← Back to catalogue

Role and contribution to the organisation development of a hospital

Author:
Otmar Donnenberg - Kees Locher
Original title:
Rol en inbreng van de verpleging in de organisatieontwikkeling van het ziekenhuis
Type:
Article
Language:
Dutch
Year:
1986
Pages:
10
Subject:
Between doing and thinking, men and technology, older and younger managers, care and management, autonomy and subordination, one's own and other people's professionalism, male and female, aspiration and payment
NPI reference no.:
6893.864

Nederlands Pedagogisch Instituut
6893,864
OD-KL/SV
ROL EN INBRENG VAN DE VERPLEGING IN DE ORGANISATIE-ONTWIK-
KELING VAN HET ZIEKENHUIS*
De invoering van arbeidsduurverkorting, het omgaan met bud-
getten, inspelen op automatiseringsprojecten, meewerken aan
fusieprocessen, een bewuster opleiden van leerlingen, syste-
„matischer aanpak van het werk op de afdeling, en het werken
met verpleegplannen, bevorderen van een patiëntgericht ver-
plegen, teamverpleging, zijn vele, elkaar snel opvolgende
ontwikkelingen in de huidige gezondheidszorg.
Het is niet eenvoudig al deze nieuwe zaken op te nemen en te
verwerken. Vooral niet wanneer je toch al het gevoel hebt
door de drukte niet aan het eigenlijke van de patiëntenzorg
toe te komen. "Hadden we maar meer mensen." Vaak blijkt bo-
vendien dat verpleegkundigen de nieuwe ontwikkelingen geheel
of gedeeltelijk opgelegd krijgen. Zo beleven zij het ten-
minste en dat is een realiteit om rekening mee te houden.
Of met de veelheid van nieuwe zaken, het van buiten opgelegd
krijgen en het tekort aan mensen voldoende verklaard kan
worden dat de bijdrage van de verpleging aan de organisa-
tie-ontwikkeling van het ziekenhuis te zwak uit de verf
komt, is een vraag die ons bezighoudt. Wij hebben namelijk
tijdens onze begeleidingsactiviteiten in ziekenhuizen de in-
druk gekregen, dat de verpleging niet die rol speelt die
haar toekomt,
Wij denken dat het noodzakelijk is dat de verpleging een
krachtiger bijdrage gaat leveren aan de ontwikkelingen die
gaande zijn. Zij kan daartoe zelf het initiatief nemen, doet
dat ‘in een aantal gevallen ook. Anderen in het ziekenhuis
kunnen het haar echter ook mogelijk maken, bij voorbeeld
door haar daartoe uit te nodigen. Wij vinden zowel het "ini-
tiatief nemen" van verpleegkundigen als het "mogelijk maken"
door anderen nodig. Want ontwikkelingen in organisaties
brengen pas echte vernieuwing, wanneer de direct betrokkenen
bij de basis van die organisaties zich daarvoor willen in-
zetten. Zij moeten het belang van de ontwikkelingen inzien,
het ermee eens zijn. Zijn zij dit niet, maar wordt de veran-
dering toch doorgevoerd, dan gaat het oude gezegde van
Shakespeare op:
Ya man convinced against his will
is of the same opinion still."
En je eigen mening bepaalt je handelen. Daarmee kun je een
vraagteken zetten achter de waarde van ontwikkelingsproces-
sen die te weinig rekening houden met de inbreng vanuit de
*Hoewel dit artikel geschreven is vanuit onze ervaring met
ziekenhuizen is veel daarvan ook toepasbaar op verpleeghui-
zen.
Instituut voor Organisatie Ontwikkeling Valckenboschlaan 8, Postbus 299, 3700 AG Zeist Telefoon 03404-20044

fs
basis. De basis van ziekenhuizen is de dienstverlening aan
patiënten, hun familie en vrienden. De verpleging is daarin
de meest continu aanwezige groepering.
Is het daarom niet zo, dat zij, als geen andere, over kennis
van deze basis beschikt, over ervaringen met patiëntenzorg?
