← Back to catalogue

Cloverleaf structures 1-3

Author:
Hans von Sassen
Original title:
Klaverbladstructuren 1-3
Type:
Report/Brochure
Language:
Dutch
Year:
1975
Pages:
14
Subject:
Internal work paper about the cloverleaf and the anthroposophical background (originally catalogued as "internal paper")
NPI reference no.:
5143.756 5143.759 5143.7510

Intern | _ 5143.156
| | HS/MM
KLAVERBLADSTRUCTUREN
bonne GD EDE eer ten ane e:
Intern werkpapier voor de bijeenkomsten op 26/6, 2/10, 6/11 en
4/12 1975 over het “klaverblad” door HS,
Dit betreft een moeilijke materie, in telegramstijl behandeld;
behoeft zeker mondelinge toelichting en deels diepere studie.
 Enkele gedachten vooraf over het wezen van “concepties!',
de.
Alle concepties in het sociale gebied zijn eigenlijk Ee en
ZA concepties. sik
| (op-)bouw, innerlijke geleding of gelaagdheid.
Lp Structuur
1” Vorm = (uiterlijke) omtrek van iets Peren Hd e Gn
fas (kan eventueel vast of star worden). penerebiet DN
Structuur is geen tegenstelling tot dynamiek, er bestaan ook
tijdsstructuren. De tegenstelling tot dynamisch is statisch.
Ht
Vormen (vormkrachten) komen van boven: van het hoofd = geboor-
tekrachten (maan, wijsheid, voorgeb. wereld).
Structuren ontstaan van onderop (op=bouwen); verb. met doods
krachten, wil, Saturnus.
De oerbeelden van structuren zijn in de kosmos te vinden.
Kosmos = orde van de wereld, tot stand komend door het "orde=
nende woord" (= wijsheid + wil?).
De "kosmos van de wijsheid" kan m.i. in het volgende beeld
XS weergegeven worden:
Het omvat de 3S-heid van aarde (Ó),
planetenwereld (7 sferen) en hemel
(dierenriem, 12-heid) = lichaam,
ziel en geest.
Daarin zijn meerdere soorten ‚van 2, 3
4, 5, 6, T-heden
(-ledigheder) besloten.
Dit beeld ligt ten grondslag aan het boek Theosophie (man. de
T Sferen) en een aantal cycli (b.v. Der menschl. und: der kosm.
Geâanke). |
De "kosmos van de wil" drukt zich m.i, uit in de wereldont-
wikkeling; de tijdstructuur van Sat. tot Vulc.
Beide maken de ontwikkeling van de mens mogelijk, die uit de
kosmos van de wijsheid komt ("gedacht wordt" = geschapen wordt),
geleid door de wereldontwikkeling buiten de kosmos zichzelf

