← Back to catalogue

About institutions of the spiritual living

Author:
Bernard Lievegoed
Original title:
Over instituties van het geestesleven
Type:
Article
Language:
Dutch
Year:
1987
Pages:
47
Subject:
about institutions as schools, social pedagogical organisations, schools of arts, schools for adults, therapeutically institutions- organisational principles- threefolding- spiritual creativity (originally catalogued as "script")
NPI reference no.:
Vereniging ter bevordering van de heilpedagogie Zeist, Manuscript-druk

Bernard Lievegoed
Over instituties van
het geestesleven
Uitgave van de Vereniging ter bevordering
van de heilpaedagogie
Manuscriptdruk - Zeist 1987

VOORWOORD
Rudolf Steiner heeft er herhaaldelijk op gewezen, dat men een
geestelijke stroming niet los mag maken van de mensen die
deze stroming op aarde hebben gebracht. Hoewel de achtergrond
van stromingen altijd in de geestelijke wereld te vinden ís
bij hiërarchische wezens die deze stroming vertegenwoordigen,
hebben mensen in een bepaalde incarnatie hun persoonlijke
karma geofferd terwille van een mensheidstaak. Deze algemene
regel geldt ook voor de individualiteiten die met Rudolf
Steiner tezamen de anthroposofie op aarde hebben gebracht.
Zo mag men de eurythmie en de spraakvorming niet los maken
van Marie Steiner-von Sivers, díe haar leven aan deze taken
gaf. Zo ook niet de medische stroom van Ita Wegman, die met
Rudolf Steiner samen de anthroposofische geneeskunde als
mysterie-geneeskunde op aarde bracht. Bovendien had Ita
Wegman door haar vraag naar deze mysterte-geneeskunde en naar
vernieuwing van de mysteriën als geheel, de 'Weihnachts-
tagung' mogelijk gemaakt.
De nieuwe Freie Hochschule für Geísteswissenschaft werd
geleid door Rudolf Steiner en Ita Wegman.
Op het moment dat schrijver dezes als een van de weinigen is
overgebleven die nog over Ita Wegman en haar werk uit eigen
ervaring kan berichten, is de innerlijke verplichting ont-
staan dat ook te doen.
Toen Ita Wegman in de zomer van 1923 ín Engeland de bovenge-
noemde vragen aan Rudolf Steiner stelde, hadden er al enkele
medische cursussen plaats gevonden als antwoord op specifieke
therapie-vragen van artsen.
De vraag van Ita Wegman had een ander karakter. Niet: "Hoe
moet ík die of die ziekte begrijpen?" en "Welke geneesmidde-
len moeten dan worden gegeven?'. Maar: "Wat ís de specifieke
innerlijke ontwikkelingsweg die de arts moet gaan om in de
Michaëlstijd intuïtief genezend ín de mensheidsontwikkeling
te kunnen werken?".
Wie Ita Wegman kende, weet dat zij een voortreffelijke arts
was, die werkelijk intuïtief het juiste geneesmiddel gaf-
maar nog meer ging haar hart uit naar een medisch-hygiënisch
werken in de cultuur.
Speciaal de heilpedagogie had haar liefde. Zij sprak er over,
dat het de taak van de heilpedagogie is om 'cultuureilanden!'
te stichten, waar therapeutisch werken met ontwikkelings-
gestoorde kinderen gepaard gaat met zonnekracht-uitstralende
gemeenschappen, die in de cultuur genezend kunnen werken.
Het karma is ín de war gekomen ("ín Unordnung geraten"),
zowel bij onze heilpedagogische patiëntjes als bij ons vol-
wassenen.
Onze cultuur in de 20ste en 2lste eeuw heeft sociaal-heil-
pedagogische centra nodig. Centra waar de menselijkheid in de
samenleving weer hersteld wordt en karma weer ín orde kan
komen.
Centra, waar samenlevingsvormen kunnen ontstaan die de erva-
ring zullen opleveren voor een verwerkelijking van de toe-
komstige driegeleding van onze samenleving.
Naast de theoretici van de driegeleding zijn er ook practici
van de driegeleding nodig, die ervaring opdoen met de "taaie
weerstand van de chaotische werkelijkheid" zodra men theorie
in praktijk wil brengen.
Zo werd de stichting van het Zonnehuis in Nederland, na
gesprekken met Ita Wegman, gedragen door een dubbele doel-
stelling: het verrichten van concreet medisch-pedagogisch
werk en een cultuurefland zijn van waaruit anthroposofie in
de wereld kan uitstralen. Deze dubbele taak rust nog steeds
op de heilpedagogische cultuureilanden.
Maar niet alleen op de heilpedagogische, sinds de Weihnachts-
tagung hebben alle anthroposofische aktiviteiten deze dubbele
taak: een specifieke en een algemene.
Zowel de schoolbeweging, de biologisch-dynamische landbouw-
beweging, de kunst- en medische beweging, als de "centra voor
anthroposofie '' hebben deze dubbele taak.
Zij allen bereiken dit door te werken uit overschotkrachten,
gedragen door het offer. Het opofferen van een stuk van het
persoonlijke karma, terwille van een bovenpersoonlijke taak
die in dienst staat van de mensheidsontwikkeling.
Het hier volgende manuscript ís bedoeld om deze dubbele taak
een achtergrond te geven, speciaal voor wat betreft de prak-
tijkproblemen die men tegenkomt bij de organisatorische
verwerkelijking van instituten die in het geestesleven hun
hoofdtaak hebben. Dit in tegenstelling tot groeperingen die
in het omgangsleven (verenigingsleven) staan en organisaties
die in het economische leven staan.
Driegeleding kan men niet "invoeren!'.
Driegeleding in de praktijk is een blijvende worsteling, een
vallen en opstaan, met de blik steeds gericht op de "'1deaal-
typische! vormen en doelstellingen.
Het is de "weg van het midden", tussen het mogelijke in deze
situatie met deze mensen en het ideaal dat voor ogen staat en
dat alles geplaatst in een tijd waarin tijdens de grote

geestesstrijd van de komende eeuwwisseling er een draaikolk
van Lucíferische, Michaëlische en Ahríimanische krachten
werkzaam ís in het sociale leven en het geestesleven.
Deze publicatie is een aanvulling op het boek “Organisaties
in ontwikkeling", dat de problemen van economische organisa-
ties behandelt.
In de naaste toekomst zal een Nederlandse vertaling van de
voordrachtenreeks "Soziale Gestaltungen in der Heilpädagogik"
verschijnen, waarin enkele aangepaste hoofdstukken uit dit
boekje opgenomen zullen worden.
De uitgave van dit boekje is mogelijk gemaakt door de Vere-
niging tot bevordering van de heilpedagogie en is bedoeld
voor intern gebruik in anthroposofische instituten voor het
geestesleven.
SAMENVATTENDE INHOUD
Instituten díe vanuit de anthroposofie werken zijn van ver-
schillende geaardheid.
Er zijn instituten zoals de: Vrije Scholen, kunstopleidingen,
volwassenenopleidingen en heilpedagogische instituten die hun
arbeidsveld ontplooien vanuit het geestesleven,
Er zijn groeperingen die ten dienste staan van het omgangs-
leven. In de eerste plaats de Anthroposofische Vereniging
zelf en verder de plaatselijke groepen.
Er zijn organisaties die in het produktieproces hun plaats
innemen, zoals biologisch-dynamische landbouwbedrijven,
distributie-organisaties, winkels enz.
Geestesleven, omgangsleven en werkleven vormen de driege-
leding van de zogenaamde meso-sociale strukturen.
Dat wil zeggen dat wat voor het totale sociale organisme
geestesleven, rechtsleven en economisch leven zijn, voor de
kleinere sociale organismen geestesleven, omgangsleven en
werkleven zijn.
Over deze laatste drie gaat dit boekje.
De organisatieprincipes en de organisatie-ontwikkeling tij-
dens het bestaan van een institutie, een groepering en een
organisatie zijn verschillend voor deze drie genoemde vormen.
Een instituut, een vereniging of een bedrijf is een levend
organisme dat voortdurend verandert: het groeit, er komen
nieuwe mensen ín en het bereikt andere stadia van rijpheid.
Door het N.P.I., het Nederlands Pedagogisch Instituut voor
het bedrijfsleven (later: NPI Instituut voor organisatie-
ontwikkeling van het bedrijfsleven), ís gedurende meer dan 30
jaar de organisatie-ontwikkeling binnen het (economische)
bedrijfsleven onderzocht. Het zou een tragische misvatting
zijn, als de daar gevonden wetmatigheden ook zouden worden
toegepast op instituten van het geestesleven en groeperingen
van het omgangsleven.
De verschillende en de overeenkomsten worden hier kort weer-
gegeven, opdat de rode draad die door de volgende hoofdstuk-
ken loopt kan worden vastgehouden.

Instituten van het geestesleven (scholen, heilpedagogische
instituten, kunstopleidingen, volwassenenopleidingen, thera-
peutíca enz.).
Taken binnen het geestesleven zijn hier primair. Voor anthro-
posofische instituten betekent dat, nà de "Weihnachtstagung"”
van 1923-1924 en het stichten van de "Freie Hochschule für
Geisteswissenschaft', dat hun centrale taak ís het stichten
en beoefenen van een mysterie-geneeskunde, een mysterie-
pedagogie, een mysterie-heilpedagogie en een mysterie-kunst.
Het scheppen van een mysterie-geneeskunde, -pedagogie enz.
berust erop dat de dragers hiervan een innerlijke ontwikke-
lingsweg gaan in de zin van de "Freie Hochschule für Geistes-
wissenschaft', en van daar uit in elke situatie streven naar
een imaginatief, inspiratief en intuïtief handelen.
Dit in tegenstelling tot een methode-onderwijs, dat eerst
leerbaar en dan toepasbaar ís. Dan ontstaan er alternatieve
methoden met leerplannen enz.
Het geestesleven is geestelijk — aristocratisch. Dat wil
zeggen dat er verschillen zijn in niveau van inzicht en
oordeelsvorming.
Het geestesleven is hiërarchisch, maar niet in de oude zin.
De hiërarchie ontstaat hier door de vrije erkenning binnen
een groep mensen, dat een bepaalde persoon op een bepaald
gebied meer inzicht heeft dan de anderen.
Het ís een erkennings-hiërarchie die van beneden naar boven
ontstaat en die wisselend ís per onderwerp.
Het geestesleven kent een wisselend hiërarchisch leiderschap
op basis van erkenning. Deze erkenning wordt verworven door
openheid over de oordeelsvorming (zie volgende hoofdstukken).
Binnen een instituut van het geestesleven staat de geeste-
lijke doelstelling prímaír: bijvoorbeeld het scheppen van een
mysterie-heilpedagogie. Het omgangsleven en het economische
leven zijn ten opzichte van deze doelstelling dienstverlenend
en stellen hoogstens grenzen aan mogelijkheden.
Beleidsbeslissingen worden ín een organisatie van het econo=-
mische leven genomen op grond van machtsituatides en van
financiële overwegingen.
Beleidsbeslissingen worden in een instituut voor het geestes-
leven genomen op grond van spirituele overwegingen, of een
bepaalde ontwikkeling past in de doelstelling van de institu-
ten en in de ontwikkeling op dít moment. Pas daarna wordt
gezocht naar de oplossing van de financiële problemen en níet
omgekeerd.
Het omgangsleven berust hier op de gelijkwaardigheid van alle
medewerkers, niet op de gelijkheid in beslissingsrecht.
Beslissingen vallen binnen het geestesleven, waar de ene stem
nu eenmaal meer waard is dan de andere. ("Er is nog nooit bij
meerderheid van stemmen bepaald of iets waar is of niet!'"),
De organisatie-ontwikkeling binnen een instituut van het
geestesleven verloopt in fasen.
Deze zijn essentieel verschillend van de ontwikkelingsfasen
van het bedrijfsleven (pioniersfase, differentiatiefase en
integratiefase) .
De eerste fase van verwerkelijking van een geestelijk inzicht
dat tot een besluit geleid heeft ís de initiatieffase (om
hier van een pioniersfase te spreken is misleidend).
Het initiatief wordt steeds door meerderen genomen. Voor de
Vrije Hogeschool was dat bijvoorbeeld het toenmalige bestuur
van de Anthroposofische Vereniging, niet als bestuur werd
dat initiatief genomen maar als een groep vrije personen.
Zij vormen de eerste vertrouwensgroep waarbinnen geestelijke
beslissingen kunnen worden genomen.
De initiatieffase is als de kiembladfase van de plant. De
vorm is nog voorlopig.
De tweede fase is de groeifase. De voorlopige vormen en
organen van de initiatieffase differentiëren zich in subver-
trouwensgroepen met eígen taken en verantwoordelijkheden.
In de eerste 3 à 4 jaar van het initiatief blijkt welke
initiatiefnemers zich definitief verbinden en de continuïteit
van het initiatief willen verzorgen.
De vertrouwensgroep die de leiding had over de Waldorfschool
welke door Rudolf Steiner was gesticht, was het lerarencol-
lege en niet een directeur. Een dagelijks coördinerende en
uitvoerende leiding ís gekozen uit het lerarencollege.
Gedurende de groeifase wordt, ín tegenstelling tot de diffe-
rentiatiefase van het bedrijfsleven, de hele organisatie
Yylak!' gehouden. Dat wil zeggen dat het instellen van hiërar-
chische tussenlagen in het uitvoerende werk wordt vermeden.
De afstemming van de sub-vertrouwensgroepen wordt geoefend.
De derde fase kan men ín doorvoering van de gevolgde beeld-
spraak de bloeifase noemen.
Het instituut ís nu ook uitgegroeid en heeft zijn definitieve
omvang gekregen (meestal door de eisen van het betreffende
werk) .
De vertrouwensgroepen, die zich bezig houden met het algemene
beleid en de sub-vertrouwensgroepen die zich richten op
onderdelen van het werk, hebben hun telkens opnieuw te reali