Dat alle organisatorische consequenties van het handelen met
en aan de patiënt slechts gedeeltelijk tot de arts doordrin-
gen, hoe beslissend de rol van de arts ook is? Dat ondanks
het goede financiële inzicht en de oprechte interesse van de
administrateur hij geen reëel gevoel kan ontwikkelen voor
het wezenlijke van het werk rond en met de patiënt?
Om vanuit de verpleging een duidelijk eigen inbreng te kun-
nen leveren is het nodig om de krachten te kennen die je
denken en doen bepalen. Tijdens onze begeleidingsactivitei-
ten in ziekenhuizen menen wij een aantal krachten te hebben
waargenomen, die op verpleegkundigen inwerken. Zij ervaren
deze vaak als tegenstrijdig, staan er tussenin. Onze weerga-
ve in dit artikel is een poging om de werkzame krachten in
kaart te brengen, waarmee een beter inzicht in de situatie
van de verpleging verkregen kan worden. Inzicht in de com-
plexe werkelijkheid, waarvan je zelf een deel bent, is vaak
een eerste vereiste om bewust en weloverwogen je toontje mee
te kunnen blazen, om de ontwikkelingen op te nemen, in gang
te zetten en verder te leiden.* Wij namen waar dat de ver-
pleegkundigen in de volgende spanningsvelden staan.
1. Tussen het concrete doen en abstracte denken
In de verpleging moet je de handen uit de mouwen steken.
Verpleegkundigen zijn gewend om aan te pakken. De patiënt
is niet geholpen met een zitten nadenken. Hij/zij vraagt
een helpende hand, een menselijk woord, Zeker in een cri-
sis-situatie van de zieke gaat het om snel en effectief
handelen van verpleegkundigen, ieder voor zich en samen.
Van oudsher is de aandacht gericht geweest op wàt er ge-
daan moest worden. Al doende werden de werkwijze en volg-
orde van handelingen bijgeslepen. En deze ingeslepen pa-
tronen werden nieuwkomers voorgedaan met de strikte op-
dracht het na te doen. Je leerde het al doende. Het OPO-
boekje is een neerslag van dit verleden. Zo ontstond er
een cultuur waarin het vanzelfsprekend was dat je als
verpleegkundige opging in het concrete doen.
*Met dit artikel willen wij onze indruk over de bijdrage van
de verpleging aan de organisatie-ontwikkeling van zieken-
huizen en een aantal van de krachten die daarop van invloed
zijn bij u toetsen. Aanvullende waarnemingen en gedachten
zijn daarom zeer welkom.

De nieuwe ontwikkelingen vragen echter iets anders. Daar-
in is nagedacht over het verplegen, van buitenaf ernaar
Kijkend. Oplossingen worden aangedragen vanuit vragen
als:
hoe kan er meer patiëntgericht verpleegd worden, hoe hou-
den wij de kosten beter in de gaten, hoe creëren wij
meer arbeidsplaatsen, hoe kan de communicatie verbeterd
worden, de informatie sneller en effectiever voor ieder
beschikbaar worden?
Allerlei andere disciplines gaan zich met het vak verple-
gen bezighouden en de taal die daarmee binnenstroomt
heeft weinig of niets te maken met de zieke, de ziekte of
de direct daaraan verbonden handelingen. Deze taal klinkt
abstract, vreemd en komend van ver. Maar de verpleegkun-
digen worden gestimuleerd en opgeleid om hierin mee te
gaan. Het denken over verplegen en alles wat daarmee sa-
menhanat wordt methodisch beoefend. Velen ervaren dit als
een vervreemd raken van het eigen beroep. Toch wordt de
nieuwe cultuur met kracht binnengevoerd. Zij die tussen
de oude en nieuwe cultuur staan, grijpen in onzekerheid
of uit tegenzin naar het bekende. Als reactie op het ab-
stracte denken zoeken ze houvast en zingeving in het con-
crete doen.
