis in? Wat zijn de gangbare gedachten
over het proces van besluitvorming en probleemoplossing?
Wanneer men de literatuur, waaruit deze voorstellingen stam-
men doorneemt, is er vrijwel geen auteur die dit proces niet
beschrijft als een proces in stappen. Deze stappen worden
over het algemeen benoemd als: probleem-stellen, informatie
verzamelen, mogelijke oplossingen bedenken, deze tegen maat-
staven afwegen, keuzen maken, regelen van de uitvoering.
Kort samengevat zijn al deze theorieën variaties op het
grondthema beeldvorming, oordeelsvorming, besluitvorming
(zogenaamd drie-fasen-model).
Bij nader onderzoek blijkt, dat vrijwel alle auteurs aankno=
pen bij het model van Dewey ("How we think", 1911). Zijn
model is rechtstreeks te herleiden tot de regels van de
logica en de redeneerkunst, door Aristoteles (4e eeuw voor
Chr.) opgesteld door Thomas van Acquino (15e eeuw na Chr.)
verder uitgewerkt. Het is opvallend dat die auteurs die zich
niet tevreden hebben gesteld met het kritiekloze overnemen
van dit model, maar die zijn gaan kijken hoe in de werke-
lijkheid (ook goed geslaagde) besluitvormingsprocessen ver-
lopen, dit model niet hebben kunnen terugvinden, noch in
zijn oorspronkelijke logische rechtlijnigheid noch in zijn
latere varianten, waarbij allerlei "terugkoppelingslussen"
zijn ingebouwd.
Wij willen in het volgende proberen uit de ervaring van
overleggroepen het besluitvormingsproces op een nieuwe ma-
nier - een sociaal-ecologische - te benaderen. Op de geldig-
heid van het 3-fasen model komen wij in de loop van dit ar-
tikel nog terug.
Drie soorten gevoelens als begin
Wanneer wij op zoek gaan naar datgene wat een gesprek op
gang brengt dan zijn het altijd gevoelens. Bij voorbeeld ge-
voelens van sympathie en antipathie. Veel gesprekken ontle-
nen hun betekenis aan het feit dat mensen bijeenkomen en
elkaar wederzijds hun gevoelens mededelen, meestal gekleed
in oordelen over andere mensen en zaken (het weer is daarvan
de meest onschuldige).
Er hoeft niets beslist of opgelost te worden. Het gesprek
heeft nauwelijks een begin of een eind. Er is ook geen
resultaat (wat niet zeggen wil dat juist dit soort gesprek-
ken niet van grote betekenis is voor het sociaal-politieke
leven! ).
In dit artikel zullen wij echter dit soort gesprekken buiten
beschouwing laten.
Een ander gevoel dat een gesprek in beweging kan zetten is
een gevoel van verbazing: "Waarom is de hemel blauw?" “Waar
komt inflatie eigenlijk vandaan?"
Van oudsher vindt alle wetenschap haar oorsprong in verba-
zing en verwondering. Men neemt een verschijnsel waar en
vindt niet het bijbehorend begrip. Er ontstaat een gevoel
van "onafheid". De wetenschapper gaat op weg tot hij een
bevredigend antwoord heeft gevonden. Wat bevredigend is,
hangt af van zijn wetenschappelijke streven en van het ver-
band waarin de vraag opduikt. Ook een eenvoudiger geest dan
een wetenschapper kan deze kenweg bewandelen. Een lichte
verwondering waarom Kees niet op de vergadering was (“hij is
anders zo trouw") geeft hem aanleiding tot het stellen van
enige vragen. Hij trekt daaruit zijn conclusie en is even-
tueel bevredigd.
Een gevoel van verbazing geeft aanleiding tot het stellen
van een kenvraag. Deze kenvraag kan aanleiding zijn tot het
afleggen van een kenweg die eindigt in een gevolgtrekking,
in verworven inzicht ("nu weet ík waarom Kees niet op de
vergadering is", "nu weet ik waarom de hemel blauw is").
&—_— Kenweg Gevoel van verbazing
Een derde soort gevoel is een gevoel van beklemming. Men be-
leeft zich zelf in een situatie die onbevredigend is, die
veranderen moet: "We halen de geplande omzet niet", "het
budget wordt overschreden", "dat conflict tussen die twee
afdelingen kan zo niet blijven slepen". Men moet handelen,
maar weet niet hoe of wat. Een gevoel van beklemming geeft
aanleiding tot het stellen van een keuzevraag. Deze keuze-
vraag kan aanleiding zijn tot het af leggen van een keuzeweg
die eindigt in een besluit ("nu is het duidelijk, hoe wij de
planning moeten halen, wat wij moeten doen om binnen het
budget te blijven, welke actie nodig is om het conflict te
beslechten").
Gevoel van beklemming Keuzeweg —___——>
De beschouwing tot nu toe heeft ons een inzicht opgeleverd,
dat voor een overlegsituatie ook van praktisch belang is:
Het onderscheid tussen twee verschillende soorten vraagstel-
lingen (een kenvraag en een keuzevraag), voortkomende uit
twee verschillende soorten gevoelens (een gevoel van verba-
zing en een gevoel van beklemming) en uitmondend in twee
verschillende soorten resultaten (een inzicht hoe iets is en
een besluit hoe iets veranderen moet).
De betekenis van de keuzeweg voor de kenweg
Wij willen nu een stap verder gaan en onderzoeken hoe de
beide wegen zich tot elkaar verhouden. De vraag ligt immers
voor de hand: worden er op de kenweg geen keuzen gemaakt en
moeten beslissingen niet op inzicht berusten? Beide vraag-
stellingen hebben onmiddellijke praktische betekenis.
