NPI - Instituut voor Organisatie Ontwikkeling
*inleiding: 7769,889
CZ/LG
COMMUNICEREN IN HET BEDRIJF: OVER DE ZICHTBARE BUITENKANT EN
DE ONZICHTBARE BINNENKANT
Communicatierijkdom en —-armoede
Communicatie is nu niet direct een bijzonder modern ver-
schijnsel; het is niet overdreven om te zeggen dat het zo
oud is als de mensheid. Men zou zelfs kunnen stellen, dat
zolang er wezens zijn die wij mensen noemen er ook een com-
municatieverschijnsel is geweest.
Vraagt men zich af waarom mensen blijkbaar van oudsher ge-
communiceerd hebben met elkaar dan is een niet wetenschappe-
lijk, maar misschien toch ook wel duidelijk antwoord, dat
het een innerlijke behoefte is van mensen om te communiceren
of anders gezegd: de mens is op zich zelf eigenlijk incom-
pleet. Hij beleeft zijn mens-zijn in hoge mate daardoor dat
hij in verbondenheid met andere mensen in het leven staat en
zich ook zo als mens kan manifesteren.
Communicatie is het actieve wilsproces waardoor mensen deze
verbondenheid existentieel maken. En wat er dan als vrucht
van dit proces te voorschijn komt noemt men ook wel ontmoe-
ting. Ontmoeting kan, afhankelijk van de aard van het commu-
nicatieproces, min of meer intensief zijn.
Communicatie betekent letterlijk: iets gemeenschappelijk ma-
ken of iets samen delen en de verbondenheid die door commu-
nicatie ontstaat heeft het karakter van een proces waardoor
mensen zich niet alleen uiterlijk verbonden, maar ook inner-
lijk op elkaar betrokken weten en daardoor ook leven met het
gevoel dat zij innerlijk iets gezamenlijk te delen hebben.
Nu is dit alles zo vanzelfsprekend omdat wij het in het da-
gelijks leven voortdurend doen of althans nastreven. Anders
zou het menselijk leven ophouden menselijk leven te zijn.
Men kan zich afvragen "heeft het eigenlijk nog wel zin om
veel tijd aan dit thema te wijden"?
Het is zo vanzelfsprekend en er is ook al in wetenschap, in
publicaties, in onderzoek zoveel over gezegd dat men zich de
vraag kan stellen of daar nog zoveel nieuws aan toe te voe-
gen is. Ik denk dat dat toch het geval is en dat er alle re-
den is om anno 1986, toch opnieuw naar het vraagstuk van
communicatie te kijken en ons de vraag te stellen wat het
‘Bewerkte tekst van de Oldendorff-lezing door Prof.Dr. C.J.
Zwart, gehouden op 19 dec. '85 in de Katholieke Hogeschool
Tilburg.
Deze inleiding is als artikel verschenen in het NPI-Bulle-
tin 1986/7.
Valckenboschlaan 8, Postbus 299, 3700 AG Zeist, Telefoon 03404-20044, Fax 03404-12770.
8
nog voor nieuwe gezichtspunten kan opleveren. Het is zo, dat
de vraag wat voor nieuwe gezichtspunten aan dit thema zijn
toe te voegen naar mijn mening het best beantwoord kan wor-
den door uit te gaan van een paradox die in ons moderne so-
ciale leven aanwezig is. Ik wil u eerst graag deelgenoot ma-
ken van die paradox, De paradox in kwestie ziet er voor mij
als volgt uit.
Men kan stellen dat wij in een tijdperk leven waar aan de
ene kant nog nooit zoveel communicatiemiddelen en instrumen-
ten voor handen zijn geweest, maar tegelijkertijd aan de an-
dere kant wellicht de communicatie-armoede nog nooit zo
groot is geweest,
Deze paradox lijkt mij uiterst cruciaal. Ik wil er daarom
eerst nog graag iets aan toevoegen. Het is buitengewoon op-
vallend dat wij in een tijd leven waar het voor alle mensen
in de hele wereld mogelijk is geworden om dankzij een tech-
nisch instrumentarium met alle andere mensen te communice-
ren. Letterlijk fysiek, doordat treinverkeer en vliegverkeer
de mogelijkheden groot hebben gemaakt, maar ook op tal van
andere manieren: radio, televisie, telefoonverkeer. Vol-
strekt geautomatiseerde communicatienetwerken stellen ons in
staat om op ieder moment van de dag en nacht met vrijwel ie-
der ander mens op de wereld te communiceren.