Tussen mens en techniek
Verfijnde techniek staat in onze maatschappij hoog aange-
schreven. Het dwingt respect en vertrouwen af. De steeds
verdergaande ontwikkeling van ingewikkelde apparatuur en
technisch veeleisende werkmethoden zet door, ook in zie-
kenhuizen. Ook verpleegkundigen kunnen zich daaraan niet
onttrekken. Techniek fascineert, je raakt er geboeid
door, of je raakt verstrikt in het ingewikkelde ervan,
omdat je er toch mee moet werken. Maar het trekt je aan-
dacht weg van het bed, de zieke mens, Er zijn verpleeg-
kundigen die juist verpleegafdelingen kiezen om deze mens
en ook wel uit afkeer voor al dat onbegrijpelijke van de
techniek.
Toch doet ook daar de ingewikkelde apparatuur steeds meer
zijn intrede. Anderen kiezen bewust voor afdelingen als
o.k. en intensive care en zijn soms met grote moeite en
tegenzin weer terug te plaatsen op de verpleegafdeling.
De zorg voor het menselijke en de verfijning van de tech-
niek staan op gespannen voet met elkaar. Het is voor de
verpleegkundigen niet altijd even eenvoudig om dit te in-
tegreren. Zij worden daarin ook niet geholpen. Opleidin-
gen volgen de maatschappelijke trend, kunnen haast niet
anders. Want het handelen m.b.v. technische apparatuur
wordt hoger aangeslagen, meer gewaardeerd dan het hand-
vaardige doen.

Tot in het inkomen heeft het een hogere status.
En de techniek zuigt je aandacht weg van de patiënt. Is
het dan verwonderlijk dat de roep om “patiëntgericht ver-
plegen" klinkt? Deze roep zal nog sterker worden naarmate
naast het technische ook het organisatorische en econo-
mische aspect van de organisatie meer aan de orde gesteld
wordt. Toch is het eigenlijk een vreemde term: patiëntge-
richt verplegen. Het is zoiets als een "zwarte raaf" of
een “witte schimmel", Want verplegen is toch patiëntge-
richt; net zo normaal als de schimmel wit en de raaf
zwart is? Maar begrijpelijk is het wel. De zorg voor de
mens kan niet ondergesneeuwd raken.
Tussen oudere en jongere leidinggevenden
Zowel de oudere als de jongere leidinggevenden zijn toe-
gewijd bezig. Met overtuiging werken zij aan een goede
patiëntenzorg. De oudere generatie zie je uit lange erva-
ring met heilige tradities op een veelal matriarchale en
patriarchale wijze aan het werk. De jongere generatie
werkt met moderne management-methoden, die ze in de ho-
gere kaderopleiding geleerd heeft. Zij brengt haar ana-
lyse van de situatie duidelijk onder woorden en plant
nuchter en methodisch de te volgen stappen. Dit contras-
teert met de stijl van de ouderen, die een soms opvallen-
de zwijgzaamheid vertonen en ad-hoc op situaties inspe-
len. En een nieuw project, van buiten af opgelegd, pakt
de oudere generatie niet meteen op. Hoewel zij deze
nieuwe ontwikkelingen. wel ziet. Gaandeweg de voortdurende
activiteiten voegt zij zich in. De jongere generatie kan
hierop niet wachten, voelt zich genoodzaakt de anderen
terecht te wijzen en het project bij te sturen. Zij doet
dit met multidisciplinair samengestelde werkgroepen.
De dialoog tussen oudere en jongere generatie blijft een
teer punt. De ouderen hebben deze nodig om niet te ver-
starren. De jongeren om niet door al die methodieken en
systematische acties het wezenlijke uit het oog te ver-
liezen. Daar waar de dialoog onvoldoende lukt ontstaat
polarisatie.