De vraag naar de betekenis van de keuzeweg voor de kenweg
leidt ons naar het gebied van de kennistheorie. Iedere
wetenschapper krijgt te maken met keuzeproblemen.
Zijn vraagstelling zelf houdt al een keuze in: en achter die
keuze gaat een reden schuil die hem ertoe bracht zijn vraag
te stellen. Is die reden oprechte verbazing en echte inte-
resse, dan bestaat de mogelijkheid dat de kenweg eindigt in
“objectief” inzicht. Het kan ook zijn, dat de onderzoeker
hele persoonlijke bedoelingen heeft met zijn vraagstelling:
Hij wil met de zaak eigen voordeel nastreven, hij wil een
vooropgezette theorie bewijzen, hij wil een bepaalde poli-
tiek ontzenuwen. In die gevallen zal hij weinig over de zaak
zelf te weten komen. '
De andere betekenis van de keuzeweg bij het gaan van de ken-
weg is de keuze van de onderzoekmethode. Welke hulpmiddelen
worden gebruikt, hoe wordt het onderzoeksterrein ingeperkt,
welke waarnemingen worden van betekenis geacht? De keuze van
de methode is in hoge mate bepalend voor de uitkomst van het
onderzoek.
Een kwantitatieve vraagstelling ("hoeveel belasting ver-
draagt dit materiaal") leidt tot een technische proefopstel-
ling. Die geeft een antwoord dat van dezelfde aard is als de
vraagstelling aan het begin. Dit leidde de fysicus
Heisenberg ertoe te zeggen, dat de moderne natuuronderzoeker
nauwelijks meer met de natuur in aanraking komt. Hij neemt
alleen nog maar zijn eigen instrumenten waar!
De gevolgtrekking tot zover is, dat overal waar een kenweg
wordt gegaan op zoek naar inzicht, de keuzeweg ons ongemerkt
begeleidt in de vorm van het onderzoeksdoel (zich uitdruk-
kend in de keuze van de vraagstelling) en van de keuze van
de onderzoek-methode. Voor de onderzoeker zelf is dit in-
zicht van belang: hij zal trachten zich bij het gaan van de
kenweg bewust te zijn van alle keuzen die hij onderweg
maakt. Maar ook voor degene die kennis neemt van de resulta-
ten van wetenschap heeft dit inzicht zijn betekenis: Hij zal
zich afvragen in welke maatschappelijke en persoonlijke
samenhang een vraagstelling is ontstaan en volgens welke
methode en onder welke voorwaarden bepaalde inzichten tot
stand zijn gekomen.
Wanneer men b.v. weet wat het voor de sociale onderzoeker
Kurt Lewin betekend moet hebben als Jood te moeten wijken
voor het oprukkend autoritaire regime van het derde rijk,
kan men begrijpen hoe zijn leiderschapsvraagstelling tot
stand kwam en wekt het geen verbazing, dat het democratisch
leiderschap het beste uit de bus kwam. Bovendien is het goed
om te weten dat hij zijn proeven deed met schoolkinderen.
Bij het overbrengen van de gevolgtrekkingen naar volwassenen
in het bedrijfsleven moet men dan wel oppassen. Datzelfde
geldt voor Skinner, die zijn proeven neemt met hongerige
duiven en ratten. Welke geldigheid hebben zijn gevolgtrek-
kingen onder welke omstandigheden voor mensen?
De betekenis van de kenweg voor de keuzeweg
De volgende vraag die ons bezig zal houden is die naar de
betekenis van de kenweg voor de keuzeweg. Deze vraag ligt
ons meer omdat onze samenleving nu eenmaal meer handelend
dan beschouwend is ingesteld. We zijn allemaal de hele dag
erg druk bezig en moeten daarbij voortdurend doelen stellen
en middelen kiezen om die te bereiken. De vraag duikt daar-
bij steeds op of wij wel met werkelijkheidszin bezig zijn,
of de plannen die wij ontwerpen wel aansluiten bij de situa-
tie waarin zij verwerkelijkt moeten worden: "Is er wel vol-
doende geld, is deze maatregel wettelijk mogelijk, kan die
zaal zoveel mensen verwerken, heeft déze ingreep dat ef-
fect?!
Op elk moment in een vergadering duiken dergelijke vragen op
en daarmee de noodzaak de kenweg een eindje te bewandelen,
tot men voldoende inzicht heeft, b.v. in de situatie of ín
de beschikbare middelen, om verder te gaan met het toekomst
gerichte keuzegesprek.
De gevolgtrekking tot zover is, dat overal waar een keuzeweg
wordt gegaan, uitmondend in besluiten, de kenweg ons onge-
merkt begeleidt in de vorm van het situatiebeeld dat wij met
ons meedragen.
Ook dit inzicht heeft naar twee kanten praktische beteke-
nis. De deelnemers aan een gesprek kunnen door dit inzicht
met meer bewustzijn tijdens het gesprek stukjes kenweg in-
lassen, waarbij men gezamenlijk een beeld tracht te maken
van de situatie waarin men verkeert. Het werkt zeer verwar-
rend in een besluitvormend gesprek wanneer sommige leden
steeds weer informatieve en situatieverhelderende vragen
stellen of wanneer tijdens een situatieverhelderend tussen-
gesprek andere leden onderbreken door te zeggen, dat het
hier geen studie-club is en dat er "besluiten moeten worden
genomen". Een besluit-gerichte groep die, uit inzicht in het
verschil tussen de kenweg en de keuzeweg beide wegen afwis-
selend en als groep bewandelt zal sneller tot betere beslui-
ten komen. Ook degene die te maken krijgt met het resultaat
van een beslissingsproces - een besluit - kan zijn voordeel
doen met dit inzicht. Hij weet dat elk besluit genomen wordt
tegen de achtergrond van een meer of minder bewust en meer
of minder waar beeld van de situatie waarin dat besluit ver-
werkelijkt moet worden. Hij zal trachten dit situatiebeeld
achter het besluit te pakken te krijgen en ze beide steeds
in samenhang te zien.