2e
kan worden om tenslotte een nieuwe kosmos van de wil te schep=
pen, n.l, een "kosmos van de liefde" = een "sociale kosmos",
d.i. een bouwwerk (Joh.: Het Nieuwe Jerusalem).
Sociale structuurconcepties pogen de “bouwprineipes" in de vorm
van ideeën in beeld te brengen. Leggen we deze structuren aan
onze toekomstige soclale wereld ten grondslag, dan nemen we
(in vrijheid) de doeïen over die aan de (ontw. van) de kosmos
en de mens ten grondslag gelegd zijn, we imiteren dus geen
vormen. Elk structuutrprincipe kan in een onbepaald aantal vor-
hen gerealiseerd worden, dat hangt van ontwikkelingsfasen en
situaties af.
B 35 Klaverbladen.
Het oerbeeld van deze organisatie-conceptie ligt m.i. in de
dierenriem besloten. Alle tegenover elkaar liggende tekens
vormen een polariteit, Samen met de loodrecht daarop staande
polariteit vormen 4 tekens een kruis. De esoterische achter-
grond daarvan is te vinden in de cyclus: Geistige Hierarohten, X
april 1909. In en door deze 4-heid werken de Cherubijnen.
Er zijn 3 kruizen in de 12-heid. In de astrologie worden ze
O.a. aangeduid als: 'vaderkruis", "zoonkruis" en tgeestkruis'"',
Verder wordt er traditioneel een verband gelegd tussen dieren-
riem en elementen: er zijn vuur-, lucht-, water= en aardetekens
en wel zo verdeeld, dat in elk kruis de 4 elementen voorkomen,
Voordat het kosmische aspect verder beschreven wordt, eerst
iets over:
De A-heid in het sociale veld en het begrip organisatie,
Hypothese 1: Het wezenlijke van de dimensie: organisatie heeft
de structuur van een 4-heid (zoals individu - en m.i. mensheid —
van al 12-heid, groep van een T-heid en samenleving van een
=heid). (1 Beh ‘ nn 2/7
Waardoor is een organisatie wezenlijk gekenmerkt?
Als centraal begrip zie ik: FUNCTIE.
De gehele organisatie en elk deel ervan hebben een functie (in
groter geheel, í.v.m, een doel). Evenzo alle vormen, verhou=
dingen, atties, processen, gebeurtenissen in de organisatie.
In een bewegelijk veld zijn functies wisselend, ze ontstaan en
vergaan. Organisatie verlangt meer duurzaamheid. Daarom worden
functies gebonden aan een "lichaam", d.w.z. een organisme,
orgaan, functiedrager of meer fysisch-technisch uitgedrukt: aan
een instrument >f apparaat, In een organisatie zijn dus (een
deel van) de functies geïncarneerd in organen (personen, afde-
lingen enz.).
Anderzijds kan een sociale organisatie niet bestaan zonder be=
wustzijn. Dingen, gebeurtenissen enz. moeten bewust gemaakt
worden om fuhcties te kunnen vaststellen, afstemmen, (her-)or-
denen, besturen, veranderen, leiden enz. We vatten dit samen

als: beleid. Beleid is een "bewuste functie", die eveneens
een constituerend deel van elke organisatie is, zoals de
functie zich in het orgaan verdicht, zodat ze "trouw kan
blijven aan" gestelde doelen, zo 'vergeestelijkt'" ze ander-
zijds tot beleid(sfunctie) om verandering |en ontwikkeling
mogelijk te maken.
Dus: ORGANISATIE
N.B. Voor dit begrip van organisatie
is de omvang niet bepalend. Een
Te éénmansbedrijf of een groep die
FUNCTIE | afspreekt een tijd lang syste-
A matisch samen te werken t.b.v. een
an U extern doel, vertonen reeds ken-
ORGAAN merken van een organisatie.
Hypothese 2: De 3 aspecten van het begrip organisatie kunnen
geanalyseerd worden m.b.v. de 3 kruizen.
In het volgende wordt gepoogd dit schetsmatig te doen. We be=
ginnen met het lichaam van de organisatie, omdat dit het meest
zichtbaar is en het dichtst bij het oorspronkelijke NPI-
klaverbladmodel komt.
Het kosmische oerbeeld:
Stier
Leeuw
Adelaar of Schorpioen
Waterman of Mens
Elk kruis is een 4-heid met een midden, eigenlijk is dat de
"zon-aarde" (d.w.z. vóór de splitsing of na de hereniging van
aarde en zon).
Dit is het "machtigste" kruis; ligt ten grondslag aan de in-
carnatie van de 4 aardetoestanden tot op heden. Symboliek
sfinx en 4 evangelisten.
De 4 krachten brengen geboorte en instandhouding van lichaam
tot stand.
Voorbeeld: levende cel (is een orgaan).
Om als systeem te kunnen ontstaan en bestaan, is nodig:
1, Een centripetale kracht die een afgegrensd eigen bestaan
(existentie) bewerkt met een innerlijke orde die op een of