Tussen verplegen en leiding geven
Verpleegkundigen die betrokkenheid en doortastendheid to-
nen en die blijk geven overzicht te hebben kwalificeren
zich hiermee voor managementtaken. Zij worden vaak te
vroeg daartoe geroepen, mede door een tekort aan oudere
verpleegkundigen. Hierdoor komen zij te staan tussen:

tee
- de oorspronkelijke behoefte om door kleine en grote
verrichtingen aan het ziekbed behulpzaam te zijn,
patiënten in een crisis bij te staan, kinderen in de
arm te houden, te bemiddelen tussen de achterban van de
patiënt en al die andere professionele medewerk(st)ers
in het ziekenhuis; en
- de plicht om als leidinggevende vergaderingen te leiden
en te zorgen voor roosters, budgetbewaking, goede han-
tering van selectieprocedures, noodzakelijke verande-
ringen in werkstijl, enz.
Ze deinzen vaak terug voor het loslaten van het eigen-
lijke verpleegkundig handelen in het belang van leider-
schapstaken. Dit wordt nog eens versterkt door nieuwe op-
vattingen over het leiding geven. Ook de complexiteit van
het leiding geven groeit, niet in het minst door al de
nieuwe projecten "van buiten”,
Tussen zelfstandigheid en onderschikking
Er bestaat verschil tussen stipte, betrouwbare dienstver-
lening en professioneel handelen. Het laatste wordt de
laatste tijd sterk benadrukt. Hieronder wordt verstaan
dat de verpleegkundige in de situatie moet leren hande-
len, kijkend naar wat deze ene, unieke patiënt vraagt,
rekening houdend met de hele mens en diens eigen verant-
woordelijkheid. Dit vraagt van de verpleegkundige een
goed ontwikkelde zelfstandigheid in denken en doen. Zij/
hij moet bereid zijn om de verantwoording op zich te ne-
men voor de consequenties van zelfstandig genomen beslis-
singen.
Aan de andere kant zijn er activiteiten als wassen, tem-
peratuur opnemen, wondbehandeling, maaltijden, die dage-
lijks verzorgd moeten worden. Dit vraagt een duidelijke
uniforme organisatie, voorspelbaarheid en bewaking. De
verpleegkundige heeft zich daarin te schikken.
Ook de leidinggevenden staan in de verleiding om hiertus-
sen te kiezen. Van een eenzijdige aandacht voor inschik-
kelijkheid, je ondergeschikt maken aan de goed geregelde
verzorging van diensten aan de patiënt, naar een
hiërarchisch samenspel tussen ondergeschikte en leiding-
gevende,is een kleine stap. Hiermee wordt het professio-
nele, het zelfstandig kunnen oordelen en handelen niet
bevorderd. Het teveel sturen op de individuele verant-
woordelijkheid veroorzaakt echter een gebeuren dat als
los zand aan elkaar hangt.

6. Tussen eigen professionaliteit en die van anderen
Is de plaats van een verpleegkundige naast de patiënt of.
naast de arts? Of is dat een oneigenlijke vraag, door de
keuze die daarmee opgedrongen wordt? Wat is de functie
van een verpleegkundige en wat is de inhoud van haar/zijn
beroep? Van oudsher kwam de drijfveer voort uit christe-
lijke naastenliefde, echt beleefd of als plicht gevoeld.
Tegelijk was het nodig, voor de effectiviteit van de
zorg, om rekening te houden met de eisen vanuit de ge-
neeskunde, Zodoende waren verpleegkundigen ten dienste
van arts en patiënt,
Wanneer wij naar de huidige taakuitoefening van verpleeg-
kundigen kijken, springt het '"verlengde-arm"-zijn van de
arts meer in het oog. Zowel op het niveau van de kleine,
alledaagse handelingen (als injecteren en ECG) als op dat
van de meer specialistische (als catheteriseren en defi-
brilleren) is dit te zien. De zorg voor de patiënt wordt
overgenomen door ziekenverzorgenden, maatschappelijk wer-
kers, vrijwillige hulpen en een aantal semi-medische han-
delingen worden verricht door para-medici. Tegelijk
schuiven artsen, die zich meer en meer specialiseren, de
eenvoudige medische handelingen door naar de verpleegkun-
digen. Zodoende worden zij ook wel "de kleine dokter" ge-
noemd .