seren afstemming gevonden.
Dienstverlenende funkties zoals de administratie en het
economische beheer funktioneren als uitvoerende organen voor
de beleidsvertrouwensgroep.
De meest bruikbare juridische vorm voor een instituut voor
het geestesleven ís de stichting, deze heeft geen economisch
doel .
Het omgangsleven in een instituut voor het geestesleven kent
voor zuivere omgangsproblemen de democratie, Deze problemen
zijn echter in de instituten voor het geestesleven in de
minderheid, want de meeste omgangsproblemen ontstaan door de
eisen van de geestelijke doelstelling. Sociale vaardigheid of
“poralische Technik” uit de "Filosofie der vrijheid" zijn
nodig en moeten geoefend worden om de afstemmingsproblemen
bevredigend te hanteren.
Een belangrijk onderdeel van het omgangsleven is het perso-
neelsbeleid en medewerkersbeleid, waaraan een apart hoofdstuk
gewijd zal worden.
In de bloeifase wordt een labiel evenwicht gehanteerd tussen:
— geestelijke doelstellingen
= samenhang van de mensen
= economische en technische hulpdiensten.
Hier wordt blijvend de middenweg geoefend tussen de prin-
cipiële puristen en de compromisbereide practici.
In een instituut voor het geestesleven is het opleidings-
beleid voor de medewerkers een centrale zorg van de beleids-
groep. De uitvoering daarvan kan overgedragen worden aan een
sub-groep.
Bij de uitvoering moet de spirituele doelstelling: het schep-
pen van een mysterie-heilpedagogie enz. centraal blijven
staan. Ook hier is een middenweg tussen puristen en practici
van belang.
Een centrale beleidsbeslissing is welke taken nagestreefd
worden met het oog op de door de staat erkende diploma's.
Tevens de vraag of bepaalde diploma's voor enkelen of voor
iedereen nodig zijn.
Evenals bij de Vrije Pedagogische Academie moet het mogelijk
zijn zelf officiële diploma's te kunnen uitre{ken, met behoud
van het mysterie-karakter ín de opleiding (d.w.z.: de inner-
lijke ontwikkeling staat centraal).
Samenwerking bijvoorbeeld tussen de heilpedagogische beweging
en de Vrije Pedagogische Academie moet nagestreefd worden en
zal voor beiden vruchten dragen. Op andere werkgebieden is
dit reeds gerealiseerd.
Samenvattend mag gesteld worden dat elk instituut voor het
geestesleven twee taken heeft.
= De specifieke helpende, pedagogische of therapeutische
doelstelling. Hier gaat het om de wil tot genezend hande-
len.
- De algemene doelstelling ín een Michaëltijd, waar elk
spiritueel initiatief tegelijk een cultuureiland moet zijn,
waar warmte en licht van uitstraalt en waar gewerkt wordt
aan toekomstige sociale samenlevingsvormen: de geestzelf-
gemeenschappen.
Voor het eerste doel zijn de daartoe vereiste vakbekwaamheden
nodig en het vormen van een vertrouwensgemeenschap die geza-
menlijk de doelstelling wil dragen.
Voor het tweede doel ís nodig dat de medewerkers een deel van
hun persoonlijke karma offeren en in dienst stellen van een
mensheidstaak. Hier wordt gestreefd naar de verwerkelijking
van het Pauluswoord: NIET IK, MAAR CHRISTUS IN MIJ.

Groeperingen binnen het omgangsleven.
Hier staat de interaktie tussen mensen centraal.
Deze wordt het beste verzorgd in het verenigingsleven. Een
voorbeeld hiervan is de vorming van de "Allgemeine Anthropo-
sofische Gesellschaft" tijdens de Weihnachtstagung.
Een instituut voor het omgangsleven ín een spiritueel klimaat
krijgt "Prinzipien" en geen juridische statuten.
Daar waar de wettelijke bepalingen statuten eisen, kunnen er
(zoals bij de "Allgemeine Anthroposofische Gesellschaft" in
Zwitserland) voor de overheid statuten aanwezig zijn maar
voor intern gebruik dienen er "principes! te zijn.
Statuten horen thuis bij een voetbalclub bijvoorbeeld.
Een verenigingsvorm krijgt een totaal ander karakter zodra
deze in dienst staat van het economische bedrijfsleven, zoals
bijvoorbeeld de Verenigde Cargadoorsbedrijven of de Scheep-
vaartvereniging Zuid. Hier wordt een verenigingsvorm oneigen-
lijk.
Bij een echte vereniging als orgaan van het omgangsleven
hoort de democratische besluitvorming, daar gaat het om
zuivere tussenmenselijke vormen ("zo zijn onze manieren") en
kan een ieder gelijkwaardig mee beslissen.
In alle andere gevallen vindt er óf een "aristocratische"
besluitvorming plaats óf een ondernemersbesluit.
Organisaties binnen het economische leven,
De principes van deze organisatievorm zijn uitvoerig beschre-
ven in "Organisaties in ontwikkeling",
Hier is de ontwikkeling van de pioniersfase naar de bureau-
cratische differentiatiefase en vervolgens naar de derde
integratiefase op zijn plaats.
Helaas worden deze vormen en ontwikkelingen óók op de insti-
tuten voor het geestesleven toegepast!
Afgezien van het feit dat de initiatieffase op dat moment
scheef beoordeeld wordt, 1s het gevaar groot dat er daarna
gestreefd gaat worden naar een burocratische differentiatie
voor het geestesleven.
Werkt deze doorgangsfase voor het economische leven al ver-
starrend, voor het geestesleven zijn deze vormen moordend.
Departementalisatie met waterdichte afschermingen, steeds
diepere organisatie met dirigerende tussenlagen, de toename
van "niet direct werk-gerichte" functies, besluitvorming
— ook in beleidszaken — door dienstverlenende sectoren, de
besluitvoorbereiding tot een graad waarin de spirituele
organen slechts een schijn-vrijheid hebben, al deze euvelen
gaan optreden, hoewel geen van de medewerkers dat bewust wil.
Zij zijn allen slachtoffer van niet bij een spiritueel in-
stituut passende organisatie-principes.
In de integratiefase van organisaties in het economische
leven zijn alle medewerkers doordrongen van en gericht op de
uitwendige prestaties. Zij zijn marktgericht.
In de bloeifase van een instituut voor het geestesleven zijn
allen doordrongen van en gericht op het ontwikkelen van
creativiteit in dienst van de 'mysterie-taak". Zij zijn
gericht op een gemeenschappelijk ideaal, marktgerichtheid
heerst enerzijds en ideaalgerichtheid anderzijds.
Een voorbeeld van een schoolorganisatie (uít het maandblad
van de Vrije School ín Den Haag)
OUDERS VOOR OUDERS
Zaterdag 21 maart 1987,
Toy de Gelder.
Inleiding door de heer Driessen over de structuur van de
Vrije School, Den Haag. De heer Driessen begon met te
vertellen dat iedere Vrije School over de hele werkeld,
volgens hetzelfde principe is georganiseerd, onderlinge
verschillen kunnen ontstaan door andere culturele en maat-
schappelijke achtergronden daargelaten. Ook de fase waarin
de school verkeert kan een grote rol spelen: Een nog jonge
school kan andere structuren vertonen dan een reeds vele
jaren bestaande. Verder zal het verschil uitmaken of een
school door ouders dan wel door leraren gesticht is. Hij
splitste de aanleiding tot dit op het eerste oog technische
onderwerp in tweeën:
l. De mogelijk tot intiemere verhouding van ouders die de
Vrije School voor hun kinderen kiezen tot die school;
2. Het feit dat zelfs ouders díe al langer bij de school
zijn niet weten tot wie ze zich moeten wenden. De struc-
tuur doet zich voor als een ondoorzichtig struikgewas en
de vraag rijst: Wie gaat over Wat?
Waarom is er geen pyramide met bovenaan een chef of direc-
teur? Waarom is er geen verticale bevelstructuur zoals in
de meeste bedrijven en instituten die wij kennen?
Als de Vrije School naar buiten moet treden, bijv. naar de
overheid of inspectie, dan bestaat deze structuur wel, en
is ook beschreven, ligt vast, m.a.w. er is een directeur,
hoofd der school etc., en dat moet ook, anders ís de Vrije
School onherkenbaar en (dus) inacceptabel voor de buiten-
10

wacht. Naar binnen toe echter, in het beleid t.o.v. de
leerlingen, de ouders en onderlíng als leraren bestaat er
een ander soort hiërarchie.
Het beleid wordt gemaakt door de Vergadering.
In de Vrije School bestaat een intensieve vergadercultuur.
Op vrijdag vergaderen de leerkrachten van onder- en boven-
bouw afzonderlijk, maar op donderdag vindt de wekelijkse
vergadering plaats, waar alle leerkrachten, ook de vakleer-
krachten, amanuensis en concierges, voorzover zij een
pedagogische funktie vervullen, aanwezig zijn. De heer
Driessen noemde deze vergadering het hart van de school, en
schetste het verloop daarvan door enkele zwaartepunten
eruit te lichten.
De Vergadering vindt plaats van 19.00-23.00 uur; het eerste
gedeelte van 19.00-21.00 uur is de pedagogische vergade-
ring; de tweede, van 21.30 tot soms diep in de nacht, is de
interne vergadering.
1. De Vergadering begint met een inleiding door een colle-
ga, bijv. over een pedagogisch onderwerp die daartoe
uitgenodigd is door de collegeraad, waarover later meer.
De heer Driessen noemde het een ‘inhoudelijk ge-
schenk', Hij benadrukte het belang van echt luiste-
ren, het geven en nemen, wat een inhoudelijk con-
tact tot stand brengt.
2. Het tweede gedeelte van de Vergadering ís de kinderbe-
spreking. Hierbij tracht het voltallige lerarencollege
zich een zo nauwkeurig en volledig mogelijk beeld te
vormen van het kind dat besproken wordt met als doel tot
pedagogische of therapeutische aanbevelingen te komen.
Voor de leerkrachten gaat het erom op een zo hoog moge-
lijk niveau wakker te zijn voor wat er met "het kind aan
de hand ís". Als een kind ter sprake komt ís het in de
belangstelling van alle leraren, waarbij de heer Dries-
sen sprak over de mogelijkheid dat ieder zijn inhoude-
lijke bijdrage levert. Men hoeft zich echter niet altijd
in het gesprek te mengen: "Zwijgen ís vaak de schaal
waarin anderen zich kunnen uiten",
Hierna wordt o.a, met organisatorische zaken vooruít- en
terugblikken de Vergadering afgesloten.
3, Na de pauze begint om 21.30 uur de interne vergadering,
de beleidsvergadering. Hieraan nemen die leerkrachten
deel die naast het pedagogische werk in de klas ook de
bereidheid en de kracht hebben zich met het beleid bezig
te houden, om ook ín bestuurlijke zin verantwoordelijk-
heid voor de school te dragen. Onderwerpen zijn o.a.
zorg voor de gebouwen, het personeelsbeleid, de coaching
van leerkrachten, ontwikkelingen m.b.t. het leerplan. Op
het ogenblik hebben de bezuinigingen, die het onderwijs
treffen, prioriteit.
11
Deze interne vergadering draagt dus met recht een be-
stuurlijk karakter. Wie besluit er nu? Er wordt niet
gestemd, er bestaat, enkele uitzonderingen daargelaten,
geen meerderheidsbesluit. Men neemt met z'n allen door
middel van het gesprek de beslissingen. Iedereen legt
zijn inzichten op tafel. Het streven is er op gericht om
los van het geliefde eigen standpunt, los van sym- en
antipathiën de hoogst mogelijke objektiviteit te beoefe-
nen. Men zoekt naar de kwaliteit van het argument. Dat
moet de doorslag geven. Men moet leren luisteren en
interpreteren, en dat is een weg die iedere dag gegaan
moet worden. Deze procedure herbergt natuurlijk risi-
co's, het kost soms veel tijd en men kan de plank mis-
slaan (meerderheidsbesluiten behoeven ook niet per
definitie goed te zijn). Wordt er iets besloten waar men
het niet mee eens ís dan moet men trachten op grond van
vertrouwen in de wijsheid van anderen het besluit mee te
dragen. Mocht men op grond van feiten merken dat het
besluit niet funktioneert, dan is het een recht en
plicht het onderwerp opnieuw ter sprake te brengen.
Vit het interne deel van de Vergadering worden de Bestuurs-
raad en de Collegeraad geformeerd, díe op mandaat de be-
voegdheid krijgen de school te leiden.
De heer Driessen vergeleek de collegeraad met een arts
met een stethoscoop, die zegt: "Zucht U eens diep!'. De
collegeraad heeft de funktie te informeren naar en te
anticiperen op de processen, die zich dagelijks in de
school tussen mensen voltrekken. Ook de voorbereiding van
de Donderdagvergadering hoort hierbij.
In de bestuursraad worden zaken behandeld, die ten lange
termijnkarakter dragen: juridische en financiële kwesties
en ook het personeelsbeleid.
Deze instituties leggen hun besluit en voorstellen altijd
voor aan de Vergadering, die adviezen kan geven, kan amen-
deren of zelfs in het uiterste geval het mandaat kan terug-
nemen. Waarom is gekozen voor deze structuur?
De heer Driessen besprak een citaat van Rudolf Steiner: de
sociologische basiswet.
Vroeger was de maatschappij zo ingericht dat de instituten
de mens bepaalden. De mens was dienstbaar aan het insti-
tuut.
Bij de Egyptenaren was de farao de brug tussen de goden en
de mensen, en de mensen dienden door de farao te dienen, de
goden.
Tegenwoordig kunnen wij proberen dit principe om te
draaien. De mens kan met zijn eígen wezen het instituut
vormen.
Zo wordt het instituut dienstbaar aan de mens.
De heer Driessen wees erop dat bijv. relatief pas kortgele-
den de mensenrechten zijn "ontdekt".
12

