← Back to catalogue

Psychological aspects of the group-process in the conversation group I

Author:
Hans von Sassen
Original title:
Psychologische aspecten van het groepsproces in de gespreksgroep I
Type:
Syllabus
Language:
Dutch
Year:
1987
Pages:
6
Subject:
Why is the sense of psychological aspects important to the leader of the conversation as well as to the members of the group? What is the reason for remaining as a conversation group together or not? How a group is developing into a good working conversation group?
NPI reference no.:
454.879

ND
NPI - Instituut voor Organisatie Ontwikkeling
syllabus: 454.879
HS/LG
PSYCHOLOGISCHE ASPECTEN VAN HET GROEPSPROCES IN DE GESPREKS-
GROEP I
In de gespreksgroep treedt een aantal verschijnselen en pro-
cessen van psychische aard op, die o.i. van groot belang
zijn voor het tot stand komen van een vruchtbaar gesprek.
Wij willen hier enkele daarvan nader toelichten en de samen-
hangen waarin deze verschijnselen zich voordoen trachten te
verduidelijken.
Bij het observeren van een gesprek kan men zijn aandacht op
drie hoofdaspecten richten, nl. op inhoud, interactie en
procedure.
Op het gebied van de interactie, d.w.z. de wisselwerking en
het samenspel van de groepsleden treden psychologische mo-
menten op‚ die mede de ontwikkeling van de inhoud en het
verloop van het gesprek beïnvloeden.
I Waarom is inzicht in psychologische aspecten zowel voor
de gespreksleider als voor de groepsleden van belang?
Gewoonlijk is men zich tijdens het gesprek het meest bewust
van de inhoud en vervolgens van de procedure om het gesprek
in ordelijke banen te houden (agenda, waken voor afdwalen
e.d.). De interactie komt veelal slechts af en toe tot be-
wustzijn, terwijl de kans dan nog groot is, dat bepaalde
uitingen van gespreksleden niet in de juiste samenhang wor-
den geduid, zodat stagnatie of conflicten daaruit voortko-
men.
Voor een vruchtbaar gesprek zijn twee dingen van belang:
- bereiken van een gespreksdoel;
— bij elkaar blijven van een groep.
De betekenis van de tweede voorwaarde wordt nog vaak onder-
schat. Wanneer een aantal leden niet "mee-komen" of niet
“mee-willen" zonder dat de groep daar iets aan doet, dan
trekken zij zich terug, remmen het gesprek of gaan tegenwer-
ken. Het kan ook zijn, dat één of meer leden vooruit hollen
naar het doel. In deze gevallen wordt de groep uit elkaar
getrokken en wordt het gesprek sterieler of chaotischer.
Blijft de groep bij elkaar, dan zijn de gevolgen:
1. De creativiteit van de groep is groter, omdat alle leden
bijdragen tot het bereiken van het doel. Men wordt niet
afgeleid door ergernis of slecht geweten ten aanzien van
leden, die "uit de groep gevallen" zijn.
Valekenboschlaan 8, Postbus 299, 3700 AG Zeist, Telefoon 03404-20044, Fax 03404-12770.

2. De samenwerking van de groep wordt als prettig tot moti-
verend beleefd. Bij onvolledig of mislukt samenspel gaat
men uiteen met gevoelens van teleurstelling, e.d.
3. De consequenties van het gesprek worden door allen aan-
vaard, Was het doel besluitvorming, dan staan de leden
achter de uitvoering. Ging het alleen om oordeelsvorming
dan wordt het gemeenschappelijke standpunt ook innerlijk
aanvaard; bij het niet bereiken van een gemeenschappelijk
standpunt kent men de standpunten van de gesprekspart-
ners, begrijpt en accepteert deze, zodat verdere vrucht-
bare samenwerking mogelijk blijft. Dit is vooral van be-
lang, indien dezelfde groep ook andere problemen tot een
oplossing wil brengen.
Is de groep tijdens een gesprek min of meer uiteengeval-
len, dan start men een latere discussie met vooroordelen
en scepsis t.a.v. de mogelijkheid het doel te bereiken.
Il Waardoor blijft een gespreksgroep bijeen of valt zij uit
elkaar?
De samenhang (cohesie) van een groep, waardoor deze bij el-
kaar kan blijven, ook als zij een moeilijk probleem be-
spreekt, is van 3 factoren afhankelijk, nl.:
1. Het nastreven van hetzelfde doel door de groepsleden; zo-
wel in de zin van het concrete gespreksdoel (b.v. een be-
paald besluit) als in ruimere zin van het doel van het
werkverband (bedrijf, instituut, school, e.d.) waaraan
het gespreksdoel zijn zin ontleent.
2. Het gevoel van saamhorigheid tussen de groepsleden,
d.w.z. de waardering en sympathie in de onderlinge ver-
houdingen ("met een prettig stel mensen kan je beter sa-
menwerken").
Dit is zowel van belang in geval van tijdelijke sym-
pathie- of antipathiegevoelens naar aanleiding van het
gedrag van de andere groepsleden (b.v.: een tactloze op-
merking kan een verbreking in de samenhang van de groep
veroorzaken die verlammend werkt op het bereiken van het
doel, totdat "de zaak weer recht gezet is") als van meer
blijvende gevoelens ten opzichte van elkaar, wanneer men
langer in hetzelfde werkverband met elkaar te maken
heeft.
3, Een gemeenschappelijke betekeniswereld hebben, d.w.z. dat
men “dezelfde taal" spreekt, zodat de opmerking van het
ene groepslid door de anderen begrepen wordt in de bete-
kenis, die de spreker daaraan hecht.