In het omgaan met verpleegplannen blijken verpleegkundi-
gen te worstelen met de vraag waarop het plan gebaseerd
wordt. Hoe kan deze vraag anders verwoord worden dan als
een medisch probleem? Wat zijn de eigen, verpleegkundige
vragen m.b.t. deze patiënt?
In de interdisciplinaire benadering van de patiënt
blijkt de verpleegkundige bijdrage niet duidelijk en
krachtig genoeg te zijn. Ligt dit aan het onvermogen van
verpleegkundigen hun eigen professie concreet inhoud te
geven? Of ligt dit aan de feitelijke dominantie van bij
voorbeeld het medisch beroep? Beide vervormen het inter-
disciplinaire overleg tot een schijnvertoning. Hierdoor
wordt een organisatie-ontwikkelingsmogelijkheid onvol-
doende benut.
Het blijkt dat medische beleidsplannen sneller voor el-
kaar komen dan gelijksoortige produkten uit de keuken van
de verpleegkundige staf.
Verpleegkundigen kunnen zich evenals anderen niet ont-
trekken aan maatschappelijke trends. Eén daarvan is het
opkomen voor je zelf, je eigen zijn. In deze tijd is
emancipatie bijna een 'must'. Daarin is de neiging zich
op te trekken aan hen die meer aanzien en invloed hebben
duidelijk waar te nemen. In dit "optrekken aan!" word je
de ander gelijk, tot in denken en doen. Kan het zijn dat
dit mede van invloed is op het tot "kleine dokters!" wor-
den van verpleegkundigen?

Een andere neiging in het emancipatie-proces is je af te
zetten tegen de meer-machtigen, die de situatie zo kunnen
beïnvloeden dat jij een kleinere mogelijkheid ziet de si-
tuatie naar jouw hand te zetten. Met dit "afzetten tegen"
creëer je een ruimte waarin, een gebied waarover de ander
geen zeggenschap heeft. En daardoor moet de ander je wel
zien. Want wat er in jouw gebied gebeurt is voor die an-
der van belang. In ziekenhuizen blijven artsen en ver-
pleegkundigen van elkaars handelen afhankelijk. Zij zijn
beiden bezig met dezelfde patiënt. Kan het zijn, dat dit
afzetten tegen - om maar gehoord te worden, om maar er-
kend te worden in de eigen taak -— mede van invloed is op
de verkokering in het ziekenhuis? En is het niet zo, dat
in de verpleegkundige "koker" oneigenlijke taken worden
vastgehouden, die in andere organisaties toebedeeld wor-
den aan afdelingen als personeelszaken, bedrijfsbureau,
opleiding en organisatie? Wordt dit niet mede veroorzaakt
door het wegvloeien van oorspronkelijk verpleegkundige
taken naar andere beroepen? Wat is de eigen taak van de
verpleegkundige? Gelukkig wordt hieraan de laatste tijd
bewust aandacht gegeven. Daarin valt het "terug naar de
patiënt" op.
Tussen manlijk en vrouwlijk
De verpleegkundige is vrouw, de arts man, althans het
overgrote deel. De laatste tijd komen er meer mannen in
het verpleegkundig beroep. In het medisch beroep zijn
vrouwen hen voorgegaan. Als patiënt zijn wij al langer
vertrouwd met een ons onderzoekende en behandelende vrouw
als arts dan met een broeder aan ons bed.
Het hoort bij de ontwikkeling van de laatste tientallen
jaren dat de beroepsmogelijkheden verschuiven. Er zijn
altijd enkelingen geweest die zich aan de maatschappelijk
geaccepteerde indeling onttrokken. Nu zijn het grotere
aantallen mensen. Wij maken ons los van "wat hoort” en
kiezen zelfstandig onze eigen weg, als vrije individuen.