De Vrije School stelt de vraag waar de mens nu staat in
zijn ontwikkeling. De mens mag geen copie zijn van een
dogma, maar heeft het recht en de plicht zelf de inhouden
te vullen en levend te houden. Dít ís de sociale impuls die
van de Vrije School uitgaat.
Hiermee sloot de heer Driessen zijn inleiding af.
De rol van het bestuur, de Verenigingsstructuur, de plaats
van de ouders konden ín deze korte schets niet aan de orde
komen.
13
ORGANISATIEPRINCIPES BI:
— íÍnstituties van het geestesleven
= groeperingen van het omgangsleven
— organisaties van het economische leven
Dit hoofdstuk is bedoeld om een schematisch overzicht te
geven van de verschillen in de drie genoemde vormen van
samenwerking.
Het is niet meer dan het skelet van levende organismen.
Het vlees en bloed rondom dit skelet volgt later ín afzonder
lijke kleine hoofdstukken. Pas door dit vlees en bloed wordt
een dode theorie van sociale omgangsvormen tot een levende
praktijk.
Wie zich met deze materie bezighoudt, is niet klaar als hij
de theorie van het droogzwemmen doceert, maar hij zal op een
bepaald moment in het water moeten gaan en dan beleven, dat
het water niet alleen weerstand biedt, maar zelf ook in
beweging is en onverwachte zij-stromingen en draaikolken
kent.
Dat maakt in de praktijk van sociaal handelen een schone
theorie tot een kunst om zich ín de praktijk te handhaven met
de theorie als streefrichting.
De absolute theoretici zullen dan terecht zeggen, dat de
betreffende mensen "fouten! gemaakt hebben, maar dat juist
onderscheidt sociale kunst van theoretische strukturen.
De praktijk, het "nat zwemmen! is het volgen van een weg díe
het ideaal tot leid-"ster" heeft.
Tot de praktijk van het 'nat-zwemmen'"
vaardigheid van doelmatig vergaderen.
Deze sociale vaardigheid wordt hier niet verder behandeld,
omdat deze reeds uitvoerig te vinden is in het boekje "'So-
ziale Gestaltungen in der Heilpaedagogik" (1970), dat weldra
ook in een Nederlandse vertaling zal verschijnen.
behoort ook de sociale
Wij bespreken eerst het ideaal, hierbij zullen wij om didac-
tische redenen eerst de organisaties van het economische
leven tegenover de instituten voor het geestesleven plaatsen.
Voor organisaties binnen het economische leven geldt het
volgende.
De pioniersstijl van werken kent de samenwerking van ambach-
telijk geschoolde mensen onder de persoonlijke leiding van de
pionier, die de mogelijkheid tot een economische dienstverle
ning ontdekte en de produktiemiddelen vergaarde om de ont-
dekte economische behoefte te bevredigen.
Hij werkt enthousiasmerend op de door hem in dienst genomen
ambachtelijke werkers en maakt het werk-doel voor hen allen
zichtbaar, Iedereen werkt samen om de klanten tevreden te
14

stellen, over efficiency is nog niet nagedacht, daarvoor is
iedereen te trots op zijn ambachtelijke prestaties.
Hier tegenover staat de kiemfase of initiatieffase van een
instituut voor het geestesleven. ef
Bij initiatieven binnen het geestesleven is er niet één de
initiatiefnemer, maar een groep gelijkgerichte mensen, die
tesamen een geestelijk ideaal willen dienen in een gemeen-
schappelijk initiatief.
Dus:
— Bij het economische leven is er een doelstelling extern
in de samenleving.
— Bij het geestesleven is er een doelstelling intern in
het ideaal van de initiatiefnemers (dat is niet in
tegenspraak met het feit, dat binnen de groep van in{-
tiatiefnemers één bepaalde persoon dat ideaal het beste
kan verwoorden en misschien ook het meest duidelijk voor
ogen heeft staan).
De initiatiefgroep is als het eerste kiemblad dat tevoor-
schijn komt bij het ontkiemen van een zaadkorrel.
De groepsziel van de plantensoort drukt zich daar uit in een
voorlopige vorm — de definitieve en karakteristieke vorm
wordt pas later zichtbaar.
De initiatiefgroep van de kiemfase werkt samen als vertrou-
wensgroep met een wisselend leiderschap voor de verschillende
taken en gebieden, al naar gelang het kunnen van de initia-
tiefnemers.
In de kiemfase staat het te verwezenlijken ideaal duidelijk
centraal — de hulpwerkzaamheden die nodig zijn voor de realí-
satie daarvan (huishouding, geldbeheer enz.) zijn secundair
en rouleren vaak onder de initiatiefnemers.
Het geestelijk klimaat in een kiemfase is oppositioneel
tegenover het klimaat in de pioniersfase, Er ís in deze fase
geen ondernemer of personeel in loondienst, maar er ís een
maatschap van vrije mensen, díe naar buiten toe als een
eenheid optreden.
Het spreken over een pioniersfase in een instituut voor het
geestesleven is dus fout.
De tweede fase binnen het economische leven.
Zoals beschreven in "Organisaties in ontwikkeling" komt de
pioniersfase tot een einde, wanneer door groei:
— De pionier alle medewerkers niet meer kent.
—- De persoonlijk bekende klanten worden tot een anon{eme
markt met felle concurrentie.
— Het ambachtelijke werken doorbroken wordt door specialisten
met een hogere opleiding.
15
- Het persoonlijke kapitaal van de ondernemer tekort schiet.
Er ontstaat dan een zogenaamde overrijpe pioniersfase.
Het antwoord op de desintegratie van de overrijpe pioniers-
fase werd historisch aan het begin van deze eeuw gegeven door
het langzamerhand geboren worden van de zogenaamde weten-
schappelijke bedrijfsorganisatie.
Deze ontstond door het samenvoegen van twee denksystemen nl.:
- de efficiency-methoden, door de Amerikaan Taylor in de
eerste wereldoorlog ingevoerde massaproduktie voor het
leger bij het uitvoerende werk en
— het administratief-centralistische denken van de Fransman
Fayol.
Fayol schiep de pyramide-organisatie met de direktie aan de
top en de vele tussenlagen van gedifferentieerde taakni-
veau's. Hij stelde 1á punten op, waarvan de belangrijksten
zijn: centralisatie van de macht aan de top, eenheid in
doelstelling, eenheid in bevel, autoriteit van boven naar
beneden. Hierdoor ontstond de bekende burocratische organi-
satie,
Het heeft vele jaren geduurd voordat in Nederland de vele
overrijpe famílie-pioniersbedrijven gereorganiseerd waren.
Het werkklimaat van de pioniersfase veranderde daarbij drama-
tisch. Door de steeds verder doorgevoerde arbeidsdeling en
specialisatie, vanaf de top tot op de werkvloer, trad er een
drainage op van het werk.
Niemand deed meer iets totaals, ieder deed een onderdeeltje
en verloor langzamerhand het idee hoe dat in het geheel
paste. Het laten funktioneren van al deze uit elkaar stre-
vende onderdelen bracht zoveel werk met zich mee, dat de
aandacht voor het eigenlijke doel verloren ging.
De echte ondernemersfunktie werd het domein van de speciali-
satie marketing, waar steeds minder naar geluisterd werd.
Maar het belangrijkste verschil voor werkende mensen op alle
niveau's ís de aanbidding voor het 'heilige' begrip efficien-
cy. Dit ontstond op de werkvloer en kroop langzamerhand
omhoog. Hierdoor werd alle eigen creativiteit en het nemen
van initiatief gesmoord ín de bedachte procedures van de
efficiency-experten.
Efficiency ís het streven om met de minste inspanning de
grootst mogelijke effecten tot stand te brengen.
Door efficiency verminderen de kosten van de produktiestroom,
wordt het eindprodukt goedkoper en wordt er meer winst ge-
maakt.
Dat is ín de tweede fase noodzakelijk want de produkten komen
16

op de anonieme markt terecht, waar een moordende concurrentie
heerst.
Aan arbeidsanalisten wordt geleerd om bij hun efficiency-
onderzoek achter de meest luie arbeider te gaan staan want de
luie arbeider heeft al lang een methode gevonden om zijn werk
met de minste inspanning te doen, de ijverige arbeider doet
allerlei 'onnodige' dingen.
Wie zich jarenlang met efficiency-streven bezighoudt en zich
bezint op de principes van de efficiency ontdekt dat:
— Efficiency de filosofie van de luiheid is.
— Het geestesleven leeft bij de gratie van de creativiteit.
— Creativiteit de filosofie ís van de overschot-schepping.
Telkens weer zal moeten worden gezegd:
Voor een les, een voordracht, een therapie zal men zich voor
1202 moeten voorbereiden om ín de concrete situatie 50% te
kunnen geven, maar welke 502 dat zal zijn 1s niet van tevoren
bekend.
Dat ís alleen bekend bij de constructie van een machine, die
dan ook efficiënt moet zijn.
Zolang er nog mensen werken in een organisatie en de mens als
geestelijk creatief wezen genegeerd wordt, zal de tweede fase
filosofie van de wetenschappelijke bedrijfsorganisatie zich-
zelf ten gronde richten, doordat deze de mensen uitholt.
Maar ook de instituten voor het geestesleven kennen het
moment waarop de inítiatiefstructuur van de kiemfase tekort
gaat schieten.
Komt zo'n instituut in de groeifase (waar de plant stengels
en bladeren gaat vormen), dan begint alleen al door het
grotere aantal medewerkers de oorspronkelijke vertrouwens-
groep uiteen te vallen.
Instituten voor het geestesleven zijn afhankelijk van de
creativiteit van alle medewerkers!
Hierop is het vernieuwende van het Waldorfschoolonderwijs
gebaseerd. Geen gefixeerde leerplannen, geen leerboekjes maar
pedagogische doelstellingen voor elke leeftijd en streefrich-
tingen voor de verschillende vakken. Deze moeten dan door
creatieve leerkrachten telkens opnieuw tot leerstof voor deze
klas met die leerlingen geconcretiseerd worden.
Creatief kan alleen die mens zijn, die uit overschot kan
scheppen. Het zal vele malen gezegd moeten worden: Men moet
zich voor een les of een taak voor 1202 voorbereiden om
straks 502 te kunnen gebruiken — maar wélke 50% dat zal zijn,
17
blijkt pas op het moment dat men een creatief antwoord moet
geven op een vraag of een situatie.
De overige 70% zijn niet inefficiënt, maar geestelijk werk-
zaam in de situatie.
Michaël als tijdgeest heeft de overschotkrachten van de
mensen nodig om op aarde te kunnen werken.
Toch heeft ook de tweede fase van instituten voor het gees-
tesleven een taakverdeling nodig. Maar deze ontstaat niet
door een centrale bevelvoering en het scheppen van steeds
meer tussenlagen. Hier 4s het instituut van mandaatorganisa-
ties op zijn plaats. De totale organisatie van het geestesle-
ven blijft vlak en wordt tot een maatschap. van mandaatgroe—
pen.
Een mandaatfunctie of een mandaatgroep ontstaat, doordat de
totale groep (de leraarsvergadering van een school of de
medewerkersvergadering van een instituut) aan één persoon of
een groep personen het vertrouwen schenkt om een bepaald
werkgebied te verzorgen,
Het vertrouwen bestaat daarin, dat men verwacht dat de be-
treffenden deze taak zo goed als zij dat kunnen zullen invul-
len en uitvoeren, "zoals het een goed huisvader betaamt".
De differentiatie ín mandaatgroepen vereist geen pyramide,
maar een vlakke organisatie, naast elkaar.
Een bijzondere mandaatgroep is die, waaraan het overzicht
over het geheel en de coördinatie van de overige mandaat-
groepen als taak opgedragen is. Maar dit ís geen "directie"
met dirigerende bevoegdheden tot op de bodem toe, maar een
groep met een dienende functie, terwille van de blijvende
creativiteit van het totale instituut.
Over gemengde instituten, waar naast vaste medewerkers ook
medewerkers op arbeidscontract werken, zal elders gesproken
worden.
De groeifase van een instituut voor het geestesleven is,
evenals de burocratische tweede fase van het economische
leven, een doorgangsfase,
In het kiemblad vertoont de plant zijn eerste nog primitieve
vorm.
In de groeifase is er vooral kwantitatieve vermeerdering,
maar tegelijkertijd een verzamelen van krachten voor de
bloei.
De derde fase, voor het economische bedrijfsleven de integra-
tiefase en voor het geestesleven de bloeifase genoemd, ís het
uiteindelijke streefdoel van samenwerkingsvormen in de
bewustzijnszieletijd. De derde fase heeft al vele aspecten
van een latere spirituele fase in zich en kan alleen bestaan
18

I. ECONOMISCH LEVEN
DIRIGEREND LEIDERSCHAP
directie
VELE TUSSENLAGEN
DIFFERENTIATIE NAAR
UITVOERINGSGEBIEDEN
ARBEIDERS
efficiency streven
II. GEESTESLEVEN
BELEIDSGROEP
mandatarissen
creativi
teits-
streven mandaatgxoepen
Vlakke organisatie.
De beleidsgroep is ook
een mandaatsgroep.
Binnen elke mandaatsgroep is er een persoon benoemd om ook ín
een andere mandaatsgroep te werken ..... als ook een persoon
om aan de beleidsgroep deel te nemen.
M.a.w. de mandaatsgroepen zijn z.g. 'interlocking rings'.
vanuit beginnende geestzelf-krachten,.
De bewustzijnsziel heeft twee kanten, een antisociale egoïs-
tische en een hoger-sociale altruïstische kant.
Dat geldt voor de gehele huidige cultuur en dus ook voor de
organisaties voor het economische leven.
Het is echter begrijpelijk, dat hier de instituten voor het
geestesleven het voortouw hebben te nemen.
De instituten voor het geestesleven moeten niet proberen
organisaties uit het bedrijfsleven te ímíiteren of zelfs te
overtreffen in efficiency etc., maar zij moeten het proefveld
zijn waarop geoefend kan worden in toekomstige samenwerkings
vormen! .
Dat ís één van de vormen voor de instituten voor het geestes-
leven om een uitstralende cultuurfactor te kunnen zijn.
Zoals in de uitwerking nog uitvoeriger zal worden beschreven,
kennen de instituten voor het geestesleven geen dirigerend
machtscentrum aan de top, maar een wisselende creativiteit
binnen de medewerkersgroep, berustend op geestelijk gezag van
bepaalde mensen op bepaalde gebieden:
— macht is hiërarchie van boven naar beneden;
- gezag is hiërarchie van onder naar boven, berustend op
erkenning.
De gezagsverhouding is aristocratisch, maar een aristocratie
die verdiend en erkend is en geschonken door de medewerkers.
Zie bijgevoegd schema!
Een enkele opmerking over efficiency- streven en creativi-
teits-streven.
— Efficiency-streven is juist en terecht voor alle mechan{se-
ring, automatisering en voor constructie van machines.
Effíiciency-streven op mensen toegepast, doodt de creativi-
teit van mensen.
— Creativiteits-streven geldt alleen voor mensen. De creati-
viteit komt uit het Ik en leeft bij de gratie van het
overschotprincipe: het '"Widar-principe": meer doen dan
nodig ís voor het te bereiken doel.
Met overschotkrachten kon Widar de Ahrimanische Fenriswolf
overwinnen.
Efficiency in het leerproces maakt mensen tot robotten en tot
een buit van Ahriman.
In overschotkrachten ligt samengebalde wil en deze verbindt
de mensen met Michaël,
Meer te leren dan "nodig" is, is de grondslag voor het Vrije
School-onderwijs.
19