We kunnen het antwoord op de vraag naar de samenhang tussen
de kenweg en de keuzeweg als volgt samenvatten: zowel bij
gesprekken die via de kenweg tot inzicht komen, als bij ge-
sprekken die via de keuzeweg tot besluiten leiden, worden
in feite beide wegen bewandeld. Het kenproces wordt begeleid
door een voortdurende keuze m.b.t. het onderzoeksdoel en de
methode, het keuzeproces wordt begeleid door een steeds aan-
wezig situatiebeeld en de verklaringen die men daarvoor
heeft.
Voor degenen die in het proces staan kan dit inzicht aanlei-
ding zijn zieh van tijd tot tijd bewust en gemeenschappelijk
af te vragen welke onuitgesproken keuzen zij in het kader
van hun kenproces gemaakt hebben, of wel welke onuitgespro-
ken situatiebeelden zij in het kader van hun besluitvorming
op de achtergrond hebben staan. Voor degene die te maken
krijgt met de resultaten van een van beide wegen kan dit in-
zicht aanleiding zijn zich bewust af te vragen vanuit welke
onderzoeksdoelstellingen bepaalde gevolgtrekkingen zijn ge-
maakt en tegen welke situatie-achtergrond bepaalde beslis-
singen te begrijpen zijn.
De beweging op de kenweg
We hebben tot nu toe gesproken over de samenhang van ken- en
keuzeweg. We hebben gezien, dat het spanningsveld tussen
beide het proces van oordeelsvorming in beweging brengt. We
willen nu onze blik wenden tot de ken- en keuzeweg in engere
zin en de vraag stellen of daar ook sprake is van een inwen-
dig spanningsveld waaraan het proces zijn voortgang ont-
leent.
Kijken we eerst naar de kenweg. Hoe verloopt het kenproces?
Het begint met een gevoel van verbazing dat leidt tot een
vraag in de trant van "waarom zijn de bananen krom"? Elke
wetenschapper weet dat een dergelijke vraag aanleiding geeft
tot twee soorten activiteiten. De ene begint bij de waarne-
ming en het verzamelen van feitenmateriaal: bananen in al-
lerlei graden van kromheid, in diverse groeistadia, uit ver-
schillende landen en geoogst in uiteenlopende jaren. De an-
dere weg begint bij het denken dat relevante begrippen (ka-
ders) zoekt: de bananen trekken krom door de zon, of: de
bananen zijn krom doordat de tros aanvankelijk groeit als
een bolle vrucht. De ene activiteit roept de andere op èn
heeft deze tot voorwaarde: Het waarnemingsmateriaal vraagt
om ordenende begrippen, het begrippenkader moet met waarne-
mingsmateriaal worden gevuld.
Nieuwe ervaringen vragen om de ontwikkeling van nieuwe be-
grippen. Nieuwe begrippenkaders vragen om uitbreiding van
het waarnemingsveld. Zo groeit inzicht uit een wisselwerking
tussen waarnemen en denken, tussen waarnemingsmateriaal en
ordenende begrippen.
waarnemingen
begrippen
De beweging op de keuzeweg
Eenzelfde beweging maakt een gesprek dat zich op de keuzeweg
bevindt. Er is een gevoel van beklemming, b.v. doordat men
niet tot een keuze kan komen waarheen met vakantie te gaan
terwijl men er wel aan toe is. Een gesprek met een vriend,
die om raad wordt gevraagd kan wederom twee kanten uitgaan.
In het ene geval zal de raadgever een aantal concrete voor-
stellen doen. Daaraan zal de vraagsteller zich bewust worden
wat hij eigenlijk zoekt (natuur of cultuur, eenzaamheid of
gezelligheid, rust of avontuur). In het andere geval zal de
raadgever hem een aantal principiële doelstellings-vragen
stellen om erachter te komen wat hij nu eigenlijk zoekt (na-
tuur of cultuur, enz.). Daarna kan de vraagsteller gerichter
een vakantieprogramma in elkaar zetten.
Het keuzeproces speelt zich af in het spanningsveld van doe-
len en middelen. Het formuleren van doelen maakt het kiezen
van middelen mogelijk. Het noemen van mogelijke oplossingen
is een hulp bij het bewust worden van de —- vaak weinig be-
wust -— nagestreefde doelen. Het keuzeproces dat leidt tot
een besluit speelt zich af in de wisselwerking tussen mid-
delen en doelen.
Samenvatting in sociaal-ecologische zin
We zijn nu zover gevorderd, dat het veld waarin zich pro-
bleemoplossing en besluitvorming afspelen in kaart is ge-
bracht. In het eerste deel van dit artikel kwamen we tot de
onderscheiding van de kenweg en de keuzeweg. Ieder met hun
eigen resultaat: inzicht of wel actieplan.
In het tweede deel van dit artikel ontdekten we dat beide
wegen hun beweging ontlenen aan een intern spanningsveld van
waarnemingen en begrippen enerzijds, doelen en middelen an-
derzijds.