Zo kiezen mannen nu het verpleegkundig beroep en worden
vrouwen arts, politie-agent, buschauffeur, enz. Het
blijkt dat in de typische mannen-beroepen vrouwen minder
makkelijk opgenomen worden dan mannen in typische vrou-
wen-beroepen.* In de verpleging is dat duidelijk te
zien. Mannen wordt het gemakkelijk gemaakt.
*Zie bijvoorbeeld "Assepoesters en kroonprinsen" van Marlies
Ott, een vergelijkende studie tussen politie en verpleging,
uitg. SUA — 1985.

Het vervelende kluswerk wordt snel door vrouwen overgeno-
men en mannen komen snel in leidinggevende posities. Hier
en daar probeert men. dit laatste tegen te gaan door een
beperkende maatregel. Daar mag het percentage mannen in
de leiding niet hoger zijn dan dat in de hele verpie-
gingsdienst. Hoeveel vrouwen kunnen zich in directies van
ziekenhuizen handhaven, en ten koste van wat? Hoeveel ge-
zag heeft de verpleging in het ziekenhuis naast medici?
Worden mannen als afdelingshoofd en hoofden verplegings-
dienst niet met open armen door hun mannenbroeders, art-
sen ontvangen? Vrouwen moeten te midden van mannen beter
zijn en meer inzet leveren om zich als mens te handhaven
dan mannen onder vrouwen.
Komt dit door het biologische verschil of door de opvoed-
kundig bepaalde rolverdeling tussen mannen en vrouwen? Of
komt dit door de dominantie van bepaalde waarden die ons
werkleven gevormd hebben? Deze waarden worden meer en
meer in twee groepen onderscheiden, als manlijk en vrouw-
lijk. Manlijk noemt men een hoge waarde toekennen aan
analytisch denken, prestatie willen leveren, doelgericht
plannen, handelen en beheersen, groot, sterk en snel. Als
vrouwlijk ziet men dan het inclusieve denken, verbindend
en integrerend, het verzorgen van wat is, aandacht voor
de kwaliteit, sfeer, het zoekend en gidsend voortgaan,
mogelijkheden en grenzen in de situatie aftastend, oog
voor het kleine, zwakke, rust en stilte hebben. Een man-
lijk vernieuwingsproces is een voordenken van een eindre-
sultaat waarna dat ingevoerd en doorgevoerd wordt. Zijn
verpleegplannen, dienstroosters, functie-waarderingssys-
temen daar voorbeelden van?
Een vrouwlijke vernieuwing vindt plaats vanuit een gevoel
van een nieuwe richting, de werksituatie van binnenuit
omvormend,. Zijn het terug naar de patiënt, het patiëntge-
richt verplegen, teamverpleging en aandacht voor het
zorgaspect daar voorbeelden van?
Vrouwlijk en manlijk is niet hetzelfde als vrouw en man.
Het ligt veel gecompliceerder in ons. Maar de maatschap-
pelijke norm is nog veelal dat je je als vrouw vrouwlijk
hebt te gedragen en als man manlijk. Het emancipatiepro-
ces van vrouwen en mannen, waarin vrouwen voorgaan, houdt
in dat ieder mens op eigen wijze leert omgaan met het
vrouwlijke en manlijke deel in ons zelf.
De transformatie van organisaties houdt in dat naast man-
lijke waarden ook vrouwlijke mede bepalend worden voor
leiding geven, samenwerken, wijze van besluitvorming, or-
ganisatorische vormgeving, enz. Want onze huidige organi-
satie-cultuur waardeert nog steeds het manlijke boven het
vrouwlijke. Uit een vergelijkend onderzoek tussen landen
blijkt echter, dat Nederland vrouwlijke waarden hoger

schat dan bij voorbeeld de Verenigde Staten, West-Duits-
land en Japan.*
Werd en wordt ons denken over organiseren en leiding ge-
ven door het denken in die landen bepaald?
In ieder geval zit de verpleging in een lastig dilemma.
Enerzijds wil zij het vrouwlijke duidelijker aan de orde
krijgen, Heeft zij anderzijds in de manlijke organisatie-
cultuur niet het manlijke nodig om gehoord te worden, om
mee te kunnen sturen?