In het bedrijfsleven én ín het geestesleven ís de derde fase
in wezen een mentaliteitsverandering van de samenwerkende
groep mensen. Deze berust op het wekken van sluimerende
Geestzelf-kiemen ín de mensen.
Het Geestzelf 1s het gelouterde astraallichaam.
Dit werd in de verschillende cultuurperioden met tijdgebonden
beelden aangeduid.
Bij de Grieken was dat de verovering van het "Gulden Vlies";
in de Middeleeuwen het zoeken naar de "Graal" met het rozen-
kleurige bloed van de Christus en later het beleven van het
"Rozenkruis'".
Tegenwoordig vindt men het Geestzelf in het streven naar een
moderne mysteriegemeenschap in het werken voor een vooruit-
gang van de mensheid.
Dit kan men natuurlijk niet op de hoeken van de straten gaan
omroepen, maar het is wel nodig, dat steeds meer mensen
hiervoor open komen te staan.
Na deze algemene inleiding komen wij tot de "morele techniek"
(Filosofie der Vrijheid) om overgangsvormen te vinden van de
huidige tweede fase naar een beginnende echte derde fase.
De praktijk van de morele techniek is uitvoerig behandeld ín:
“Soziale Gestaltungen am Beispiel heilpaedagogischer Einrich-
tungen" (eine Vortragsfolge, Info 3-Verlag).
Hier geldt wat Rudolf Steiner stelde voor de driegeleding:
— De bewustzijnsziel berust op de activiteit, van het ik dat
voorlopig nog zelfzuchtig ís.
— De bewustzijnsziel ís antí-sociaal; wij zuilen van buitenaf
sociale vormen moeten creëren die de zelfzucht van het
dagelijkse ík helpt overwinnen en de mens verbindt met zijn
hogere onzelfzuchtige Ik. Deze loutert het astraallichaam,
de drager van de hartstochten.
Het streven naar de derde fase betekent daardoor vooral: het
oefenen van menselijkheid.
De morele techniek daarbij is het vermogen de eigen intenties
zó te verwerkelijken dat men daarbij de vrijheid van de ander
niet aantast.
De mentalíteitsverandering voor het economische leven werd
ingeleid d.m.v. het opnieuw doorlichten van de oorspronke-
lijke doelstellingen van een economische organisaätie: de
dienstverlening in de maatschappij.
Hiervan moet een ieder weer doordrongen worden.
De dienstverlening als totaliteit in plaats van de machtsvor-
ming van de eigen afdeling.
In bedrijfstaal: alle werkers moeten weer markt-gericht
worden.
20
Voor de wederom vlakke organisatie voor het economische leven
ontstond het beeld van de "klaverblad-organisatie".
Dit beeld ontstond destijds voor de overrijpe burocratische
of differentiatie-fase.
Bij de overgang van de tweede naar de derde fase moeten alle
taken en funkties opnieuw bekeken en geordend worden, vanuit
een groot overzicht, want deze taken en funkties moeten niet
alleen vanuit de organisatie overzien worden maar vooral ook
ín hun samenhang met externe, zelfs mondiale, behoefte en
ontwikkeling.
Namelijk, de integratie-fase betekent de integratie van een
groep werkende mensen ín de totaliteit van de arbeidsdeling
tussen organisaties, volkeren en werelddelen.
Het econcmísch leven is principieel mondiaal en ís niet
gevangen tussen staatsgrenzen.
Bij zo een vogelvlucht-perspectief komt de eerste taak van
een economische organisatie weer duidelijk naar voren: de
taak in de wereld buiten het bedrijf of de firma.
Er ontstaan dan in volgorde van afhankelijkheid of toeleve-
ring vier taakgebieden:
1. De externe functie — bekend als marketing.
2. De weg van begin tot het einde van het produkt, het pro-
dukt{1eproces.
3. De besturing van dit proces, zodat dit op het einddoel
gericht blijft.
4. De verzorging van het geheel met de middelen die je
nodig hebt: mensen, machines, gebouwen, kapitaal.
(Meestal wordt dit 4e punt het belangrijkste gevonden en
daardoor alles op z'n kop gezet).
De taak van de coördinatie van deze vier funkties blijft dan
over voor niet-dirigerende leiding.
Deze zal de blik vooral naar buiten moeten richten op die
verder weg liggende en langlopende ontwikkelingen.
Dit vraagt naast technische kennis en vaardigheden van de
hiervoor genoemde 4 taakgebieden vooral wijsheid en rijpheid.
Toen het boek met het klaverblad als logo op de omslag,in
1968 verscheen, was de tijd nog niet rijp voor het integra-
tie-denken.
Het was het jaar van het mondiale protest van de jeugd tegen
het efficiency-streven in de maatschappij. Dit protest moest
in die vorm eerst bedaren.
Pas de laatste jaren ziet men steeds meer organisaties die
bewust naar een integratie-fase strevèn.
“Transformatie-streven!" werd dit onlangs genoemd. Maar-
“what's ín a name", als het maar gebeurt.
21

robin
In de geschreven literatuur over het "transformatie-streven''
wordt gewezen op het veranderende bewustzijn dat nodig is
voor een veranderende wereld.
Deze oproep naar een veranderend bewustzijn ís in wezen de
roep naar de echte bewustzijnsziel, die het verstandsziel-
denken, dat bij de tweede fase hoort, moet vervangen.
Als zodanig is de roep naar transformatie uitermate belang-
rijk.
In het economische leven is:
- de pioniersfase een vrucht van de gewaarwordingsziel;
- de differentiatiefase een vrucht van de verstandsziel;
— de íntegratiefase een vrucht van de beginnende bewustzijns-
ziel.
Het zal nog blijken dat dit bij de instituten voor het gees-
tesleven anders ís.
Bij de derde fase van instituten voor het geestesleven gaat
het om het volgende.
We staan in de volontwikkelde groeifase.
Er heeft zich een horizontale organisatie gevormd zonder
hiërarchisch dirigerende tussenlagen.
De horizontale organisatie bestaat uit verschillende taakge-
bieden "nach Srtlíichen oder sachlichen Gesichtspunkte", zoals
Rudolf Steiner het uitdrukte.
Elk taakgebied vormt een samenwerkende vertrouwensgroep, met
hoogstens enkele mandaatopdrachten voor speciale taken binnen
het taakgebied. De vertrouwensgroepen van deze verschillende
taakgebieden staan naast elkaar zonder dirigerend hiërar-
chische verhoudingen.
Ook de zogenaamde hulpdiensten (financiële administratie,
onderhoudsdienst etc.) zijn horizontaal neven-geschikte
taakgroepen.
Een taakgebied kan de afstemming en coördinatie zijn van de
overige taakgebieden. In deze taakgroep, die ook weer een
vertrouwensgroep heeft, leeft de zorg voor het beleid van de
hele organisatie op langere termijn, de gemeenschappelijke
zorg voor de betreffende beweging (pedagogische-, heilpedago-
gische-, medische of kunstopleidende beweging) binnen de
totale anthroposofische beweging; ook het onderhouden van het
kontakt met de overheid en het voortdurende verdedigen van de
eigen omgangs- en organisatie-vormen tegenover de nivelle-
rende ingrepen van de dirigerende overheid ís haar taak.
Een dergelijke volgroeide tweede fase heeft zich gevormd en
functioneert met vallen en opstaan.
Wat ís nu de derde fase die hier weer bovenuit gaat?
Ook hier betekent dít weer een volgende stap in het bewust-
22
zijn en in de mentaliteit van de medewerkers, zowel persoon-
lijk als vertrouwensgroep.
De tweede-groeifase kan nog bestaan vanuit de beginnende
bewustzijnsziel. Dat betekent een voortdurende bestrijding
van het egocentrische aspekt van de bewustzijnsziel. De
vertrouwensgroepen dienen voor deze strijd als een oefenter-
rein, Hierop slaat de eerder genoemde opmerking over het
‘vallen en opstaan'',
De volgende bloeifase berust op het funktíoneren van een
geestelijke gemeenschap op grond van het Geestzelf.
Van dít Geestzelf (het door het Ik gelouterde astraallichaam
dat met de liefde van de Christus ís vervuld) hebben wij
allen de aanleg in ons.
In de bloeifase van een instituut voor het geestesleven wordt
aan en met deze kracht gemeenschappelijk gewerkt en geoefend.
Dit is het in wezen diepe verlangen naar "menselijkheid" van
alle medewerkers in de instituten. Ì
In deze ‘menselijke" atmosfeer gedijen de kinderen, de leer-
lingen ên de lerenden.
Het is inhaerent aan de bloeifase van een plant dat dit ener-
zijds het eindpunt van een ontwikkeling is maar dat het
bloeien zelf telkens even er ís wanneer zich een bloem vormt,
die dan zichtbaar is een tijdje en weer uitgebloeid raakt en
vervolgens er zich weer een nieuwe bloem vormt, die dan weer
een tijdje zichtbaar ís.
Zo ook is de derde fase van het geestesleven een situatie die
telkens bereikt wordt en dan weer terugvalt in de tweede fase
om vervolgens opnieuw weer een bloem voort te brengen.
Deze vergelijking is geen literaire beeldspraak, maar ís heel
letterlijk te nemen. De strijd voor een en het streven naar
een derde fase speelt zich op dít moment van de mensheidsont-
wikkeling af.
Waarin onderscheidt zich deze derde fase, de Geestzelf-samen-
leving van de tweede fase (bladvormende), de bewustzijnsziel-
samenleving?
De tweede fase, met zijn taakgroepen, neigt er naar de aan-
dacht geheel in beslag te laten nemen door een engere taakin-
vulling, de eigen klas, de eigen groep, het eigen therapeuti-
cum, Er vindt een neiging tot afsluiting plaats.
23

Het Geest-zelf brengt de mens weer in contact met de centrale
mensheidsontwikkeling en schept taken die boven het groepsbe-
lang uitgaan. ‚
Centraal staat daarbij de omzetting van de wijsheid in de
liefde.
De voor-christelijke mysteriën brachten de wijsheid, het
inzicht ín de verhouding van de mens tot de kosmos.
De nieuwe na-christelijke mysteriën zijn mysteriën van de
wil, van de door liefde gedragen daad: "dat goed worde",
daarmee eindigt de Grondsteen.
Een mysterie-geneeskunde, een mysterde-heilpedagogie, een
mysterie-pedagogie, dit alles is in wezen het zoeken naar het
"goede!" handelen uit Geestzelf-krachten.
De derde fase begint daarom bij de innerlijke ontwikkeling
van elke medewerker.
De oude mysterieweg naar de spirituele wijsheid kan men
alléén gaan door b.v. studie, meditatie en contemplatie.
De nieuwe mysterieweg van het goede handelen is een sociale
aangelegenheid en speelt zich af in de intentionele verhou-
dingen tussen mensen.
Daar waar twee mensen in Christus' naam bijeen zijn is Hij
onder hen,
Dit is een heel subtiel proces, dat zich afspeelt in "hoe"
fets gezegd of gedaan wordt.
De algemene mentaliteitsverandering speelt zich af ín de
richting van belangstelling en verantwoording.
Deze ís nu op de wereld gericht, op de plaats van het eigen
werk en van de groepsverantwoording ín de geestelijke wereld-
situatie.
In het dagelijkse bewustzijn is dat wat hier op aarde gebeurt
tegelijkertijd ín de hiërarchische wereld een factor díe
remmend of bevorderend op de mensheidsontwikkeling en de
kosmische ontwikkeling werkt.
Het Geestzelf-bewustzijn is tegelijkertijd "hier én daar", de
tweede fase is haast nog geheel "hier".
De "Parcifal-vraag" van Ita Wegman aan Rudolf Steiner in de
zomer van 1923, naar de noodzaak van een nieuwe mysterie-
geneeskunde, toonde aan dat zij zocht naar de nieuwe myste-
riën. Deze worden dan ín december 1923 door Rudolf Steiner
gesticht, Herhaaldelijk spreekt Rudolf Steiner daarna uit,
dat sinds de Weihnachtstagung "alles anders moet worden".
24
Zo ook wordt bij het streven van de tweede fase naar de derde
fase van de instituten voor het geestesleven "alles anders",
nauwelijks in de uiterlijke organisatievormen, alhoewel deze
meer warmte gaan uitstralen, maar vooral sterk ín elke mede-
werker afzonderlijk en bij het instituut als geheel.
Pas de derde fase vormt de aktieve cultuureflanden!
Echter in het streven daarheen wordt dít al direct merkbaar
in het omgangsklimaat.
Bij het economische leven wordt in de derde fase de aandacht
gericht op de maatschappij, die als markt voor de eigen
bijdrage voor allen zichtbaar wordt en aktiverend op het
handelen werkt.
Bij het geestesleven wordt in de derde fase de blik gericht
op de plaats van de mensheidsontwikkeling in de kosmisch-
hiërarchische ontwikkeling en deze werkt van daaruit terug op
de dagelijkse taakvolbrengíng en op de menselijke omgang.
De Geestzelf-gemeenschap schept nieuw karma tussen mensen
(die geen oud karma hoeven te hebben), karma dat naar de
toekomst werkt en die de zonnekrachten op aarde werkzaam
maken.
Beiden richten de blik naar buiten: de economische op een
markt, een materieel dienstbaar zijn aan anderen en de gees-
telijke op de ontwikkeling van Saturnus tot Vulcanus en een
zich ín dienst stellen van de Christus-taak in deze ontwikke-
ling.
De derde fase van instituten voor het geestesleven, de bloei-
fase van deze instituten, ís als men dit ideaal werkelijk wil
beschrijven, iets dat in esoterische dimensies voert.
Men kan voor het economische leven nog uiterlijk spreken over
de pionierfase als uitdrukking van een samenwerkingsvorm waar
de gewaarwordingsziel, de "Empfindungsseele", de grondslag
vormt .
Men kan er op wijzen, dat de tweede fase gedragen wordt door
elementen van de verstandsziel, en dat de ontwikkeling van de
gemoedsziel in deze groeifase de grondslag vormt van de
menselijkheid In de omgang.
Men kan bij de integratiefase vaststellen, dat pas daar een
bewustzijnsziel-samenwerking nagestreefd wordt, maar bij dat
laatste zijn dan wel een aantal kanttekeningen nodig.
De sociale vormen die bij de bewustzijnsziel horen hebben een
dubbel karakter. Het ene karakter is de egocentrische kant
van de bewustzijnsziel. Deze voert tot afsluiting van gren-
zen, tot handelsoorlogen en tenslotte tot de oorlog van allen
tegen allen.
Voor het enkele bedrijf voert het tot grijpen en graaien waar
25