Beide wegen vinden hun oorsprong in een vraag, die altijd
aan mensen gebonden is.
waarnemingen doelen
B D
persoon
besluiten
inzichten of
groep
met een vraag
C E
begrippen middelen
St
KENWEG KEUZEWEG
Uit deze beschouwingen — resultaat van ervaringsonderzoek -—
rijst een geheel ander beeld op van het proces van probleem-
oplossing en besluitvorming dan aan het begin van dit arti-
kel toen wij het rechtlijnige fasen-model van Dewey noemden,
waarop vrijwel alle gangbare literatuur stoelt.
Het beeld dat oprijst is dat van de boer die het groeimilieu
voor zijn zaad verzorgt. Hij kan het zaad zelf niet laten
ontkiemen, maar hij kan wel de voorwaarden verzorgen waaron-
der dit mogelijk is. Hij moet letten op de minerale samen-
stelling en dé structuur van de bodem, hij moet de water-
huishouding regelen, hij moet zorgen voor voldoende lucht en
licht en ten slotte moet hij de warmte in de gaten houden.
En dat doet hij niet eenmalig. Gedurende het hele groeipro-
ces van het zaad is hij bezig aarde, water, lucht, licht en
warmte zo met elkaar in evenwicht te brengen, dat een ideaal
groeimilieu voor het zaad ontstaat.
Op een dergelijke wijze, met een zelfde grondhouding, zouden
de deelnemers aan een overleggroep ook bezig moeten zijn.
Zij moeten het milieu verzorgen waarin het zaad van de vraag
kan groeien en rijpen tot de vrucht van het antwoord. Daar-
voor is nodig, dat er voldoende harde feiten als uitgangs-
punt zijn, dat er voldoende denklicht aanwezig is om al deze
verschijnselen in een zinvolle samenhang te zien, dat er
doelstellingen en streefrichtingen zijn waar de groep warm
voor loopt en beweeglijke middelen en wegen, die deze doelen
helpen verwerkelijken. Alleen door het totale milieu even-
wichtig te verzorgen, zullen krachtige, voedzame vruchten
rijpen.
Wanneer men tracht te beschrijven welke vormverandering het
zaad van de vraag ondergaat op zijn weg tot de rijpe vrucht
van het antwoord (zij het inzicht of besluit) rijst opnieuw
het beeld van een gefaseerd proces op. Zoals eerst de blade-
ren zich moeten ontplooien voor er van bloemen sprake kan
zijn (de natuur maakt altijd uitzonderingen!) en deze een
voorwaarde zijn voor vruchtvorming waarin het nieuwe zaad
verborgen ligt, zo is ook het vormveranderingsproces van
vraag naar antwoord gefaseerd.
De weg waarlangs de individuen in een groep tot een groeps-
denken, vervolgens tot een groeps-voelen en ten slotte tot
een groeps-willen komen (niet alleen een besluit maar ook
een inzicht moet men willen!) kan men beschrijven in termen
van beeldvorming, oordeelsvorming en besluitvorming. Het
hoeft geen betoog na al het voorgaande, dat deze begrippen
een hele andere inhoud hebben dan in het logisch-rechtlij-
nige model van Dewey.
10,
Eenzijdige gesprekstypen
In de levende werkelijkheid van concrete werkgesprekken zul-
len eenzijdigheden voorkomen, zullen “milieu-factoren!" wor-
den vergeten of overtrokken. We zullen in het navolgende een
aantal van zulke eenzijdigheden uit de praktijk beschrij-
ven. Ze hebben hun positieve betekenis als gespreksgedeel-
te. Blijven ze een heel gesprek beheersen dan ontstaat er
geen milieu waarin iets vruchtbaars kan gedijen. Wie zulke
gespreksgedeelten in hun type herkent zal ze weten te waar-
deren, maar ze ook tijdig weten aan te vullen. In het vorige
hoofdstuk hebben wij de vier milieu-factoren met letters be-
noemd: B (waarnemingen), C (begrippen), D (doelen) en E
(middelen). Met de letter A duiden we de gespreksdeelnemers
aan die zich, uitgaande van hun vraag, met hun bijdragen
door de vier velden heen bewegen. Wanneer we nu gespreks-
typen karakteriseren door het overheersen van twee factoren,
zijn er theoretisch 6 combinaties mogelijk:
BC, DE, CD, BE, BD en CE.
We zullen ze, paarsgewijs, na elkaar bespreken.
Het type-paar BC-DE: onderzoekend — ondernemend
i
se
ie
Over de tegenstelling tussen de kenweg (BC) en de keuzeweg
(DE) hebben we reeds gesproken. De tegenstelling komt tot
uitdrukking in de gerichtheden waarmee aan een gesprek wordt
deelgenomen. Deze tegenstelling kan worden teruggevonden,
zowel in mensentypen alsook in soorten bijdragen van mensen
en groepen in een organisatie. De tegenstelling is te karak-
teriseren als beschouwend -— besluitend of wel onderzoekend -—
ondernemend.
Het onderzoekende type (BC)
11.