Men zou met een beetje merkwaardig beeld kunnen zeggen dat
wij in een tijdperk leven of beginnen te leven waar wij "on
line", zoals dat in automatiseringstermen wordt genoemd, met
alle mensen verbonden zijn en dat in die zin eigenlijk het
ideaal om als mensheid één geheel te worden, althans in
technische zin, binnen ons bereik is gekomen.
Echter, deze "on line"-verbinding van alle mensen met alle
mensen is een uiterlijke, is een technische, is een instru-
mentele verbinding. Zij staat in schril contrast met het an-
dere deel van de paradox, namelijk, dat in het gewone alle-
daagse sociale verkeer er ook een ander gezicht van de com-
municatie is en dat ziet er veel minder rooskleurig uit. Dat
heb ik willen aangeven door te stellen dat er waarschijnlijk
nog nooit in de geschiedenis een tijd is geweest waarin zo-
veel communicatie-armoede leefde tussen de mensen en ik ba-
seer mij daarbij niet alleen op publicaties maar ook op er-
varingen die ik in mijn werk tegenkom. Het is voor veel men-
sen moeilijk om actieve verbondenheid ook werkelijk existen-
tieel te voltrekken. Het is voor veel mensen buitengewoon
moeilijk om bij voorbeeld duurzame relaties te vestigen en
te verzorgen, niet alleen in bedrijven maar ook in het ge-
zin, in vriendenkringen, kortom in tal van andere sociale
verbanden. Er wordt zelfs sinds kort gewezen op een uiterst
merkwaardig nieuw fenomeen, namelijk dat - en dat wordt on-
dersteund door onderzoek, met name in de Verenigde Staten en
Zweden -— duidelijk wordt dat jonge mensen die op de drempel
van de volwassenheid staan door zeer intensief kijken naar
TV de mogelijkheid verliezen of praktisch verliezen om in
„a,
&
een gewoon menselijk heen en weer gesprek, in een gewoon
menselijk contact nog te communiceren. Men spreekt hier van
“het nieuwe analfabetisme". Het heeft te maken met de on-
macht om in het tussenmenselijke iets tot stand te brengen
waardoor verbondenheid inderdaad geactualiseerd wordt.
Daarmee samenhangend kunnen we ook wijzen op het verschijn-
sel van de toename in eenzaamheidsbeleven bij mensen, met
name jonge mensen, de toename van de depressieve gevoelens
en ook waarschijnlijk, de sterke stijging van zelfdodingen
met name onder jonge mensen,
Nu, deze paradox lijkt mij een uiterst centraal gegeven wan-
neer wij praten over communicatie,
Uiterlijke en innerlijke communicatie
Ik wou graag in het resterende deel van mijn betoog wat be-
spiegelingen wijden aan de vraag wat voornoemde paradox ons
nu precies te zeggen heeft,
Om te beginnen dacht ik dat eruit spreekt, dat wij scherp
moeten onderscheiden de uiterlijke of de buitenkant van de
sociale werkelijkheid en de innerlijke of de binnenkant van
de sociale werkelijkheid. Ik denk dat het juist is om in het
kader van deze lezingen, die toch gewijd zijn aan Olden-
dorff, te wijzen op het feit dat ook bij Oldendorff zelf de
ze onderscheiding een centraal aspect van zijn werk is. In
zijn boek "De psychologie van het sociale leven" met als on-
dertitel "Bespiegelingen over de sociale werkelijkheid", be-
gint Oldendorff eerst uitvoerig maar ook bijzonder kernach-
tig op het verschil tussen de buitenkant en binnenkant van
de sociale werkelijkheid te wijzen. Hij stelt dat "sociale
werkelijkheid altijd een menselijke werkelijkheid is",
d.w.z. het is een zich zelf belevende en een levende werke-
lijkheid. Feiten, gebeurtenissen, toestanden krijgen pas so-
ciale relevantie doordat ze op mensen betrokken zijn; door-
dat mensen zich zelf daarin beleven. Het is dit gezichtspunt
dat hem ertoe brengt om onderscheid te maken tussen de ob-
jectwereld en de betekeniswereld, de wereld van de dingen
zoals ze zijn en de wereld van de betekenis van de dingen.