men kan, zonder bedenking van de schaden buiten het eigen
bedrijf. Dit heeft het kapot maken van sociale structuren tot
gevolg en het vernietigen van de natuur door giflozingen en
door het ín de markt drukken van producten die mensen en
dieren schaden,
Het andere karakter van de bewustzijnsziel is die waar in de
bewustzijnsziel de daarin sluimerende kiem van het geestzelf
gewekt wordt.
Het geestzelf schept sociale structuren, waarin de menselijke
warmte kwaliteiten krijgt, die wij nu nog niet kennen, maar
waarnaar wij een diep verlangen hebben.
Ook bíj de instituten voor het geestesleven die naar de
bloeifase streven (!) moet opnieuw de geestelijke situatie
van de instituten bekeken worden vanuit een hoog, hiërar-
chisch gezichtspunt. Met de ogen van de aartsengelen, die
zich interesseren voor het streven naar iets van groepen
mensen en dan gezien vanuit de tijdsgeest, die dit streven
zijn plaats ín de evolutie geeft.
Bij de beschrijving van de groeifase kwam één aspect daarvan
reeds ter sprake: het streven naar overschot.
Overschot in voorbereiding, overschot van inzet, overschot
van belevingsdiepte.
Een volgend aspect is het gaan van een gemeenschappelijke
ontwikkelingsweg.
Het eerste wat hiervoor gevraagd wordt, is een gemeenschappe-
lijke medítatie. Maar hier ís grote voorzichtigheid op zijn
plaats. Wie een meditatie doet om iets te bereiken, zal
bemerken dat deze averechts werkt, zelfs als het doel jets
als het beter functioneren van een instituut voor het gees-
tesleven ís.
Meditatieve activiteit mag alleen onzelfzuchtig, ook als
groep onzelfzuchtig, ontplooit worden om deszelfs wille, niet
om er iets voor terug te krijgen.
In augustus 1924 heeft Rudolf Steiner in Engeland in de
eyclus "initiatenbewustzijn" gesproken over twee wegen van de
mens in de geestelijke wereld op weg naar de Zonnesfeer, waar
het eigen hogere Ik thuis is, nl. dat:
— De individuele weg van oudsher de weg van het streven naar
imaginatie, ínspiratie en intuïtie ís.
Dit is de weg van het aardse bewustzijn naar het imagina-
tieve van de Maansfeer en voert door de Mercurius- en
Venussfeer in de Zonnesfeer. Het ís de weg die elke mens na
de dood gaat. De weg waarop hij zich stap voor stap los-
maakt van de aardse gebondenheid ín tijd en ruimte om
inspiratief deel te nemen aan het "gesprek der hiërar-
chieën' waar in de Zonnesfeer de grote mensheids-ontwikke-
lingsdoelstellingen geopenbaard worden, door de Geesten der
Wijsheid, de Kyriotites.
- De andere weg is de weg die men als vertrouwensgroep kan
26
gaan om te leren meer op de creativiteit van de ander te
letten dan op de eigen. Dat begint al als grondslag voor
het functioneren van de mandaatsgroepen ín de tweede fase
en dat wordt nu geïntensiveerd ín het zoeken naar antwoor-
den op geestelijke vragen. Vragen naar het geestelijke
beleid en naar de wegen die gegaan moeten worden. Want deze
weg begint met de intuïtie die de één bij de ander wekt.
Het gaat hier om wilsvragen, om handelen vanuit een geeste-
lijke opdracht.
Het is de weg die de individualiteit gaat op weg naar een
nieuwe incarnatie, Vanuit de Saturnussfeer moet de indivi
dualiteit begeleid door zijn geestkiem uit de veelheid van
dierenriem- en planetenkwaliteiten zijn omhulsels voor een
aanstaand leven integreren, om dät te kunnen verwerkelijken
wat ons karma voor ons bereid heeft. Maar dat proces vol-
trekt men niet alléén! Karma ís niet iets wat mij alleen
aangaat, karma is juist dät wat tussen mensen zich afspeelt
aan ontwikkeling.
Karma is een sociale aangelegenheid,
Voor de realisatie van onze komende incarnatie heb ík de
anderen nodig en hebben zij míj nodig. Dit is het oerbeeld
van de "Saturnusweg", de weg van elk wilsbesluit dat naar een
toekomst voert. Toekomst vorm ík niet alleen, maar tesamen
met mijn tijdgenoten.
Aan het einde staat de daad, gedragen door de geesten van de
vorm: de Exusiai, de scheppers uit de Zonnesfeer, die het
karma helpen realiseren.
Deze begint met de intuïtie, de gerichte wil tot een karmísch
handelen, en dat ís per definitie een sociaal proces.
De Saturnusweg, de sociale ontwikkelingsweg, begint met de
intuïtie, het wilsbesluit en eindigt met de {maginatie.
Men ziet terug en ziet of het goed of niet goed was!
De illusie dat deze weg alléén te gaan zou zijn, zou beteke-
nen dat men meent in de wilshandeling alleen met zichzelf te
maken te hebben. Dat ís de bron van het egoïsme!
De Maanweg voert tot de wijsheid. Het is de weg van alle
vóórchristelijke mysteriën,
De Saturnusweg voert tot de scheppende daad, dat is de weg
van de na-chrístelijke nieuwe mysteriën. Deze voert in de
toekomst en het is een sociale weg die een christelijke
samenleving moet scheppen.
Het zoeken naar een nieuwe mentaliteit ín een "derde fase"
bestaat uit het halfbewuste besef dat de toekomst ons niet
meer toevalt uit de schoot der goddelijke hiërarchieën, maar
dat de mens zelf de schepper van zijn toekomst is.
Maar deze toekomst is alleen heilzaam als deze met christe
lijke, sociale, intermenselijke krachten geschapen wordt.
27

De moderne mens moet beide wegen gaan: de oude weg naar een
wijsheid én de nieuwe weg naar de christelijke daad.
In de derde fase van zowel economische als geestelijke samen-
werkingsverbanden zouden beide wegen gegaan moeten worden,
echter met andere taakstellingen.
Na deze uitweidingen komen wij terug op de morele techniek,
die nodig is voor het realiseren van de stappen in de rich-
ting van de derde fase.
Zoals reeds gezegd: de derde fase is er nooit, zij is altijd
ontstaande, een ogenblik functionerend en vervolgens ''verwel-
kend", als een bloem aan een plant, en kan dan weer opnieuw
opbloeien.
De bloeifase van een plant is geen gefixeerde eindtoestand
van: ziezo, nu zijn we er, nu kunnen wij uitrusten, maar een
op de tenen lopen, een moment van realiseren, terugvallen en
weer opnieuw realiseren.
In de praktijk betekent dat, dat een sociaal geslaagd overleg
niet betekent dat nu voortaan alle overleg zal slagen, maar
dat dit slagen elke keer opnieuw bevochten moet worden.
Het denken van de laatste eeuwen ís een statisch denken. Rust
is normaal, als iets beweegt moet het van buitenaf een duwtje
gehad hebben.
Het nieuwe denken zegt: beweging en ontwikkeling ís normaal,
het is de grondslag van alles. Rust ís schijn.
Rust ís zó een langzame beweging of ontwikkeling, dat wij de
beweging binnen ons tijdsbestek niet waarnemen.
De Alpen schijnen voor ons een heerlijke rust uit te stralen,
maar zij zijn pas "kort" geleden gevormd, en de Himalaya
wordt nu nog per eeuw l à 2 meter hoger!
28
III. OVER HET GEESTESLEVEN
Geestesleven is altijd persoonsgebonden.
Het ontstaat ín de mens, en kan door een woord of geschrift
in andere mensen tot leven komen. Dan zijn deze ook dragers
van het geestesleven en zij zullen zelf ook weer nieuw gees-
tesleven genereren (tot leven brengen).
Vruchtbaar geestesleven ís alleen dät geestesleven dat geïn-
spireerd is door de heersende tijdsgeest. Dat is ín deze eeuw
en de komende eeuwen Michaël, de Zonneaartsengel.
Rondom de eeuwwisseling van het jaar 2000 werken Lucifer en
Ahriman samen om te proberen voorgoed de leiders te worden
van een toekomstig geestelijk leven, dat alle andere facetten
van het leven zal overheersen.
Dat ís "de grote geestesstrijd' waarover Rudolf Steiner aan
het begin van deze eeuw herhaaldelijk gesproken heeft.
In deze geestesstrijd staan wij nu reeds. Deze wordt geken-
merkt door een draaikolk van krachten, waarin Luciferische,
Ahrimanische en Michaëlische krachten zó door elkaar werken,
dat er geen situaties meer bestaan waarvoor slechts één
uitleg geldig ís, maar elke situatie en elke reactie op die
situatie een gemengd karakter heeft.
Om ín deze draaikolk een weg te vinden heeft Rudolf Steiner
tijdens Kerstmis '23-'24 de "Freie Hochschule für Geisteswis-
senschaft' gesticht. Daarmee werd ín opdracht van Michaël een
nieuwe mysterieschool opgericht, die de deelnemers een weg
wijst door de chaos van de strijd aan de drempel.
Tegelijkertijd verwachtte Rudolf Steiner, dat daarna "alles
anders gedaan zou worden". Dat "andere" bestond ín het stre-
ven naar een nieuwe mysterie-geneeskunde, -pedagogie, -heil-
pedagogie, wetenschap en =kunst. Anders dan vóór de Weih-
nachtstagung, toen in de moedige beginfase van een spirituele
wetenschap en kunst, hoofdzakelijk geworsteld werd met de
nieuwe inhouden.
Na de Weihnachtstagung en het stichten van de nieuwe Michaël-
mysteriën, zou deze worsteling ín het licht komen te staan
van een persoonlijke en tegelijk gemeenschappelijke ontwíkke-
lingsweg, waardoor vanuit de deelnemers nieuwe imaginaties,
inspiraties en intuïties tot een voortzetting van de ontwik-
keling van een Míchaëlisch geestesleven zouden voeren.
Deze voortzetting bevindt zich nu temidden van de grote
geestesstrijd ín de genoemde draaikolk van krachten.
Slechts uit de krachten van de Michaëlschool kan het onder-
scheidingsvermogen groeien om in deze draaíkolk Michaëel te
dienen.
Bij de onderscheiding in de vraag wie nu in een bepaalde
situatie inspirerend werkt, is de enkeling aangewezen op de
wederzijdse hulp binnen een vertrouwensgemeenschap.
Wat geoefend moet worden binnen een vertrouwensgemeenschap ís
de waakzaamheid ín het waarnemen, waar een ander op een
29