De betekenis van deze factoren wordt nog duidelijker, wan-
neer men naar de negatieve "tegenbeelden" daarvan kijkt.
la. Is er geen (duidelijk) gemeenschappelijk doel, dan zijn
Za.
ja.
de leden op weg naar uiteenlopende eindpunten. De moei-
lijkheid daarbij is vooral, dat de leden zich dat vaak
niet of pas te laat bewust zijn.
Ot
a
B
nnee
Een voorstel (V) van groepslid A wordt door B als on-
juist of niet ter zake doende beoordeeld, omdat het niet
bijdraagt tot het bereiken van het veronderstelde doel
(DB). Voor A is het echter wel juist in verband met zijn
doel (DA). Denkt de groep, dat beiden hetzelfde doel
"bedoelen" (wat vaak voorkomt door vage formuleringen,
e.d,), dan is het verschil van mening schijnbaar onop-
losbaar. Hetzij dat zowel A als B hun standpunt handha-
ven, hetzij dat één van hen toegeeft (en zich als niet
begrepen terugtrekt), in beide gevallen wordt de samen-
hang van de groep verstoord.
Een groepslid kan zich ook bewust zijn van een eigen
doel zonder dat hij dat uitspreekt. Men spreekt in dat
geval van verborgen agenda. Het groepslid tracht een be-
sluit aangenomen te krijgen, dat een bepaald belang
dient. Zou dat doel de anderen bewust worden, dan zouden
zij het als ontoelaatbaar van de hand wijzen. Worden de
verschillende doelen niet gezien of niet overbrugd, dan
divergeert de groep (loopt uiteen) en wordt het bereiken
van een doel steeds moeilijker. Voor dit laatste moeten
de groepsleden, die meestal verschillende uitgangspunten
hebben, juist convergeren (op hetzelfde punt uitkomen).
Gaan antipathiegevoelens en negatieve oordelen van de
groepsleden onderling een grotere rol spelen, dan treedt
er verwijdering tussen de groepsleden op. Hier wordt dus
de samenwerking bemoeilijkt door afkoeling of verstoring
van persoonlijke verhoudingen.
Worden bijdragen van groepsleden verkeerd begrepen,
doordat men er zijn eigen voorstellingen en gevoelswaar-
den mee vrbindt, dan treden er misverstanden op. De be-
tekeniswereld van de groepsleden verschilt, hetgeen kan

samenhangen met verschillen in leeftijd, vooropleiding,
milieu, persoonlijke ervaringen, werkomstandigheden,
enz. Deze misverstanden komen vaker voor dan men gewoon-
lijk denkt. Doordat de leden dezelfde landstaal spreken
en veelal tot dezelfde cultuurkring behoren, wordt de
illusie gewekt dat het elkaar begrijpen geen probleem
is.
Divergentie van doelen en misverstanden, die niet worden
onderkend, zijn vaak aanleiding tot (tijdelijke) verwij-
dering tussen groepsleden. Heeft de gespreksleider of
een ander groepslid daar oog voor, dan kan hij door tij-
dig signaleren van misverstanden, conflicten voorkomen
en de samenwerking op hoger peil brengen.
III Hoe ontwikkelt een groep zich tot een goed werkende ge-
spreksgroep?
De ervaring wijst uit, dat het vaststellen en voor ieder
zichtbaar maken van de gemeenschappelijke doelstelling geen
eenvoudige zaak is. Hetzelfde geldt voor het onderkennen van
het verschil in betekeniswereld van de leden onderling. Dit
betekent, dat een gespreksgroep zich van meet af aan bewust
moet zijn, dat zij rekening moet houden met het feit, dat er
(soms belangrijke) verschillen zullen optreden, nl.:
a) verschil in de betekeniswereld van de leden;
b) verschil in persoonlijke geaardheid van de leden;
c) verschil in doelstellingen (bewust, onbewust of verborgen
gehouden).
Realiseert men zich dit, dan is het alleszins begrijpelijk,
dat men zich afvraagt hoe ooit een vruchtbaar groepsgesprek
tot stand kan komen.
Nu leert de ervaring, dat een groep enige tijd onder deskun-
dige leiding samengewerkt moet hebben om de verschillen ín
doelstelling te onderkennen en dit probleem onder de knie te
krijgen. Al werkende bouwt de groep tevens geleidelijk een
gemeenschappelijke betekeniswereld op van voldoende omvang
om in dat veld redelijk snel en storingsvrij met elkaar te
communiceren.
Bovendien leren de mensen elkaar kennen en in hun eigenaar-
digheden waarderen of althans aanvaarden. Gebeurt dit inder-
daad, dan ontwikkelt de groep zich tot een rijpe groep.
Naarmate het sociale inzicht, de sociale gevoeligheid en de
sociale vaardigheid van de groepsleden toeneemt wordt de
groep rijper en gaat zij beter functioneren.
Waardoor ontwikkelt een groep zich nu in die richting? De
belangrijkste voorwaarde is, dat de leider of helper van de