Het sociale leven is altijd een wereld waarin wij er reke-
ning mee moeten houden dat mensen innerlijk met de dingen
omgaan en ook een eigen persoonlijke verhouding tot de din-
gen hebben, kortom: wij leven niet in een objectwereld maar
in een betekeniswereld, In mijn terminologie zou ik de bete-
keniswereld de binnenkant van de sociale werkelijkheid wil-
len noemen en de dingen, de objecten, de gebeurtenissen, de
uiterlijke kant van de sociale werkelijkheid. De buitenkant
kan men ook de zichtbare en de binnenkant de onzichtbare
zijde van de sociale werkelijkheid noemen. De "bestanddelen"
van deze onzichtbare sociale werkelijkheid zijn geen dingen,
maar krachtwerkingen tussen mensen,
Niet de uiterlijke sociale vormen (instituties) maar deze
krachtwerkingen zijn de essentie van het sociale leven.
De onderscheiding tussen deze beide aspecten lijkt mij daar-
om zo belangrijk, omdat die ons iets kan zeggen over de dy-
namiek die in de paradox waarover ik gesproken heb, verscho-
len ligt.
Het is nu eenmaal zo, dat wij in de moderne wetenschapsbeoe-
fening, maar ook bij de praktische vormgeving aan de sociale
werkelijkheid, nog steeds de traditie hebben om de uiterlij-
ke, zichtbare, de meetbare, kwantificeerbare werkelijkheid
te laten prevaleren. Deze wetenschapsopvatting die wij door-
gaans de positivistische of empiristische of empirische we-
tenschapsopvatting noemen, wortelt diep in onze Europese
cultuur. Men kan ruwweg zeggen, dat met de overgang van de
Middeleeuwen naar de Nieuwe Tijd deze wetenschapsopvatting
na het beroemde werk van Descartes zijn intrede doet en ons
sindsdien nog niet verlaten heeft. Veel groots is door deze
ontwikkeling tot stand gekomen maar wij mogen de vraag stel-
len of deze wetenschapsopvatting toekomstkarakter heeft in
het licht van de vraagstukken die wij thans tegenkomen in de
sociale werkelijkheid.
En wanneer ik dat nu op het verschijnsel van de communicatie
betrek, dan meen ik dat er rede is om te zeggen dat het uit-
sluitend behandelen van het communicatievraagstuk als een
instrumenteel buitenkant-gebeuren geen recht doet aan het
wezen van het verschijnsel en dat daarom ook in de praktijk
van het leven uitspraken en onderzoeksresultaten die op dit
terrein verworven worden voor de alledaagse praktijk, naar
mijn overtuiging slechts een geringe maatschappelijke rele-
vantie hebben,
Dubbelgangerbelevingen en nieuwe ethiek
De tweede kanttekening, die ik zou willen maken bij de para-
dox is deze: hoe kunnen wij de binnenkant van de sociale
werkelijkheid, het communicatieverschijnsel zelve dus, hoe
kunnen wij dat verzorgen, wat kunnen wij eraan doen om het
in zijn eigen aard recht te doen?
Ik begin dan met vast te stellen dat de moeilijkheid van
mensen om te communiceren, d.w.z. innerlijk werkelijk te
communiceren, de keerzijde is van een ander proces dat we
allen op prijs stellen. Dat is het proces van emancipatie of
van individualisering. Dat is een proces dat ook diep in de
mensheid verankerd ligt en dat ook niet van gisteren is,
Maar we hebben, in het afgelopen decennium, kunnen waarnemen
hoezeer dat emancipatieproces in onze tijd weer een sprong
voorwaarts blijkt te maken.
De keerzijde van dit emancipatieproces is, dat de mens door
een eenzaamheidsbeleving heen moet. Men kan niet tegelijker-
tijd èn zich zelf individualiseren, zelfstandig worden, op
eigen benen komen te staan, èn tegelijkertijd op de ander
betrokken zijn. Dat zijn twee elkaar uitsluitende dingen.