bepaald punt of gebied meer inzicht heeft dan de overigen.
Rudolf Steiner karakteriseert Michaël (ín de nacht van 4
januari 1924 opgeschreven, twee dagen na de sluiting van de
Weihnachtstagung) als volgt:
“Michaël brengt wil, kracht en moed.
Hij ís zonne=-geest, hij wil dat men hem aanschouwt.
Hij werkt met de gevolgen, niet met de oorzaken.
Michaël 1s zwijgzaam, terughoudend.
Hij geeft geen antwoord, hij ís er, hij wil!
mees De talen zijn iets waarvan hij zich afwendt. Hij wil
eerst de gedachte!"
Zo noteert Rudolf Steiner de aanschouwing van Michaël.
Michaël is op de toekomst gericht, hij werkt met de gevolgen
van onze daden, in het verleden is hij niet geïnteresseerd.
Waar staan wij nu?
Wat moeten wij voor de toekomst beslissen?
Wat zijn de gevolgen van onze huidige beslissingen, die met
moed genomen moeten worden?
En dat laatste is door de draaikolk voortdurend in beweging
tussen Lucifer, Ahriman en Michaël.
Michaël spreekt tot de wil,
Dat betekent niet dat hij de dingen 'koud' beslist.
De wil komt bij Michaël uit het midden, uit het hart, met
enthousiasme.
Een enthousiasme dat gedragen wordt door spiritueel inzicht.
Ahriman denkt dingen koud door, omdat zij "logisch" en "nood-
zakelijk" en "efficiënt" zijn.
Lucifer kan daarmee een merkwaardig enthoustasme verbinden,
dat echter spoedig tot fanatisme wordt.
Het is vaak moeilijk om te onderscheiden of enthousiasme nu
Michaëlisch of Luciferisch ís.
Het is vaak even moeilijk te onderscheiden of een actie uit
een Michaëlisch iímaginatief-denken of uit een Ahrímanisch
organisatie-denken komt.
Deze moeilijkheden ín onderscheiding zijn het merkteken van
de grote geestesstrijd.
"In de bewustzijnszieletijd wordt het Ik "gehard" in de
strijd met het boze",
Michaël brengt het ware enthousiasme voor deze strijd.
De anthroposofische instituten staan midden ín deze geestes-
strijd, tussen vele vuren!
De werkelijkheid van de geestesstrijd speelt zich af binnen
deze instituten. De medewerkers verzekeren zich van hun
bestaansmogelijkheid door versterking van hun innerlijke
geestgehalte, niet door slimme of politieke handigheden, noch
door een streven de buiten-instituten te overtreffen in
wetenschappelijkheid of efficiency.
Het innerlijke geestgehalte, de gezamenlijke Michaëlische
30
weg van het midden, bepaalt of een instituut door de aanval-
len van de tijdsafgoden heen komen,
Beslissingen worden niet overdag maar ín de nacht genomen,
als wij allen een open boek voor elkaar zijn, en wanneer ook
onze vijanden onze spírituele kracht of machteloosheid waar-
nemen.
De anthroposofische instituten voor het geestesleven zouden
bij erkenning van onze werkelijke achtergronden een ernstige
bedreiging betekenen voor het fundament van de huidige me-
dische en pedagogische wetenschappen.
Het biochemische medische model, het behaviouristische peda-
gogische model, verdragen zich niet met een model waarin een
geestelijk IK met zijn eigen lot een plaats heeft,
Erkenning door de officiële instanties van wetenschap of
politieke overheid zal daarom nooit plaats vinden door ken-
nisname van onze werkelijke spirituele achtergronden, even-
tueel wel door de resultaten van ons werk.
De ervaring van meer dan 20 jaar universitair werken heeft
mij geleerd, dat men zich als strevend anthroposoof in de
wetenschappelijke wereld slechts staande kan houden door twee
talen met dezelfde inhoud te spreken: één voor het werk thuis
en één voor de universiteiten.
Als men de tweede taal goed spreekt (en dat is niet voor
iedereen karmisch mogelijk), dan ontstaat een voorzichtige
interesse of 'Ahnung' voor datgene wat achter die taal
spreekt. Maar dat duurt lang. Desondanks is het belangrijk
dat een enkeling, die dat karmisch kan, díe weg gaat; voor
velen, die thuis proberen de anthroposofie direct imaginatief
te verwerken om dan intuïtief te handelen.
31

OVER GEESTELIJKE CREATIVITEIT
Een instítuut voor het geestesleven leeft bij de gratie van
de creativiteit van zijn medewerkers.
Echte creativiteit berust op het offer van eigen wensen en
persoonlijk karma, terwille van een hogere taak of doelstel-
ling.
Deze creativiteit kan alleen bloeien ín vrijheid en is afhan-
kelijk van de mogelijkheid om, zowel wat tijd betreft, als
wat overschotkracht betreft, bezinning op de geestelijke
grondslagen van dat werk in het instituut tot bloei te bren-
gen.
De werkorganisatie moet dusdanig zijn, dat men elkaar weder-
kerig deze bezinning toestaat, ja, zelfs aanmoedigend bevor-
dert.
Door de creativiteit straalt het instituut licht en warmte
uit en beantwoordt aan de verwachting van Rudolf Steiner, dat
zij een positieve cultuurfactor wordt.
Daar waar medewerkers achter hun taak aanhijgen, verdwijnt de
overschotkracht en daarmee de creativiteit van het instituut.
Deze wordt dan tot een mausoleum van gemummificeerde werk-
methoden, vaak tot vreugde van de wereld, díe nu eindelijk
vat krijgt op de ongrijpbare, onvoorspelbare creativiteit en
die nu kan beginnen einddoelen, leerplannen en toetsen te
ontwikkelen, die op een voorspelbaar handelen gebouwd en
gericht zijn.
De burocratische organisatie wil alleen te maken hebben met
voorspelbare, controleerbare handelingen en prestaties. Zelfs
vernieuwing en innovatie moet gepland kunnen worden, met
eliminatie van "wilde groei".
De integratiefase van een organisatie van het economisch
leven en de bloeifase van een instituut voor het geestesle-
ven, beiden leven van de creativiteit van de medewerkers.
Deze creativiteit kan zich richten op verschillende gebieden:
- Er ís een zuiver technische creativiteit die berust op een
op nieuwe wijze combineren van bekende samenhangen, dan wel
op het zoeken naar nog onbekende samenhangen, alles binnen
ons fysisch-chemísche mens- en wereldbeeld.
Hieruit komt alleen meer van hetzelfde voort!
= Anders wordt het al índien de creativiteit gericht is op de
vernieuwing van het mens- en wereldbeeld zelf. Dit streven
is ín de wetenschap momenteel hoogst actueel. Het zoeken
naar nieuwe paradigma's; dit zijn wezenlijke vernieuwingen
en niet alleen maar méér van het oude.
Creativiteit in het intermenselijke, sociale veld, heeft
vele facetten. Elke vertrouwensgroep beoefent concrete
creativiteit in de omgang met situaties. Doelstelling
daarbij ís de morele techniek, om de eigen morele intuïtie
zó te verwezenlijken, dat de vrijheid van anderen niet
aangetast wordt.
32
Variaties op sociale creativiteit leven in het lesgeven
tussen leraar en leerling, ín de groepsopvoeding tussen
groepsleider en pupillen.
In het personeelsbeleid van een school, een instituut, een
ziekenhuis enz. ís er een voortdurende strijd tussen het
toepassen van regels die er zijn vanwege de rechtvaardig-
heid, d.w.z. vanwege het feit dat ín het omgangsleven de
gelijkheid geldt, én daartegenover de noodzaak om indivi-
duele problemen op te lossen, met creatieve doorbreking van
regels.
Te staan in een creatieve spiritualiteit vereist moed, moed
en nog eens moed (zoals Rudolf Steiner uitsprak).
Naast moed ook activiteit om zichzelf steeds vragen te stel-
len en te werken aan de beantwoording van deze zelfgestelde
vragen.
Wie creatief wil zijn, moet werken op twee niveau's.
Eén niveau van het dagelijkse werk en één niveau van het
innerlijke werk aan de vraagbeantwoording.
Wie dat beoefent, ontdekt dat hij/zij het tweede niveau elk
moment kan inschakelen, bijvoorbeeld tijdens 5 minuten wach-
ten op de etensbel of de auto die je meeneemt naar een be-
spreking.
Het tweede niveau ís dag en nacht aktief, maar wordt gedood
door fysiologisch uitputtende arbeid.
Het tweede niveau werkt vooral ook 's nachts, als men b.v.
met een vraag ínslaapt dan kunnen overdag tíjdens het gewone
werk de antwoorden invallen, of men kan in een gesprek plot-
seling een antwoord geven dat men zelf tevoren nog niet
kende.
Veelal moet men deze invallen snel opschrijven om ze niet te
vergeten, of je deelt ze aan een ander mee, voor wie zulke
opmerkingen het antwoord kunnen zijn op een eigen vraagstel-
ling. Want ín de nacht zijn wij voor elkaar "een open boek".
Wij weten van elkaars streven en worsteling.
Het probleem is om dät weten, dat bij het ontwaken onderduikt
in het onbewuste zieleleven, boven water te krijgen ín het
bewustzijn. Daarbij helpt de ander als men hiervoor alert ís,
Maar ook hier bestaan er verschillen.
“Bovenzonnige! mensen met sterke Saturnische krachten zoeken
de creativiteit ín de eenzaamheid.
“Onderzonnige! mensen met Mercuriale krachten worden creatief
in de ontmoeting.
En ook hier geldt: beiden zijn nodig!
Zelfkennis ten opzichte van creativiteit eist dat men ontdekt
hoe de eigen constitutie en karakterstructuur creatief kan
zijn: Maar wees dat dan ook!
Elk mens heeft een individueel fysiologisch arbeidsritme.
Werkt hij in dat ritme, dan wordt hij niet moe, moet hij
33

tegen het ritme in werken, dan put dat uit en voert tot
afknappen of ziek worden.
Is er ín een bepaalde groep veel ziekteverzuim, zeg dan niet
dat de huidige mensen minder krachten hebben, maar kijk eens
ernstig naar de huidige arbeidsorganisatie.
Creativiteit heeft tijd nodig om tot bewustzijn te komen.
Het voorbereiden van lessen voor een volgende periode bij-
voorbeeld, kan slechts vruchtbaar zijn als er tijd ís om de
onrust van een werkdag of -week tot rust te laten komen. Je
opgejaagd voelen door werk- en tíjdschema's doodt creativi-
teit. Wij zullen elkaar de vrijheid moeten gunnen om de eigen
weg tot creativiteit te zoeken en te vinden.
Een werkelijke verantwoordingsgroep let op of er collega's
zijn die niet passen ín een schema dat voor een ander mis-
schien optimaal ís.
Kortom, creativiteit en gezondheid eist flexibiliteit ín
onderlinge arbeidsverdeling. En dat est weer veel onderlinge
tolerantie. Tolerantie voor het feit, dat de één kwantitatief
veel werk verzet en de ander één maal per jaar met een kwali-
tatieve prestatie tevoorschijn komt. Beiden zijn nodig!
Creativiteit eist ook tijd om te lezen en te denken: 1202 om
straks 502 te gebruiken.
Creatieve instituten zijn altijd alternatief, dissident, op
andere, geestelijke, doelstellingen gericht.
Wie de innerlijke stem volgt van de geestelijke, creatieve
mens, wordt tot "ketter van de innerlijke stem", zoals Neu-
mann dat ín zijn boekje over nieuwe ethiek noemt.
Extra frustrerend ís het als arbeidstijden, vacanties,
groeps- en klassengrootte door de overheid worden voorge-
schreven, via de geldkraan van subsidies. Daartegen zal men
zich tot het uiterste moeten verzetten, en dat kan vaker met
succes bekroond worden dan men denkt, vooral als men zelf met
uitvoerbare alternatieven komt.
Creativiteit wordt gedragen door mensen.
Een groep samenwerkende mensen vormen het geestkapitaal van
een instituut. Het geestkapitaal moet ín stand gehouden
worden, anders verdwijnt het en wordt het instituut een
oninteressante, misschien voorbeeldig aangepast instituut,
waarvan er twaalf in een dozijn gaan.
Misschien wordt het instituut zelfs wel geprezen voor zijn
voorbeeldige aanpassing aan alle grillen van een politieke
besluitvorming van hogerhand.
Maar zo een instituut is geen "cultuureiland', waarvan licht
en warmte uitstraalt voor een spirituele toekomst.
34
MEDEWERKERSBELEID IN EEN INSTITUUT VOOR HET GEESTESLEVEN*
Gedurende mijn lange leven ín anthroposofische samenhangen
heb ík vele voordrachten gehoord over de "Philosophie der
Freiheit' van Rudolf Steiner. Veel heb ik horen spreken over
"das reine Denken!" en over de 'moralische Intuïtion" en over
de '"moralische Phantasie'", maar nooit over de laatste kracht
in deze samenhang: de "moralische Technik".
De morele techniek wordt door Rudolf Steiner als 'dritte im
Bunde" naast intuïtie en fantasie beschreven als het vermogen
om de eigen "morele" doelstellingen zó te verwerkelijken dat
men daarmee de vrijheid van anderen niet aantast.
Dat vermogen is "leerbaar' zegt Rudolf Steiner uitdrukkelijk,
maar nooit had ik ook maar een poging ontmoet om deze morele
techniek op zijn leerbaarheid te onderzoeken totdat met het
opric se Pedagogische Instituut voor het
bedrijfsleven ín de vijftiger jaren een instituut opgericht
werd om deze morele techniek althans voor economische organi-
saties (!) uit te werken.
Daarbij deed zich de merkwaardige situatie voor, dat het
N.P.I, zelf een instituut voor het geestesleven was en dat
deze werkte en onderzoek deed voor organisaties van het
economische leven met andere doelstellingen en andere wetma-
tigheden dan het eigen instituut.
Dat uit elkaar te houden eiste een voortdurende wakkerheid,
hetgeen eerlijk gezegd, niet altijd lukte.
Maar daarvoor staan we dan ook in de voorste linies van de
grote geestesstrijd, die ín wezen een strijd om onderschei-
dingsvermogen en wakkerheid is. Dat betekent een voortdurende
worsteling en nog niet een subliem kunnen.
Een tweede poging om de morele techniek voor anthroposof ische
instituties uit te werken werd ín de zeventiger jaren onder-
nomen ín de voordrachten voor de internationale heilpedago-
gische beweging, uitgegeven onder de titel: "Soziale Gestal-
tungen in der Heilpädagogik", die ín het buitenland grote
oplagen beleefden, doch in Nederland weinig bekend bleven.
Dít hoofdstuk over medewerkersbeleid gaat ín wezen over de
werkelijkheid van de morele techniek. Lukt het níet om de
eigen doelstellingen zó te verwerkelijken dat de anderen hun
vrijheid behouden, dan wordt personeels- en medewerkersbeleid
tot immorele techniek of manipulatie van mensen, hoe hard dat
ook moge klinken.
“Ter onderscheiding spreken wij over personeelsbeleid voor
het economische leven en over medewerkersbeleid bij insti-
tuten voor het geestesleven.
35
z
5
jo)