De kenweg verloopt als ritme tussen waarnemingen en begrip-
pen: waarnemingen worden door het denken verwerkt (we noemen
dat inductief), begrippen worden aan de feiten getoetst (we
noemen dat deductief). Dit gesprekstype wordt door twee
soorten probleemstellingen in beweging gebracht. Het ene
soort (AC) is de behoefte om de waarneming te begrijpen in
het licht van een begrip. De startvraag is van het type
"waarom is de hemel blauw"? Men staat voor een ondoorzichtig
verschijnsel en probeert het bijbehorende begrip te vinden,
de theorie die het verschijnsel verklaart. Het andere soort
probleemstelling, dat een onderzoekend gesprek in beweging
brengt, (AB) is de behoefte om een begrip te herkennen in de
zintuiglijke werkelijkheid. De startvraag heeft te maken met
een begrip, een conceptie waarvan men het waarheidsgehalte
heeft aangevoeld maar die men wil "vullen" met waarnemings=-
materiaal, wil toetsen aan de zintuiglijke ervaring.
Alle wetenschappelijke arbeid wordt door deze twee probleem-
stellingen op gang gebracht en gehouden: hoe kunnen wij een
begrippenkader ontwikkelen dat de feiten doorzichtig maakt
en hoe kunnen we de waarnmingen zo ordenen dat de begrippen
herkaanbaar worden?
Het ondernemende type (DE)
De keuzeweg verloopt als ritme tussen doelen en middelen:
doelstellingen worden verwerkt tot praktische procedures,
middelen worden getoetst aan de daarmee (al of niet) te be-
reiken doeten.
Dit gesprekstype wordt door twee soorten probleemstellingen
in beweging gebracht.
Bij het ene soort (AE) heeft men zich een doel gesteld en
men zoekt wegen waarlangs dit doel kan worden bereikt, Klem-
situaties ontstaan wanneer het bereiken van gestelde doelen
in gevaar wordt gebracht. Men zoekt naar andere en betere
middelen.
Bij het andere soort probleemstelling (AD) ziet men zich in
een situatie geplaatst en zoekt doelen die daarin of daarmee
kunnen worden verwerkelijkt.
Wij vinden deze vraagstellingen als grondhouding van twee
zeer verschillende ondernemerstypes.
Het ene type is pionier-achtig. Hun wil wordt gericht door
één dragende idee. Deze idee werkt als een scheppende en or-
denende kracht waardoor zij stap voor stap tot verschijning
komt.
12
Het andere type kijkt met een soort ongerichte wil naar de
situatie en vraagt zich af: "Wat voor kans biedt deze situa-
tie, wat zou ik hier kunnen, willen?" (Vinden we het ene
type meer in het industriële, het andere meer in het commer-
ciële?)
Het type-paar BC-DE brengt het wezenlijke verschil tussen
"de denker en de doener" tot uitdrukking.
Een denker stelt een denkvraag (C) aan een gebeurtenis ("Hoe
kan ik dit begrijpen?") en daardoor krijgt deze waarnemings-
karakter (B). Hij slaat de kenweg in en komt eventueel tot
inzicht. De doener stelt aan precies dezelfde gebeurtenis
een doelvraag (D, "wat kan ik hier doen?") en daardoor
krijgt deze een middel-karakter (E). Hij slaat de keuzeweg
in en komt eventueel tot een actie-plan.
Peter Drucker heeft in dit verband gewezen op het verschil
tussen problemen oplossen en het grijpen van een kans. Hij
zet zich af tegen probleemoplossers die aan hun norm vast -
houden en slechts de afwijking corrigeren. In het gunstigste
geval hebben zij de oude situatie hersteld. Van enige ver-
nieuwing is echter geen sprake. Misschien passen zij de
doelstelling aan, maar dat getuigt van niet minder recht-
lijnigheid in hun handelswijze.
Drucker wijst op de mogelijkheid om elke storing, elke af-
wijking van de norm, elke onverwachte gebeurtenis (tot en
met een oliecrisis!) te zien als een kans, als een opening,
als een mogelijkheid voor een initiatief. Een eenzijdige be-
nadering van een keuzeweg uit D kan leiden tot bezetenheid,
uit E tot stuurloze aanpassing.
De ideale keuzeweg vindt haar beweging in een combinatie van
beide. In een onderneming zijn bij voorbeeld op velerlei ge-
bied streefrichtingen geformuleerd in de vorm van verkoopbe-
leid, financieel beleid, personeelbeleid, produktiebeleid.
Een kapotte machine, een nieuwe uitvinding, een sterfgeval,
een stagnerend produkt, een niet gehaald budget, elke ge-
beurtenis kan gebruikt worden om op één of meer van deze
doelstellingsgebieden een stap voorwaarts te zetten.
Het type-paar CD-BE: abstract -— concreet
<7
Zowel de verschijnselen die wij in de situatie waarnemen (B)
als de middelen die wij bedenken om doelen te bereiken (E)
zijn concreet, "hard!, gedetailleerd te beschrijven. In deze
135,
gebieden bestaat het gevaar zich in de veelheid te verlie-
zen, door de bomen het bos niet meer te zien.
Daarentegen hebben zowel begrippen (C) als algemene doel-
formuleringen (D) iets abstracts, "ijls", algemeens. In deze
regionen bestaat het gevaar alle contact met de realiteit te
verliezen. Door het bezig zijn met het “wezen van het bos"
ziet men geen concrete bomen meer.
Daarom hebben wij voor dit type-paar de benaming "“"abstract-
concreet" gekozen.
Het abstracte type (CD)
Bij het vorige type-paar werd reeds duidelijk, dat één van
de twee zonder de ander niet levensvatbaar is. Dat is eerst
recht het geval bij de type-paren waarbij elk van beide
types elementen van de kenweg èn van de keuzeweg in zich
draagt.