Ik zou zelfs de stelling aandurven, dat in een tijd die door
emancipatie gekenmerkt wordt, in wezen de grondtrek van de
werkelijkheid een anti-sociale is (ik zeg niet een a-socia-
le, want dat is een ander begrip, maar een anti-sociale).
Daar waar mensen zeer op zich zelf betrokken zijn, omdat zij
naar zelfverwerkelijking, zelfontplooiing streven, kunnen
zij niet op hetzelfde moment op de ander betrokken zijn en
de prijs die daarvoor betaald wordt is eenzaamheidsbeleven,
een verbroken band met anderen en met de werkelijkheid.
Welnu, men zou kunnen zeggen: als dat zo is, is het dan niet
zo dat we daar iets aan kunnen doen. Kunnen we dan niet le-
ren om beter te communiceren met elkaar? Dat ligt voor de
hand. Er zijn ook hele groepen van mensen die zich als
trainers, ontwikkelaars en agogen, enz. met dit vak bezig-
houden. Er heeft zich zelfs in de jaren '70 een geweldige
hausse voltrokken, juist ap het gebied van "sensitivity
training" en van "encountergroepen", Er is een ongelooflijk
aanbod geweest van trainingen, ontwikkelingsmogelijkheden
ten bate van communicatie. We zouden dus mogen verwachten
dat het betrekkelijk eenvoudig is om op dit gebied resulta-
ten te boeken, die zouden kunnen klinken als een klok.
Evenwel, de werkelijkheid is een andere, nl. dat ondanks de
aanwezigheid van deze methoden en technieken het niveau, de
intensiteit van communiceren bepaald niet toeneemt,
Dit verschijnsel, de moeilijkheid dus om communicatie effec-
tief te maken in het sociale leven hangt samen, naar mijn
mening, met een tijdsverschijnsel waar ik een ogenblik uw
aandacht voor zou willen vragen.
Dit tijdsverschijnsel is voor mij voor het eerst relevant
geworden bij mijn studie toen ik een boekje onder ogen kreeg
onder de titel "Dieptepsychologie en nieuwe ethiek" van de
hand van Erich Neumann, een Joodse psychiater die in 1948
bij de stichting van de staat Israël op grond van zijn erva-
ringen en een terugblik op de Tweede Wereldoorlog een
uiterst fascinerend beeld geeft van de ontwikkeling van de
mensheid en met name de rol van het kwaad in de mensheid.
Het lijkt wat ver gezocht om bij het thema van vandaag juist
dit naar voren te halen maar het is mijn ervaring dat in za-
ken van communicatie, daar waar mensen proberen elkaar te
ontmoeten, de rol van het kwaad een bepaalde werking heeft
op dit moment en wel zo, dat mensen beleven dat ín de commu-
nicatie een bepaald stuk van hun wezen dat door Neumann en
anderen wel wordt genoemd de duistere kant van het leven,
ofwel de dubbelganger, uiterst actief in het communicatie-
proces blijkt te worden. Men kan bijna zeggen: hoe intensie-
ver men gaat communiceren met elkaar hoe krachtiger de wer-
king van deze duistere kant, de dubbelganger, "het kwaad"
verpersoonlijkt in de mens zelf, zijn werking heeft. Ik zou
hier talloze voorbeelden van kunnen geven en ervaringen,
maar ieder van u die wel eens een ongestructureerde groeps-
sessie, een groepstraining heeft doorgemaakt weet wat ik be-
doel. Het is zo, dat je bijna als vanzelfsprekend kunt aan-
nemen dat na een korte tijd de dubbelgangers op de tafel
dansen.
We hebben tegenwoordig een buitengewoon scherp waarnemings-
vermogen voor de negatieve aspecten van elkaar en weten el-
kaar ook heel duidelijk zichtbaar te maken hoe die negatieve
kanten van ons zelf in het sociale verkeer op elkaar inwer-
ken.
Dit nu noem ik dubbelgangersbelevingen en die dubbelgangers-
belevingen spelen heden ten dage steeds meer in de communi-
catie in het algemeen maar in het bijzonder bij communicatie
in het bedrijf een rol.