Vele malen ís reeds uitgesproken: in de bewustzijnsziele-
periode worden alle problemen morele problemen, Vandaar de
toevoeging moreel bij intuïtie, fantasie en techniek.
Ontbreekt dat morele, dan is er ook immorele intuïtie en
immorele fantasie. Wij kennen ze ín de demonisch-totalítaire
staatsvormen van bolsjewisme, fascisme en het fundamentalisme
van alle godsdiensten. Zij worden gedragen door een immorele
fantasie, want deze ís gericht op de onvrijheid van de men-
sen.
Indien wij de morele techniek onderzoeken in verband met
instituten voor het geestesleven, dan mogen wij geen moment
vergeten, dat wij het hebben over een micro-aspect van een
mensheidsontwikkelingsprobleem,
In dat licht wordt dít hoofdstuk geschreven, niet om rechter
te spelen!
Er zal geprobeerd worden problemen te karakteriseren.
Personeelsbeleid en medewerkersbeleid hebben elk op hun eigen
manier het aspect:
—= recrutering, aanname en plaatsing;
— opleiding, begeleiding en creativiteitsbevordering;
— leeftijdsopbouw en ouderen-beleid;
— externe opleidingen en roulatie tussen de instituten;
= tenslotte "morele" inkomensregelingen,
Dit alles onder de overkoepelende doelstelling om "anthropo-
sofische instituten na de "Weihnachtstagung" te ontwikkelen
tot nieuwe mysterie-gemeenschappen!
Daarvoor is de trias morele intuïtie, fantasie en techniek
nodig.
Aanname en plaatsingsbeleid,
Aanname eist een toekomstdenken met lange adem en intuïtieve
vermogens om ín te schatten welke ontwíikkelingsmogelijkheden
bij jonge mensen aanwezig zijn.
Een belangrijke factor ís de motivatie waarmee een jong mens
zijn levensweg in dat beroep of werk zoekt. Is dat om een
baan te vinden, of is het om zich voor een ideaal in te
zetten met de bereidheid tot het brengen van offers en het
gaan van een innerlijke én beroepsmatige ontwiíkkelingsweg.
In de werving, ín het aanname-gesprek, moet dat voor een
sollicitant duidelijk zijn en voor de gespreksleiding een
sollicitatie-eriterium.
Het leren aanvoelen van potentiële capaciteiten op deze
gebieden, ís de ontwikkelingsweg van degene die de” aanname-
gesprekken voert.
Deze wordt dan weer gedragen door het mandaat van de gemeen-
schap die hem of haar deze taak heeft toevertrouwd: aan de
mandataris is het om bij twijfel hulp te zoeken bij degene
die hij of zij voor "dit" geval vruchtbaar acht.
36
Voor de opleidingsinstituten (c.q. academies) geldt hetzelfde
voor de aanname van de studenten.
Elk instituut moet regelmatig nieuwe mensen aantrekken voor
de algemene basisopleiding en voor de taken binnen het insti-
tuut.
Het ideaal zou zijn als goed vóóropgeleide mensen met speci-
fieke anthroposofische ervaring beschikbaar zouden zijn.
Dat mogelijk te maken valt onder het hoofdstuk: externe
opleidingen ondersteunen.
Deze ideale werkelijkheid is niet aanwezig en daarmee ont-
staat de vraag naar het spiritueel verantwoorde, "morele"
compromis, de middenweg tussen de fundamentalisten en een no-
nonsense beleid.
Functies ontstaan altijd binnen een bepaald gekozen organísa-
tie-denken.
Tot de morele techniek behoort dat beslissingen, genomen
vanuit een bepaalde keuze van denken, principieel discutabel
zijn en niet alleen in de praktische uitwerking van een
genomen besluit.
De 'noodzaak'" van een keuze gaat altijd uit van vóóronder-
stellingen die als axiama's vanzelfsprekend zijn (voor de
betref fenden).
Reeds bij de eerste stap: de recrutering, komt de gehele
trias: intuïtie, fantasie en techniek tevoorschijn.
De aanname is een probleem, dat de gehele gemeenschap aan-
gaat. Waren wij ín staat om unanimiteit te hanteren, zoals
Rudolf Steiner bij het begin van de Waldorfschool gehoopt
had, dan zou aanname ook een unaniem besluit moeten zijn.
Daartegen bestaan een paar praktische onopgeloste bezwaren:
nl. om je stem in de unanimiteit uit te brengen moet je weten
over wie je het hebt, je moet de kandidaat kennen, het is
echter voor de sollicitant onmogelijk om 80 tot 300 gesprek-
ken te voeren!
Hier is het republikijnse beginsel van de mandaatorganisatie
op zijn plaats.
De totaliteit van de medewerkers benoemt een vertrouwensper-
soon, die voor deze totaliteit het gesprek voert en de be-
slissing mag nemen.
Het moet aan de vertrouwenspersoon, de mandataris overgelaten
worden óf en wie hij/zij bij deze keuze helpend wil betrek-
ken, want een aannamegesprek is een delicate zaak en geen
rechtbank of examencommissie. Het ís in hoge mate het aftas-
ten van het karma of de betreffende persoon, op dit moment,
in deze gemeenschap zijn of haar weg kan vinden.
Men grijpt in in het karma van een medemens en blijft verant-
woordelijk voor die beslissing, tot na de dood, Daarom moet
de mandataris ook werkelijk het vertrouwen en vrijheid van de
37

viduele geestkapitaal van het instituut of de beweging.
Een basisopleiding kan, al naar behoefte, verschillende
vormen hebben. Bijvoorbeeld een meer formele algemene, die
tot bevoegdheden voert, én een meer individuele spiritueel-
vakkundige opleiding (soms applícatiecursus genoemd) voor hen
het mogelijk zijn individuele regelingen te treffen die door die anthroposofische verdieping zoeken. Een te sterke menging
de mandataris gevraagd worden voor deze sollicitant. van deze beide typen voert tot onbevredigdheid wat beide
deden Slechts de mandataris kan een oordeel hebben over de vraag of kanten betreft. we
dbs Naast de georganiseerde basis-opleiding moet er een 'êduca-
er, .
gemeente krijgen.
Voor grotere instituten kunnen aparte mandaatgroepen gekozen
worden voor bepaalde categorieën van sollicitanten.
De administratief-economische kant van de aanname kan ten
dele ook administratief worden afgedaan. Maar ook hier moet
É deze individuele regeling reëel is vanuit de sollicitant en u
tíon permanente! zijn voor alle medewerkers, deze wordt in
acceptabel voor de gemeenschap, de overigen zijn technische
problemen, soms begrensd door economische mogelijkheden, overleg, individueel vorm gegeven. De wens en de wil van de
hoewel ook deze weer berusten op een bepaalde opvatting over medewerker is daarbij uitgangspunt, want leren doet men
alleen dat, waarvoor men belangstelling heeft.
de rol van het economische aspect van een instituut voor het â pn
Een Russisch spreekwoord zegt: "Je kunt een paard wél naar
geestesleven. Het ís een keuze van prioriteiten!
het water brengen, maar drinken moet het zélf doen".
Zo is het de taak van de leiding van de opleidingen om voort-
durend "water! aan te bieden, water van verschillende kwalíi-
teiten. Water dat gewild wordt door "dorstige paarden".
— Deze ‘dorst! naar verrijking, verdieping en intensivering van
inzicht en naar wil tot inzet, kan ín stand gehouden worden
door zichzelf vragen te stellen!,
De uitvoering daarvan kan zijn om voor zichzelf voor de
komende drie jaar bijvoorbeeld een thema te kiezen waarmee
men vanuit alle kanten bezig wil zijn, door zoveel mogelijk
erover te lezen, dat gelezene telkens weer te doordenken, in
schap vertegenwoordigt. Dit laatste markeert ook het verschil gesprekken te luisteren of een schijnbaar onbelangrijke
tussen een door de totalttert gekozen mandataris en een door opmerking niet plotseling een poort opent voor nieuwe inzich-
een bestuur of "directie!" benoemde functionaris. In dit ten en nieuwe vragen.
laatste geval bestaat er geen tevoren uitgesproken vertrou- Afgezien van het gegeven dat men elkaar daarbij kan helpen
wensrelatie en is controle op beslissingen noodzakelijk! Dit doordat bijvoorbeeld bekend is, dat een bepaald persoon
// laatste is de normale situatie in het huidige bedrijfsleven, speciaal in dit of dat gebied geïnteresseerd is en men daar-
Ter verduidelijking: bij een mandaatstelsel behoort de vol-
gende regel. Men geeft de mandataris globaal vertrouwen, men
kan dat echter ook weer intrekken als de mandataris het
vertrouwen niet meer blijkt fe hebben: 7
es kan de mandataris niet ter verantwoording roepen voor elk
afzonderlijk besluit dat hij genomen heeft. Dat is bindend
door de algemene mandaatverstrekkíng.
Men heeft met deze daad uitgesproken, dat men het vertrouwen
heeft, dat de mandataris naar beste inzicht en morele overwe-
ging, "als een goed huisvader", de belangen van de gemeen-
maar niet in een instituut voor het geestesleven. door ideeën kan aandragen, afgezien daarvan moet men, zoals
reeds elders gezegd werd, zelf leren tegelijkertijd op twee
Opleiding en begeleiding. niveau's te leven. Ne
De opleiding van medewerkers is de meest spiritueel-esote- Ln niveau voor het dagelijkse werk en één niveau van de
rische taak binnen een instituut voor het geestesleven. innerlijke studie.
De leiding van de opleidingen kan alleen dàn voeren tot een Deze Ìs da MER als de bovenleiding van een tram: men kan op
verhoging van het geestkapitaal van een instituut, wanneer elk moment “de beugel intrekken” en weer aansluiten.
deze leiding zelf een belangrijke spirituele bijdrage kan Het berust op jarenlange ervaring, dat deze methode op den
leveren tot de opleiding. duur betere "resultaten" geeft dan het verschaffen van vrije
Slechts dan kan deze oordelen over het gehalte van de aange- maanden "voor studie". Dit laatste heeft alleen zin als men
met eigen, specifieke vragen ergens anders heen gaat, voor
een specifieke ontmoeting.
Wie deze methode tot een vast levenspatroon maakt, kan in
toenemende mate bijdragen aan de realisering van een myste-
rie-gemeenschap. Als men dit met velen doet, dan vangt men
elkaars ups en downs op: de down van de een wordt gecompen-
seerd door een vruchtbare periode van: de ander én erd.
eze weg ís de meest vruchtbare voor een “êducation perma-
nente", De leiding van de opleidingen hoort door gesprekken
boden leer- en oefenstof, over het spirituele gehalte van de
prestaties van de leerlingen en over de planning van de
individuele loopbaanbewaking later.
Elke andere oplossing voert tot uiterlijke beoordelingen,
administratieve organisaties en programma's waaraan iedereen
op dezelfde manier moet voldoen, gericht op meetbare resulta-
ten, 8
Geestesleven ís uiterst individueel, de opleiding van toekom-
stige medewerkers is het scheppen van het toekomstige, indi-
38
39

op de hoogte te zijn van de ínteresse-centra van de medewer
kers, om waar mogelijk helpende maatregelen te kunnen nemen.
Dit impliceert, dat de leider van de opleidingen het vertrou-
wen heeft van de medewerkers en vooral van de creatieve
medewerkers.
Dat eist een rijpe persoonlijkheid die zelf creatief ís!
In kleinere instituten kan één van de oudere medewerkers deze
taak op zich nemen.
Leeftijdsopbouw en ouderen-beleid.
Voor de eerste 21 jaar geeft het leerplan van de Waldorfscho-
len een voorbeeld hoe leerstof en oefenstof de ontwikkeling
van het kind begeleidt.
Voor de volwassenen-ontwikkeling zullen wij zelf een derge-
lijke biografische levensbegeleiding moeten verwerkelijken.
Deze biografische ontwikkeling ís aan de ene kant hoogst
individueel, maar binnen dat individuele toch aan ontwikke-
lingswetten in de tijd onderworpen. Zelfs Rudolf Steiner
moest, zoals hij zelf uitspreekt, tot zijn 63e jaar wachten
vóór hij vanuit het Saturnus-overzicht kon spreken en werken.
De Weihnachtstagung in '23-'24 viel ín Rudolf Steiners 63e
levensjaar. Voordien, zo spreekt hij uit in de cyclus "Ini-
tiatenbewusstsein!', kon hij de kwaliteiten van de bovenzon-
nige planeten, die pas na het 42e jaar successievelijk door-
leefd worden, kennen ín de spiegeling van de maansfeer.
Het ís een verschil of men over geestelijke kwaliteiten weet,
óf dat men ze doorleefd en doorleden heeft! *
Als wij het vorengaande tot leidraad van onze biografische
begeleiding nemen (een begeleiding die niet van "boven naar
beneden! maar naast elkaar staande, werkende en struikelende
nagestreefd wordt), dan kunnen de volgende algemene gezichts-
punten ook toegepast worden zonder dat zij een keurslijf voor
de ziel worden.
In de anthroposofische instituten hebben wij te maken met
volwassenen boven de 21 jaar. De enkele jongeren zijn nog in
een algemene opleidingssituatie.
De eigen specifieke opleidingen voor het werk: pedagogie,
eurythmie, therapeutische beroepen enz. zijn volwassenenop-
leidingen. Dit betekent, dat de opleiding het kader schept,
waarbinnen de individuele, biografische ontwikkeling plaats
kan vinden.
Voor de leeftijd van 21 tot 28 jaar betekent dat, dat de
omstandigheden dusdanig geschapen moeten worden dat de ge-
waarwordingsziel zijn individuele inhoud en gestalte kan
krijgen.
Twee belangrijke facetten staan daarbij op de voorgrond:
Ten eerste: de omvorming van het gewaarwordingslichaam (as-
traallichaam) tot gewaarwordingsziel door het hogere IK kan
alleen plaats vinden doordat dat IK zich in deze fase totaal
40
inzet. Dit weer kan alleen doordat de jonge volwassene een
ideaal, een gebied vindt, waarvoor deze een offer kan en mag
brengen. Je totaal voor iets inzetten met enthousiasme en
overgave vormt het astraallichaam om tot gewaarwordingsziel,
hetgeen niet zonder tegenstribbelen van het astraallichaam
plaats vindt!
Voorwaarde daartoe is, dat men de vrijheid heeft om deze
totale inzet ook te mogen uitleven. Hier is er een barriêre
opgebouwd door de tegenmachten in de sociale wetgeving, die
door de onmenselijke vormen van de industriële arbeid als
beschermingsmaatregel ontstaan ís, maar díe niet zou mogen
gelden voor de inzet voor de arbeid in een instituut van het
geestelijke leven. Daar gelden andere voorwaarden.
Deze zijn o.a.: het werk voor 21 tot 28-jarigen moet, wil het
helpend zijn, aan de ene kant streng ritmisch gevormd zijn,
aan de andere kant de vrijheid bieden zelf gekozen extra
taken op zich te kunnen nemen, of, wat nog belangrijker is:
de noodzakelijke taken met meer dan noodzakelijke inzet te
volbrengen. Want de weg tot het leren scheppen van overschot-
krachten gaat via totale inzet en het offeren van de plezier-
tjes die het astraallichaam vraagt. Die mag een ieder indivi-
dueel invullen!
Het moeten werken in van buitenaf opgelegde, wat tijd en vorm
betreft, onregelmatige en ingeroosterde taken, is even ver-
nietigend voor de ontwikkeling van deze 7 jaar fase als
intellectualistisch onderwijs tussen 7 en 14 jaar.
Ten tweede: het tweede centrale gezichtspunt voor deze fase
is: het scheppen van een rijk innerlijk leven. De gewaarwor-
dingsziel is het fundament van het zieleleven, en zonder een
rijke inhoud, die natuurlijk al aangeboden moet zijn ín
vorige fasen maar die nu tot individueel bezit moet worden,
zonder die inhoud blijft de ziel ook ín latere ontwikkelings-
fasen leeg en dor.
Een belangrijk facet voor de nu plaatsvindende beroepsoplei-
dingen is dan ook deze te plaatsen in een enthousiasmerend
groter raamwerk. Het bewustzijn niet alleen een baan voor te
bereiden, maar te staan in een mysteriestroom van een nieuwe
tijd, kan veel enthousiasme geven.
Samenvattend:
Een ritmische dagindeling: elke ochtend in een gemeenschap de
ochtendspreuk of het ochtendlied mee te maken, jarenlang,
legt de grondslag voor latere innerlijke ontwikkelingsmoge-
lijkheden. Een onregelmatig dagbegin of verspringende ar-
beidstijden, om te voldoen aan een 8-urige werkdag en een 40-
urige werkweek, zijn objectieve anti-ontwikkelingskrachten
voor deze fase, É
De vrijheid tot eigen íntítiatieven naast gebondenheid aan
een ritme is de grondslag voor het opbouwen van een rijk
41