Een "abstracte" gespreks-periode is echter van grote beteke-
nis. Zo'n periode is gericht op het zoeken naar leidende
begrippen die de situatie doorzichtig maken en het handelen
kunnen richten. Dat het hierbij om dezelfde begrippen kan
gaan, drukt de taal daarin uit, dat zij voor de hoogste
denkinhoud (C) en voor de hoogste doelformulering (D) vrij-
wel hetzelfde woord gebruikt: idee en ideaal!
Lang kan men zich echter op deze hoogte niet ophouden. Ge-
beurt dat wel dan kunnen zulke gesprekken een dwingend
karakter krijgen: op grond van een abstract begrippenkader
wordt een blauwdruk voor de toekomst gemaakt of worden uit-
gangspunten voor een aantal maatregelen geformuleerd. Hoe
ongeschakeerder en eenzijdiger de begrippen, met des te meer
kracht worden de toekomsteisen gesteld. Wij komen dergelijke
neigingen tegen bij mensen die - haast dwangmatig — alle
verschijnselen met één begrip in samenhang brengen en van
daaruit al hun handelen richten.
Voorbeelden zijn de geslachtsdrift, de macht, de Joden, het
particulier bezit van produktiemiddelen en zo meer.
Een historisch klassiek voorbeeld is de Romeinse senator
Cato, die meende dat alle problemen in het Romeinse rijk wa-
ren terug te voeren op het bestaan van de stad Carthago.
Vandaar dat hij de vernietiging van deze stad tot opperste
doelstelling verhief en elke toespraak in de senaat — over
welk onderwerp dan ook -— eindigde met de woorden: 'ceterum
censeo Carthaginem esse delendam' (overigens ben ik van
mening dat Carthago moet worden vernietigd).
Ean IN
14.
Een schijnbaar onschuldige, maar voor een gesprek vaak zeer
storende variant van dit type is het "samenvatten" van een
gesprek in een aantal frase-achtige belerende conclusies
(die in hun algemeenheid niet zijn te ontkennen, maar geen
resultaat zijn van de wisselwerking met de feiten) of het
uitzicht” geven op de toekomst met een aantal moraliserende
streefrichtingen waar niemand neen tegen kan zeggen, maar
die geen houvast bieden voor het handelen van deze groep.
Zulke CD-achtige bijdragen of gespreksgedeelten kunnen ver-
lammend werken. Zij bieden geen echt zicht, zij motiveren
niet, maar geven ook geen houvast voor weerwerk.
Het abstracte gesprek wordt door twee soorten probleemstel-
lingen in beweging gebracht. Daar dit type elementen van de
kenweg èn de keuzeweg in zich draagt moeten we bedacht zijn
op onechte probleemstellingen.
Bij het eerste soort probleemstelling (AD) is men overtuigd
van de waarheid van bepaalde begrippen en vraagt zich af wat
voor doelen men daaruit kan formuleren. Is er echter wel
sprake van een echte klemsituatie?
Bij het andere soort probleemstelling (AC) heeft men bepaal-
de doelen gesteld en zoekt hiervoor bevestiging in een be-
grippenkader. Is er echter wel sprake van een echte belang-
stelling?
Door het "gemengde" karakter van dit gesprekstype heeft het
alleen levensvatbaarheid als gespreksgedeelte in het kader
van een gesprek dat door een keuzeprobleem wordt gericht. In
dat kader vindt een "abstract" gespreksgedeelte zijn beteke-
nis in het feit, dat het gesprek er een verankering door
krijgt in het denken. Van daaruit kunnen — in samenhang -—
zicht op de situatie èn zicht op het handelen ontstaan.
Het concrete type (BE)
Het concrete type speelt zich af in de sfeer van de harde
feiten en de concrete maatregelen. Het is zakelijk en prak-
tisch, maar heeft het gevaar tot oeverloos uitdijen. In de
wereld van de waarneming kan men alle kanten op. In het oer-
woud van ter beschikking staande informaties en mogelijke
oplossingen kan een groep licht verdwalen.
Het type is gekenmerkt door een kortsluiting van feiten en
maatregelen, waarbij de feiten niet door het denken begrepen
worden en de doelen meestal onuitgesproken bekend worden
verondersteld.
15.
Wanneer men de literatuur bestudeert over besluitvorming in
gevechtssituaties, valt op dat er eigenlijk steeds sprake is
van een kortsluiting tussen de situatie en de middelen. De
doelen liggen meestal vast: oorlog winnen, heuvel X verove-
ren, vijand vernietigen. Het gaat om het kiezen van de mid-
delen op grond van een aantal situatiegegevens: positie van
de vijand, omstandigheden van het terrein, beschikbaarheid
eigen materieel. Waar het bedrijfsleven zeer vechtlustig is
ingesteld (produktieslag winnen, marktveroveringsstrategie
opzetten, concurrent vernietigen), is het niet verwonderlijk
dat wij dit soort gesprekken hier vaak aantreffen. Dit ge-
sprekstype als houding kan leiden tot het zogenaamde ‘go-
stop-management' waarbij men zich zonder doel of beleid laat
leiden door de situatie: goede winst: investeren; verlies:
alle research stopzetten!
Ook dit gesprekstype wordt door twee soorten probleemstel-
lingen in beweging gebracht. Zij leiden tot twee veel voor-
komende gesprekstypen.