Tussen aspiraties en honorering
Wat wil de verpleegkundige liever doen dan "patiëntge-
richt verplegen"? Als hiermee bedoeld wordt een zoveel en
intensief mogelijk directe samenwerking met de patiënt,
zal dat grote dankbaarheid van de patiënt tot gevolg heb-
ben. Dit zal de verpleegkundige intrinsiek tevreden stem-
men. Immers, daarin lag het motief voor de. keuze van dit
beroep? Iets te kunnen doen voor een ander mens, die door
ziekte gehandicapt is.
Door de salariërings- en promotiestructuur zal de ver-
pleegkundige het daarentegen niet gehononeerd krijgen.
Deze belonen het leiding geven en de specialistische ta-
ken, maar niet het directe werk met de patiënt. De werke-
lijkheid van de structuur komt niet overeen met het veel
beleden streven. Wie wordt de dupe van deze discrepan-
tie? In ieder geval, hoe eerlijk is dit tegenover de ver-
pleegkundige? Bekend is hoe schadelijk elkaar tegenspre-
kende normen voor de geestelijke gezondheid en de daad-
kracht van de betreffenden zijn. In dit geval zijn die
normen: de norm achter de salariërings- en promotiestruc-
tuur en de norm achter uitspraken over patiëntenzorg.
Hoelang er in welke omvang kan de ziekenhuisorganisatie
zich deze tegenstrijdigheid nog veroorloven?
Zoekend naar eigen positie, taak en richting waarin het
beroep zich ontwikkelen moet, staan verpleegkundigen mid-
den in de drukte van patiëntenzorg en allerlei vernieu-
wingen. Wij zien hen voor een aantal, hierboven beschre-
ven dilemma's staan. Deze vragen om een keuze tussen, of
een integratie van de verschillende elkaar tegenwerkende
krachten. De bijdrage vanuit de verplegingsdienst aan de
“Zie "Culturele problemen voor Nederlandse managers en des-
kundigen in Indonesië" van Dr. Geert Hofstede, Uitg. IG In-
ternational, Management Consultants, Deventer/Jakarta -—
1982

10,
ontwikkeling van het ziekenhuis hangt af van de manier
waarop verpleegkundigen zich in deze dilemma's kunnen
handhaven. Van allerlei kanten krijgen zij daartoe onder-
steuning, bij voorbeeld door kaderopleidingen en de be-
wuste aandacht voor het verpleegkundig beroep.
Maar is dat genoeg?
Wij stellen het volgende voor: regionale bijeenkomsten
van leidinggevenden uit verschillende ziekenhuizen waarin
de aanwezigen zich, buiten de drukte van alledag, kunnen
bezinnen op allerlei vragen die het werk betreffen.
Concrete actuele vraagstukken, als ADV, kunnen met elkaar
op de consequenties voor het eigen huis doorgewerkt wor-
den. Ook kunnen deze bijeenkomsten gebruikt worden om het
eigen handelen en denken te toetsen aan anderen. De be-
doeling van deze bijeenkomsten is vooral praktijkonder-
steunend bezig te zijn. De bijeenkomsten kunnen alleen
uit verpleegkundigen bestaan, maar ook multidisciplinair
samengesteld zijn. Het lijkt ons goed als tenminste twee
collega's uit hetzelfde ziekenhuis deelnemen. De deelname
moet niet alleen uit persoonlijke belangstelling geschie-
den, maar ook gedragen worden door het eigen huis (met
name door de verpleegkundigen of een andere discipline en
door de directie). De leidinggevenden moeten bereid zijn
zich zelf en hun situatie critisch te onderzoeken en moe-
ten open zijn voor het nemen van constructieve initiatie-
ven. De bijeenkomsten zullen een hoger effect hebben wan-
neer zij met een ritmisch-periodieke regelmaat plaatsvin-
den met een ontwikkelingsgerichte begeleiding.
COPYRIGHT NPI