innerlijk leven en beleven — en tegelijk voorwaarde voor het
brengen van offers en het leren scheppen van overschotkrach-
ten zonder roofbouw te plegen op de gezondheid,
In deze fase moet een ider leren met zijn eigen gezondheid om
te gaan. De vorige punten zijn daartoe helpend, een medisch
begeleidende zorg is ín deze experimentele fase noodzakelijk.
Dat het beroepsonderwijs in een groter kader gezet wordt, is
voor de opleidingen ín anthroposofische instituten een van-
zelfsprekendheid, maar vordert desondanks voortdurende zorg.
De volgende fase van 28 tot 25 jaar speelt zich al af na de
beroepsopleiding ín het werk zelf.
Opleiding wordt tot zelfontwikkeling. Reeds eerder is gewezen
op het tweezijdige karakter van deze fase, zich uítdrukkend
in: verstands- én gemoedszieleontwikkeling.
De verstandsziel wil de wereld begrijpen en het werk organi-
serend ordenen. Van belang ís dat de mensen in deze fase
betrokken worden bij organisatorische taken en problemen.
Eerder 1s ook gewezen op het grote belang van de ontwikkeling
van de gemoedsziel, die in onze huidige cultuur in de ver-
drukking komt.
Wij herhalen: de gemoedsziel verdiept de belevingen in de
gewaarwordingsziel, die ín het moment leven, tot een stabiel
innerlijk leven waarop gebouwd kan worden en waardoor de
trouw ontwikkeld wordt: trouw tot de levenstaak en tot de
sociale bindingen waarin men staat.
Onvoldoende ontwikkeling van de gemoedsziel voert onherroe-
pelijk tot problemen ín de menselijke verhoudingen in de 40-
er jaren. Het schrikbarende aantal echtscheidingen bijvoor
beeld díe dan plaats vinden, berusten op een gebrek aan
fundament ín de gemoedsziel.
De begeleiding in de fase 28-35 jaar heeft dus ook dat dub-
bele aspect van hoofd en hart. Hier wordt de begeleiding uit
de vorige fase tot naast elkaar, elkaar ondersteunend op-
roeien tegen de tijdsgeest en de rustige verdieping zoeken
van de gemoedsziel in de onderlinge werkverhoudingen. Hier
was de ene hand de andere!
De fase 35-42 jaar, de ontmoeting met de krachten van de
bewustzijnsziel brengt, zoals algemeen bekend is in de eerste
plaats de twijfel.
Twijfel aan alles wat uit het verleden gevormd is aan waar-
den, inhouden en doelstellingen.
Het oude karma werkt niet meer helpend in de levenssituaties,
het wordt beleefd als verleden dat overwonnen moet worden.
Met andere woorden zegt men hetzelfde als men zegt: het oude
maankarma moet vervangen worden door het nieuwe zonnekarma.
Tussen 35 en 42 jaar ís het oude wegslippend en het nieuwe
nog niet voldoende aanwezig.
In de begeleidende vriendschappelijke zorg voor elkaar in de
42
werksituatie ís het vooral het zoeken naar het nieuwe zonne-
karma dat van belang ís.
Hier ligt Lucifer op de loer om dit zoeken naar iets nieuws,
dat dan wezenlijk nieuw moet zijn (!), ten eigen bate te
gebruiken en het streven af te leiden op emotionele banen van
zogenaamde 'diepkarmische'" ontmoetingen.
Het ontwikkelen van religieuze krachten uit de gemoedsziel
helpen hier de realiteit juist ín te schatten.
Juist in deze fase zijn in de gemeenschap de kwaliteiten van
anderen van boven de 63 jaar van belang.
Over de 3 x 7 jaar tussen de 42 en 63 jaar mag deze publica-
tie kort zijn. Het wezenlijke is beschreven in de "Levensloop
van de mens". Begeleiding houdt hier op en wordt vervangen
door collegiale omgangsvormen van volwassen strevende mensen.
Voor de geleide periode van 21 tot 42 jaar is de ontwikke-
lingshulp van het werken in vertrouwensgroepen binnen de
mandaatorganisatie van het allergrootste belang. Daar ontmoet
men alle valkuilen en crísismogelijkheden van de innerlijke
ontwikkeling in volwassenwording. Daar kan collegiale,
vriendschappelijke "ontwikkelingshulp" geoefend worden.
Tenslotte nog dit. De instituten die alle medewerkers na 63
jaar met VUT of pensioen elimineert, berooft zichzelf van de
kwaliteit van het kunnen werken vanuit doorleefde planeten-
kwaliteiten. Juist de fase na 63 jaar schenkt aan de gemeen-
schap de rijkdom van volle menselijkheid. Verstandige instí-
tuten laten zich deze kwaliteit niet ontgaan!
Externe opleidingen en roulatie tussen instituten.
De anthroposofische beweging heeft gezorgd voor instituten
voor volwassenen en beroepsopleidingen. Wij verheugen ons in
het bezit te zijn van een Academie voor Eurythmie, van een
eigen Pedagogische Academie en van algemene anthroposof ische
kaderopleidingen in de Vrije Hogeschool.
Ook de biologisch-dynamische beweging heeft zijn eigen opleí-
dingsinstituut en er fs meer dan één instituut voor de oplei-
ding kunstzinnig therapeut(e).
Het behoort tot de omvattende beleidstaak van al deze insti-
tuten om een open blik te houden voor de mogelijkheid van
loopbaanontwikkeling door de verschillende taakgebieden heen.
Hier moet het institutie-egoïsme wijken voor een ontwikkeling
binnen de totale anthroposofische beweging.
Het vraagstuk van een "morele" inkomensregeling is aanleiding
geweest voor heftige, emotionele uiteenzettingen tussen
verschillende opvattingen over de praktische uitvoering.
Hier ligt een ideaal gebied voor de produktieve "morele
fantasie!" van de theroretici als ook van de practici.
De theorie heeft oplossingen paraat.
43

De praktijk zoekt tastend en struíkelend naar experimentele
vormen. Specíaal daar waar het geestesleven niet door schen-
kingsgeld vrijgehouden wordt en de inkomsten óf van de staat
óf van eigen verdiend geld moeten komen.
Het ís niet de taak van deze publicatie om een keuze te doen
tussen de verschillende gevonden oplossingen.
Principieel geldt hier, dat de vraag naar het "goede hande-
len", waarmee de Grondsteenspreuk eindigt, in zijn verwerke-
lijking altijd situationeel gebonden is. Gebonden aan de
mogelijkheden van zowel de deelnemende mensen als van de
specifteke omstandigheden van het instituut.
De kritiek van de "stuurlui aan de wal" is altijd ten dele
juist, maar helpt de betreffenden ín het strijdgewoel van de
ontwikkeling naar sociale vormen weinig.
Om niet geheel zonder concretisering te blijven, kan, het
veld overziende, gewezen worden op verschillende experimen-
ten. Voor scholen is er de oplossing dat alle salarissen in
Eén pot gaan en herverdeeld worden naar — ja, naar wat?-
naar behoefte, naar rechtvaardigheid, naar gelijkheid voor
allen, naar ontworpen regels, naar anciënniteit, naar taken
binnen de mandaatorganisatie enz. enz.?
Er is geen aspect dat níet geprobeerd en verdedigd ís.
Betekent dit, dat alles lood om oud ijzer is?
Neen, het maakt ons wakker voor het feit dat de oplossing die
door een gemeenschap aanvaard is, voor deze gemeenschap op
dit moment van zijn ontwikkeling, aan de beurt is als een
stap in een doorgaande ontwikkeling naar waarschijnlijk
andere vormen.
Het medewerkersbeleid in een instítuut voor het geestesleven
staat, wat de vormen betreft waarin een groep tezamen stre-
vende mensen leven wil, in de vrijheid van het geestesleven.
Maar bij alle veranderingen van de verschijningsvormen blij-
ven er enkele blijvende gezichtspunten staan, die reeds
genoemd zijn en tot slot nog eens genoemd worden.
Vruchtbaar werken in het geestesleven berust op de totale
inzet van de medewerkers, op de offers die zij willen brengen
ten opzichte van persoonlijke wensen.
Creativiteit ontstaat alleen indien men bereid is om het
persoonlijke karma in dienst te stellen van een hoger tijds-
karma, van dingen die gedaan moeten worden voor de ontwikke-
ling van de mensheid. Dit tijdskarma betekent, dat men zich
in dienst wil stellen van de tijdsgeest Michaël, die op aarde
werken kan door de overschotkrachten díe de mensen aan de
geestelijke wereld schenken.
44
NAWOORD
De in deze publicatie gebruikte woorden en begrippen zijn
aanleiding tot even zovele misverstanden als controversen.
Bijvoorbeeld: Wie is "medewerker"? Is het voldoende om te
zeggen: "Binnen economische organisaties spreken wij over
personeelsbeleid, daarmee uitdrukkend dat er een hiërarchie
van boven naar beneden is met een "directie" en met "perso-
neel" ín loondienst".
Bínnen instituten voor het geestesleven zijn er medewerkers
die via mandaatstellíing leidende functies instellen, als
uitdrukking van de hiërarchie van beneden naar boven.
Dat zou duidelijk kunnen zijn, maar in de praktijk van het
werken ín de 20e en 2le eeuw komt dan direct de vraag naar
boven: "Wie is er dan medewerker'"'?
Elke persoon die voor kortere of langere tijd werk verricht
voor die gemeenschap, onafhankelijk van diens verhouding tot
de geestelijke doelstelling van die gemeenschap, óf alleen
die persoon die expliciet achter de doelstelling staat?
En hoe gaan wij om met mensen die ín de gemeenschap "in-
groeiend" zijn?
Al gauw komt er een devaluatie van begrippen: eerst zijn
alleen de inítíiatiefdragers medewerkers en de overigen "per-
soneel", dan moet onder druk van het gelijkheidsstreven een
ieder medewerker zijn en ontstaat binnen deze totaliteit een
groep van "beleidsmedewerkers" enz.
Hetzelfde geldt voor de inkomensregeling. Deze ís een "ther-
mometer!" voor de wakkerheid en de moed van een groep "mede-
werkers!" om een morele techniek te ontwikkelen voor dit
gebied.
Een instituut díe bewust zegt: wij zijn daar nog niet aan
toe, wij laten dit probleem rusten en betalen onze medewer-
kers gewoon naar de voorschriften van de staat, wij moeten
eerst andere problemen oplossen en nog groeien naar rijpheid,
zo een instituut kän eerlijk staan in het geestesleven. Maar
het moment zal moeten komen dat men ook dit probleem bewust
aan gaat pakken en dan komt het beschreven dilemma van de
keuze van mogelijkheden en daarna de groef door verschillende
stadia van rijpheid.
Dan begint de biografie van een instituut op dít punt, die
evenals de menselijke biografie een reeks van ontwikkelings-
stadia doorloopt.
Gevaren dreigen hierbij van twee kanten:
— het verabsoluteren en fixeren van de eigen keuze als enig
juiste oplossing, die tot dogma wordt en als een kruistocht
uitgedragen wordt;
= de twijfel aan en het terugschrikken voor de consequentie
van de eigen keuze en het aanpassend verwateren van de
toepassing onder de dekmantel van een fraaie theorie.
45

Niets menselijks 1s ons daarbij vreemd!
Deze twee voorbeelden mogen voldoende zijn om de expliciete
uitspraken in deze publicatie te relativeren ín de tijdstroom
van de ontwikkeling — echter niet in de waarheid van de
oerbeelden die ons als een ster van Bethlehem op onze weg
leiden.
|
pe
:
46