Ik ga nu eerst nog terug naar Erich Neumann. Hij beschrijft
als psychiater hoe zijn verwachting is dat wij in de loop
van de tweede helft van deze eeuw, voor het grote vraagstuk
zullen komen te staan of wij een oude ethiek kunnen inwisse-
len voor een nieuwe ethiek, We moeten voorzichtig zijn met
dit onderwerp omdat het woord ethiek ook direct iets oproept
van religieuze belevingen of een ideologische bovenbouw die
met de werkelijkheid niets te maken heeft. Wat Erich Neumann
schetst is dat wij in de tweede helft van deze eeuw, volgens
zijn verwachtingen, de grote opgave zullen ontmoeten om een
oude ethiek die altijd in het sociale leven heeft gewerkt in
te wisselen voor een nieuwe ethiek en wat bedoelt hij daar-
mee? Hij stelt, dat het altijd zo geweest is in het verleden
dat er een gebodsethiek was of een zogenaamde "Gij zult'"-
ethiek. De normen en waarden die goed geacht werden of goed
handelen te voorschijn zouden roepen, werden collectief in
de gemeenschap geformuleerd en de mens werd geacht om alle
neigingen en alle eigenschappen die hem van dit collectief
geformuleerde goede gedrag af zouden houden, uit te bannen
door twee mechanismen. Eén mechanisme was de onderdrukking
van die neigingen en het tweede was die van de verdringing
van die neigingen. De mens werd geacht een drager van het
goede, het licht, te worden en de duistere kant in hem zelf
te verdringen of te verdrukken. Hij had een goed, zuiver ge-
weten in het sociale verkeer wanneer hem dat lukte om krach-
tens de collectief geformuleerde waarden en normen te func-
tioneren; "gebodsethiek" of "Gij zult"-ethiek.
Erich Neumann stelt dat dit alleen kan zolang de onderschei-
ding tussen goed en kwaad in het sociale leven nauwkeurig te
maken is. Hij voorspelt aan de hand van zijn ervaringen in
de Tweede Wereldoorlog dat die situatie in de sociale werke-
lijkheid steeds minder voor handen zal zijn, dat goed en
kwaad door elkaar heen zullen gaan lopen, dat het uitermate
moeilijk zal zijn om collectief vast te stellen voor kleine-
re zowel als voor grotere gemeenschappen wat nu eigenlijk
goed en kwaad is en verder dat de mens overspoeld zal worden
door een verwarring die het hem onmogelijk zal maken om zich
te distantiëren van het probleem om een eigen verhouding op
te bouwen tot goed en kwaad.
Hiertegenover stelt Erich Neumann de uitdaging van een
nieuwe ethiek, die hij schetst als een situatie-ethiek. Een
situatie-ethiek gaat er vanuit dat de mens aanvaardt dat het
kwaad niet buiten hem zelf is en daar een werkzaamheid heeft
maar dat het kwaad in hem zelf, als zijn onvolkomen kant,
werkzaam is in zijn binnenwereld en dus ook, als het komt
tot communicatie, in het communicatieproces een onherroepe-
lijke werking heeft en daar ook niet meer uit te bannen is.
Hij zegt nu: "Voor de toekomst zal het nodig zijn dat de
mens aanvaardt dat hij een onvolkomen-zijde heeft en hij
zal", zoals hij dat dan noemt, "zijn duistere kant, zijn
duistere broeder de vrijheid moeten gunnen, in plaats van
hem te onderdrukken of te verdringen en hem als een gezel op
zijn levensweg moeten leren beschouwen waarmee hij zich uit-
een te zetten heeft", Situatie-ethiek, is de aanvaarding van
de werking van het kwaad, als een disfunctionele, niet op
ontwikkeling gerichte werking die door ons zelf te voor-
schijn wordt geroepen.
Zo krijgt ethiek dus een uitermate praktische en concrete
betekenis. De ethiek komt binnen in het sociale leven, nl.
doordat. wij de ethiek zelf scheppen in ons handelingsleven,
wij scheppen ethiek door de daden die wij doen of nalaten te
doen, wij hebben te kijken naar de werking van onze daden en
het is heel interessant dat men ook in talloze conflictsi-
tuaties, mensen zo vaak hoort zeggen: "Ik merk wel dat ik je
schade heb berokkend dat, ik op een bepaalde manier op je
gewerkt heb maar het was mijn bedoeling niet, mijn intentie
niet om je te kwetsen of op je tenen te trappen."