De beginvraag (AE) voor het ene type is: "Welke maatregelen
moeten wij nemen om deze verschijnselen uit de wereld te
helpen?" Zolang men weet dat dit soort probleemstellingen
kan leiden tot een op korte termijn wegwerken van de ver-
schijnselen is er niets tegen. Het is in vele situaties
noodzakelijk èn doelmatig. In andere echter niet. In het
plannen maken voor de toekomst is een van de centrale vragen
(zou het moeten zijn): "Wat aanvaard ik als feit?" Te vaak
worden ontwikkelingslijnen uit het verleden eenvoudig door-
getrokken en als uitgangspunt voor het toekomstig handelen
genomen. Bij voorbeeld: de jaarlijkse auto-toename is ZO,
dat wij met zekerheid kunnen aannemen dat er in het jaar
2000 X-miljoen auto's zullen zijn. Wij moeten dat als feit
aanvaarden. Rest ons alleen de uitvoeringsvraag: hoe maken
wij een aangepaste wegenbouwplanning? De auto-toename wordt
beschouwd als een soort natuurwet waarop alleen reactie mo-
gelijk is. Die reactie vindt bovendien nog plaats tegen de
achtergrond van de vanzelfsprekende doelstelling dat al die
auto's ook moeten kunnen rijden! Op deze wijze is het BE-
type levensgevaarlijk!
De beginvraag (AB) voor het andere type probleemstelling in
een concreet gesprek is: "Past deze oplossing in de situa-
tie?" Terecht worden uitvoeringsprocedures (E) niet alleen
getoetst aan de doelen die ermee moeten worden verwerkelijkt
(D), maar ook aan de situatie waarin dat moet gebeuren (B).
De zojuist geformuleerde probleemstelling geeft aanleiding
tot een gespreksgedeelte waarin vanuit de gevonden middelen
wordt terug gekeken naar de situatie. Praktische (Con)moge-
lijkheden geven eventueel aanleiding tot het vinden van aan-
gepaste middelen. Het gevaar dat bij deze probleemstelling
optreedt wordt duidelijk uit het verhaal van Mr. Morgan die
een bepaalde transactie wilde verrichten en zijn jurist de
16,
opdracht gaf uit te zoeken hoe dat het beste kon. De jurist
kwam terug met de mededeling dat de huidige wetgeving een
dergelijke transactie niet toeliet. Daarop werd Mr. Morgan
bijzonder boos en zei: "Ik heb je niet gehuurd om me te ver-
tellen wat er allemaal niet kan, maar om te vertellen hoe ik
het doen moet."
Dit voorbeeld is kenmerkend voor de laatstgenoemde probleem-
stelling. Men beraamt maatregelen en gaat na of de situatie
de voorwaarden voor verwerkelijking in zich draagt ("is er
geld, tijd, capaciteit, motivatie?").
Het gevaar, dat in deze probleemstelling schuilt is dat van
de aanpassing. Men doet alleen wat uitdrukkelijk is toege-
staan of voorgeschreven, men zoekt naar die maatregelen die
geluidloos en moeiteloos in de huidige situatie passen.
Het type-paar BD-CE: (mannelijk —- vrouwelijk)
De onderzoekende en ondernemende types (BC en DE) hadden,
als ken- en keuzeweg, een zeker eigen bestaan.
Bij de abstracte en concrete typen (CD en BE) was dit reeds
minder het geval omdat ze elementen van beide wegen bevat-
ten. Toch konden we ze nog een zekere eigen kwaliteit toe-
kennen. Het laatste te bespreken type-paar is het meest "ge-
mengd'" en het moeilijkste te benoemen.
Het mannelijke type (BD)
Dit type komt neer op een kortsluiting tussen feiten en doe-
len. De probleemsituatie wordt gesteld en op grond daarvan
wordt het doel geformuleerd. Hoe de feiten te begrijpen
zijn, is niet belangrijk: "Wij hebben geen tijd om dat uit
te zoeken. En wij zijn hier ook geen wetenschappelijke in-
stelling." Hoe de doelen precies moeten worden verwerke-
lijkt, wordt niet nader aangegeven: "Dat zijn uitvoerings-
details. Wij geven alleen de grote lijnen aan."
17.
Bij voorbeeld:
- "De feiten wijzen slechts 5% omzetvermeerdering aan.
Dat moet volgend jaar 10% zijn!"
- "Het opleidingsbudget was een ton. De cijfers zijn er nèt
onder gebleven. Wij zullen het voor volgend jaar ongewij-
zigd overnemen."
- “Als ik deze cijfers zie dan moeten wij spoedig de bakens
verzetten door uit deze branche te stappen."
- “Ik heb beseft, dat 90% van onze medewerkers geen enkele
belangstelling noch verantwoordelijkheid heeft voor het
produkt dat wij maken en waar het door wie gebruikt
wordt. Dat vind ik niet juist. Wij moeten daar volgend
jaar verandering in brengen."
- “De ernst van het milieuprobleem is pas tot mij doorge-
drongen toen ik dit weekend in Geertruidenberg was en De
Donge rook. Wij moeten aan dit milieuprobleem volgend
jaar met meer overtuiging een eigen bijdrage leveren."
- “In de staking van vorige week is ons personeelsbeleid aan
de kaak gesteld. Wij moeten het op de helling zetten."
- "Ik beleef aan jonge mensen een gerichtheid die mij grote
vraagtekens doet plaatsen bij een aantal van onze maat -
schappelijke normen. Een aantal zaken moet radicaal ver-
anderen."
- "Wat tegenwoordig door allerlei vooruitstrevende groepen
als ideaal wordt geponeerd beleef ik als volstrekt onrea-
listisch, wanneer ik zie in welke situatie deze idealen
verwerkelijkt zouden moeten worden."