groep deze doordringt met wat men de "sociale grondhou-
ding" van alle leden zou kunnen noemen.
Deze behelst:
1. Het in beginsel en metterdaad aanvaarden van de verschil-
len Ln de groep (t.a.v. betekeniswereld, waarden, doelen,
enz.);
2, Het fundamentele en in de praktijk gebrachte vertrouwen
in zich zelf en de anderen dat deze verschillen, bij het
gemeenschappelijk werken aan de oplossing van reële pro-
blemen, overbrugd kunnen worden.
Met reële problemen worden bedoeld problemen, die in het
werkelijke leven, de werksituatie e.d. om een oplossing
vragen; die dus "echt zijn. “Overbrugd" is iets anders
dan "weggepraat'" of uitgeschakeld.
Beide voorwaarden behoren bij elkaar. Worden nl. alleen de
verschillen aanvaard, dan heeft men de bekende opvatting,
dat wij nu eenmaal allen verschillend zijn, ieder bij zijn
standpunt blijft, enz. De verschillen worden gefixeerd en er
blijft niets over dan de mogelijkheid om een besluit erdoor
te drukken, dus de oplossing van de sterkste leden te laten
domineren of tot compromissen te komen. De groep is dan geen
groep, maar een soort "coëxistentie!" van individuen.
Streeft men alleen de overbrugging na zonder de verschillen
werkelijk te aanvaarden, dan gaat dit gepaard met het onder-
schatten, verdoezelen en wegpraten van verschillen. Men komt
soms uitspraken tegen, meestal van de leider of van leden
van de actieve kern van een groep, zoals: "Bij ons zijn geen
problemen! Voorzitter: wij zijn het er dus over eens,
dat.sssee.e,; enz.''
Bij nader toezien kunnen hierbij soms grote spanningen
schuilgaan bij groepsleden, die tegen dergelijke uitspraken
niet kunnen of durven opkomen. De afwijkende gevoelens en
doelstelling van deze leden worden door de dominerende groep
niet opgemerkt of als onbelangrijk terzijde geschoven.
Uit dit alles volgt, dat een groep alleen verder komt in-
dien beide aspecten van de sociale grondhouding, het zien en
aanvaarden van de verschillen zowel als het vertrouwen, tot
hun recht komen.
Sociale vaardigheid bestaat namelijk juist daarin, dat men
in staat is de gegeven verschillen produktief te maken voor
de oplossing van een probleem.
Wanneer namelijk voor het bereiken van een oplossing een
voorwaarde zou zijn, dat de groep eensgezind moet zijn = dus
dat alle leden van de groep een uniforme betekeniswereld,
enz. moeten hebben - dan zou men de oplossing snel bereikt
hebben. Het besluit zou dan echter uitvloeisel zijn van de
bestaande denkgewoonten, gevoelens, enz. van de groep, ter-
wijl alle moeilijkheden van het probleem omzeild zijn

(schijnbesluit). De kwaliteit van de groepsprestatie is dan
laag en het besluit blijkt ook veelal niet uitvoerbaar te
zijn. Had men zich echter de gegeven verschillen in de groep
ten nutte gemaakt -— dus het feit dat de groepsleden over
verschillende informatie beschikken, meerdere waarde-aspec-
ten zijn, enz. - dan zou de groepsprestatie aanmerkelijk ho-
ger zijn geweest en het besluit zou beter uitvoerbaar zijn.
COPYRIGHT NPI