Situatie-ethiek nu is die ethiek die zover komt dat de mens
verantwoordelijkheid aanvaardt voor de concrete werking, hoe
negatief die ook moge zijn, van zijn daden op andere mensen
en daar niet aan wil ontsnappen. Gezien de tijd moet ik dit
thema laten rusten maar ik vond het nodig om een achtergrond
te geven voor het eigenlijke thema, nl, communicatie in het
bedrijf.
Communicatie en cultuur
Communicatie ín het bedrijf is in wezen niet anders dan de
communicatie in algemeen menselijke zin en het is dan ook
zeker niet toevallig, dat ik daarstraks gewezen heb op com-
municatie-armoede. Dit is in alle bedrijven maar eigenlijk
in alle organisaties terug te vinden in milde of ernstige
vormen, soms als communicatie-moeheid, soms als communica-
tie-onvermogen. En het is in die zin dus, als het ware een
algemeen menselijk probleem dat binnengedragen wordt in de
bedrijfscultuur.
Communicatie in een bedrijf heeft natuurlijk toch nog wel
een heel bijzondere karakteristiek, nl. dat die communicatie
niet vrij geschiedt maar altijd onder het primaat staat van
een gezamenlijk verrichte opgave. Een bedrijf of organisatie
ZN
is er nooit voor zich zelf of voor de leden van de organisa-
tie, maar is er altijd voor de buitenwereld, voor een
cliënt, consument of patiënt, kortom: daar kristalliseert -
wat collega Van Dijck heeft gezegd - de gezamenlijke arbeid
in een externe opgave en dat maakt dat de communicatie in
een bedrijf dus onder een heel bepaald gesternte staat.
Dat maakt het er niet makkelijker op, integendeel. Het
blijkt nu juist dat datgene wat Neumann heeft geschetst,
nl. het moeilijk kunnen aangeven waar de grenzen tussen goed
en kwaad liggen, dat zich dat ook in het bedrijfsleven in
hoge mate begint te voltrekken, juist op het punt van de ge-
zamenlijkheid of de niet-gezamenlijkheid van de doelstellin-
gen. Men zegt het tegenwoordig wel met een Amerikaans waord:
“the mission", daar ligt het.
Sinds Watergate weten wij dat de problematiek van de nieuwe
ethiek, dat is de vraag "waar doen we het met z'n allen ei-
genlijk voor?", steeds actueler begint te worden en dat
daaromtrent dan ook veel disfunctionele communicatie plaats-
vindt, Het ideaalbeeld van een bedrijf of van een organisa-
tie zou men samen kunnen vatten met het begrip "werkgemeen-
schap". Dat is een gemeenschap van mensen die in gezamenlij-
ke verantwoordelijkheid bereid is een doelstelling voor de
buitenwereld te realiseren. Sinds de jaren '70 is het weer
mogelijk om inderdaad zelfs over bedrijven te spreken in
termen van gezamenlijkheid,
Het is niet toevallig dat in het jongste rapport van het
C.0.B., over medezeggenschap, gewezen wordt op het geringe
succes van de medezeggenschapsstrategie uit de jaren '70
die, zoals u weet, gebaseerd was op het conflictdenken of de
conflictstrategie. Die conflictstrategie zette zich in de
jaren '70 af tegen het harmoniedenken en wij kunnen nu,
lering trekkende uit de jaren '70, vaststellen dat beide
strategieën, beide denkmodellen eigenlijk niet realistisch
zijn omdat ze het extreme van communicatie weergeven.
Bij het harmoniemodel is de communicatie uitsluitend conver-
gerend geworden, daar stemt men zich volstrekt af in harmo-
nie op een gemeenschappelijke doelstelling en bij conflict
is de communicatie volstrekt disfunctioneel geworden of non-
existent. Beide modellen zijn voor de beschrijving van de
dagelijkse werkelijkheid van een organisatie en zeker van
een bedrijf niet meer relevant en ik verheug mij er ook bij-
zonder over dat er tekenen zijn, ook dat is door Van Dijck
gesignaleerd, dat dit thans opgemerkt begint te worden.