Het vrouwelijk type (CE)
B D
.LAle
dor
Dit type komt evenals het vorige type neer op een kortslui-
ting, waarbij het belangrijkste niet uitgesproken of ge-
vraagd wordt: zonder zich veel om feitelijke informatie te
bekommeren hebben de gespreksdeelnemers zich allerlei be-
grippen gevormd over samenhangen en achtergronden (waarbij
het gevoel lang niet altijd een slechte raadgeefster is). Op
grond daarvan worden nu allerlei maatregelen en procedures
bedacht die daarop in kunnen spelen. Bij voorbeeld: er wordt
vastgesteld, dat de meisjes te laat op kantoor komen. Men
kan zich dat wel voorstellen. Er is natuurlijk weerstand om
de gezellige woning te verwisselen voor het nuchtere kan-
toor. Er moeten wat bloemen bij de schrijfmachines staan,
dan zullen ze zich meer thuis voelen en beter op tijd komen.
18.
Een soort gesprek, dat veel voorkomt in het kader van dit
type is het pleiten voor een uitvoeringsvoorstel, niet door
te verwijzen naar het doel of de situatie, maar door te la-
ten zien, dat het in overeenstemming is met bepaalde begrip-
pen waarvan de spreker meent, dat deze ook voor de anderen
helder zijn.
Voorbeelden daarvan zijn:
- "Wij moeten maar spoedig tariefbeloning invoeren, want de
mensen werken toch primair voor geld."
- “Laten wij dit produkt maar afstoten, volgens de produkt-
levens-cyclus'"-theorie komt het toch spoedig in een neer-
gaande lijn."
—- "Mijn voorstel is het project voort te zetten. Als je er-
gens aan begint moet je 't ook afmaken!"
- "Je kunt rustig wat meer investeren in onderzoek. Goede
kwaliteit brengt altijd z'n geld op."
- "De enige weg lijkt mij een grondige decentralisatie. Als
je tenminste wilt dat de organisatie haar wetenschappe-
lijke inslag bewaart."
Een ander soort gesprek in het kader van dit type is dat
waarbij nauwelijks met feiten in betrekking staande begrip-
pen worden kortgesloten met uitvoeringsactiviteiten.
Voorbeelden daarvan zijn:
“Wanneer de bazen de indruk maken niet gemotiveerd te
zijn, zal dat zeker liggen aan het feit dat zij te weinig
weten van de onderneming. Dat is ook wel begrijpelijk,
want alles wordt tegenwoordig ondoorzichtig. Laten wij
informatie-bijeenkomsten voor bazen houden en hen wat
vertellen over de qang van zaken in de onderneming."
- "Het pas gestarte produkt loopt niet zo best. Dat kan ook
haast niet anders want het is te weinig bekend. Wij moe-
ten er volgende week beslist nog een extra reclame-actie
tegenaan gooien."
- "Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat deze twee ontslagen
het bedrijfsklimaat zouden hebben beïnvloed. Daarom kun-
nen wij rustig doorgaan met de geleidelijke afvloeiing."
- “De mensen zullen nooit naar mij toekomen voor een ver-
trouwelijk gesprek wanneer ik als personeelchef zo maar
in die kantoortuin zit. Ik moet dus een apart kamertje
- "Ik geef je op een briefje dat die zaak misloopt wanneer
wij er niet veel energie instoppen. Mijn voorstel is om
nog drie extra vergaderingen in te voegen."
Het vrouwelijk type komt nogal eens voor in vergaderingen
van politieke aard. De (maatschappelijke) problemen worden
benoemd met een aantal begrippen zoals de inflatie, de
verlammende werking van inspraakprocedures, de politieke
ZA
19.
versplintering. Daarop wordt een aantal uitvoeringsmaatrege-
len genoemd, dat hierop kan inspelen. Er wordt zorgvuldig
vermeden feiten te noemen want die kunnen worden bestreden.
Er wordt eveneens zorgvuldig vermeden doelen te formuleren
want daarmee legt men zich vast zodat men er later op wordt
gevangen.
Afsluiting
We zijn hiermee aan het einde gekomen van onze beschouwing.
Deze kan niet meer zijn dan een eerste kennismaking met een
sociaal-ecologische benaderingswijze op het niveau van de
kleine groep. De oorspronkelijke studie* gaat veel dieper op
de materie in en bevat bovendien nog een uitvoerige bijlage
met oefenmateriaal. De bedoeling van dit artikel was om op
deze studie attent te maken.
Zij biedt de mogelijkheid - zowel theoretisch als prak-
tisch - het verbale gebeuren in een gespreksgroep vanuit een
nieuwe invalshoek te benaderen.
Een invalshoek die een brug slaat tussen de ecologie -— de
leer van de samenhangen der levensverschijnselen in de
natuur - als levende natuurwetenschap enerzijds en de socia-
le wetenschap anderzijds. We hebben deze benadering een so-
ciaal-ecologische genoemd. Vanuit deze optiek wordt het ver-
gaderen een soort agrarische bezigheid: het verzorgen van
het levensmilieu waarin inzichten en besluiten kunnen rij-
pen.
*Dr. A.H. Bos, Oordeelsvorming in groepen — “Willens en
wetens wikken en wegen" - Polariteit en ritme als sleutel
tot ontwikkeling van sociale organismen.
Veenman, Wageningen 1974. Te bestellen via het NPI.
Dit proefschrift bestaat, naast een wetenschappelijke en een
biografische verantwoording uit drie delen:
1. De ontwikkeling van een model.
2. Het ontwerp van een oefensituatie.
3. Ervaringen in de praktijk.
Dit uittreksel beschrijft de grote lijnen van het eerste
deel van het boek.
COPYRIGHT NPI