Waar het thans om gaat, denk ik, vanuit het oogpunt van com-
municatie in het bedrijf, is de kwaliteit van het gezamen-
lijke oordeelsvermogen van de aanwezigen te vergroten. Juist
omdat in een wereld vol van onzekerheden en tegenstrijdighe-
den, in een wereld waar waarden en normen niet meer collec-
tief worden vastgelegd ook niet industrieel, de dreiging op-
treedt van morele erosie bij leidinggevende functionarissen
en het enige hulpmiddel, redmiddel daartegen is een communi-
catie die oproept tot oordeelsvermogen, oordeelsvermogen
naar buiten toe wanneer het gaat om cliënten, patiënten.
Dat betekent een intensieve uiteenzetting met elkaar over de
oriëntatierichtingen, de missie van een bedrijf d.w.z. een
diepgaand gesprek over de uitgangspunten die men ten grond-
slag legt aan het contact met de cliënt. Wat willen we wel
en wat willen we niet doen. En voorts een oordeelsvermogen
naar binnen toe, nl. te kunnen onderscheiden wat voor de
verwerkelijking van die missie essentieel en niet essentieel
is,
Oordeelsvermogen is in wezen altijd het wezenlijke van het
onwezenlijke kunnen onderscheiden.
Veel bedrijven en andere organisaties staan voor het vraag-
stuk te kiezen tussen dingen die essentieel en niet essen-
tieel zijn en zijn hierdoor gedwongen op het vraagstuk van
de kwaliteit van de organisatie een nieuwe visie te ontwik-
kelen. Daarbij speelt de cultuur een belangrijke rol.
De cultuur is het bindweefsel tussen de leden van de werkge-
meenschap.
Als het zo is dat dit beeld juist is gaan wij een toekomst
tegemoet waarin het begrip management development opnieuw
ter hand genomen moet worden, Het was een ideaal dat ont-
stond in de jaren '50 en voor een deel in de jaren '60 maar
wat voor een deel uit de hand is gelopen. Aan de ene kant
doordat het eigenlijk in vele gevallen instrumenteel gehan-
teerd is, nl. managers te trainen in die dingen die voor het
bedrijf uiterlijk van belang waren en in ander opzicht door-
dat veel management development verkapte zelfgroeiprogram-
ma's zijn geworden.
Thans denk ik dat er rede is om opnieuw het concept manage-
ment development te doordenken en wel tegen de achtergrond
van wat ik hier geschilderd heb als de noodzaak van de ont-
wikkeling van een nieuwe situatie-ethiek of een versterking
van het oordeelsvermogen.
Daarmee hangt mijn overtuiging samen, dat het nodig zal zijn
dat het beeld van de traditionele manager verlaten wordt,
Daarmee bedoel ik de manager die, laat ik zeggen, getraind
is om met complete informatie snelle beslissingen te nemen
op basis van logische planning.
Welnu, dit is de werkelijkheid van de jaren '80 niet. De
meeste vitale beslissingen worden genomen buiten officiële
planningsprocedures om, in de wandelgangen op basis van in-
tuïtie en omdat men zich afstemt op mensen die men ver-
trouwt. Dat is de werkelijkheid. Het is zelfs zo dat het
hardnekkig vasthouden aan de ideologie van gefixeerde plan-
ningsmodellen de instabiliteit van bedrijven eerder vergroot
dan verkleind.
Tegen de achtergrond van die werkelijkheid meen ik dat voor
de persoonlijkheidsontwikkeling van managers uitermate be-
langrijk is dat zij leren om op een dieper niveau communica-
tievaardigheid op te doen en wel op een zodanig niveau dat
zij ook de onzichtbare binnenkant van hun organisaties even
effectief leren beoordelen en besturen als zij tot nu toe de
buitenkant van hun organisaties hebben leren besturen.
10.
Dat lijkt mij een aanvulling die dringend noodzakelijk is en
die de kwaliteit van veel bedrijven aanzienlijk ten goede
zou kunnen komen.
COPYRIGHT NPI