andere manier de kosmische orde afbeeldt (fl).
: ef Ile arr GE we nn
At
/ 2, Een kracht die het systeem op z'n omgeving, het (grotere)
organisme, de (wereld-)periferie oriënteert, dus een veel-
heid van relaties in stand houdt (3).
bla eer je, Een kracht die de cel doet groeien en in stand houdt door
Leur Kale Ce voeding (input) van nieuwe substantie (tf).
gapparct
4. Een kracht die oude substantie oplost en uitscheidt, wat
groei en instandhouding door afbraak mogelijk maakt (MM).
(Kracht is natuurlijk hier een veld van krachten.)
3 en 4 zijn dus levensprocessen (stofwisseling) met een ge-
boorte- en een doodspool. Ze vormen tezamen een "proces
Z\ structuur”,
1 en 2 zijn constituerende krachten in de polariteit centrum-
periferie of intern-extern. Ze vormen een "systeemstructuur!
(organen en hun relaties),
In een sociale organisatie is dit kruis misschien als volgt
te karakteriseren en te benoemen.
Jor bna
dp 57 Àe Beheer: Processen beheersen, ordenen, coördineren, regelen.
/ Naar binnen gericht, systeem bevestigend.
Beleid: Communiceren, relaties leggen, verbinden, in groter
verband plaatsen, ontwikkelen. Naar buiten gericht, systeem=
ontwikkelend.
Capaciteit: (verschaffen vans) kapitaal, know how, grond-
stoffen, etc. Op invoering, verkrijging gericht.
Productie: (bevorderen van:) alle out-put gerichte processen,
arbeid; bruikbaar maken, waarde vermeerderen, scheiden en
uitscheiden van het bruikbare en onbruikbare, kontrole.
ZON Gericht op uitvoering en nuttig rendement.
Dit zijn basisfuncties voor elke organisatie of onderdeel ervan.
Iedere arbeidseenheid produceert iets, heeft daartoe capaciteiten
nodig, beheert middelen, etc. en heeft relaties naar buiten — onaf=
hankelijk naar welk gezichtspunt de eenheden gevormd zijn.
Kunnen deze functies in een organisatie nu zelf ook sub-systemen
worden, zodat deze 4-heid ook als geledingsmodel mogelijk is?
Dit brengt me op het model "procesorganisatie", dat aan DFG
en DAAD ten grondslag gelegd is. Dit valt uiteen in een
"arbeidsysteem" (midden), een "beleidssysteem" (boven) en een
"beheerssysteem" (of middelen-systeem) (onder) (zie rapport
DAAD). Het arb.syst. is beschreven als procesorganisatie tussen
input en output. Het kruis is hierin exact terug te vinden
(overigens werd dit model niet van het kruis afgeleid, het
verband bleek pas achteraf).

Hoe verhoudt zich dit nu tot het klaverbladmodel?
Het kruis is een ruimtelijk symbool, het geeft posities t.o.v.
elkaar en de spanning daartussen, maar geen processen.
Ziet men de polariteiten en het levensproces daartussen, dan
is dat weer te geven door 2 lemniscaten, die een "kruisbloem"
vormen. |
In het "“klaverblad'-model komen de 4 velden in een verder-
gaande wisselwerking met elkaar. De loodrecht op elkaar
staande velden zijn telkens via het midden verbonden.
Vraagt men naar de begrippen: middelen en informatie dan kan
daarover misschien het volgende gezegd worden.
Middelen komen als "kapitaal" binnen, worden in de sfeer
van het beheer tot middelen en verdwijnen in het productie-
proces. De '"middelenlob" is dus niet een van de 4 velden
(hoeken), maar het proces van U —>{) fg het "halve
klaverblad"
Ô
Informatie heeft verschillende betekenis en verschillende oor-
sprong. | |
— Als know-how e.d. komt informatie binnen als capaciteit;
— als resultaat van "veldanalysen" (bv. van de markt) komt
het als inzicht in de beleidssfeer tot stand.
— als feed-back komt het door kontrole van het uitgevoerde
voort uit de productie.
Dit vindt dus in de andere helft van het klaverblad plaats.
Informatie en middelen zijn dus 2? elkaar aanvullende begrippen.
Informatie verdwijnt niet zoals de middelen in een proces,
maar komt er uit tevoorschijn (resp. moet er uitgehaald
worden) .
Een gezichtspunt voor management is nu:
Voor het beheer wordt informatie (die de andere 3 velden
voortbrengen) tot middel — voor het beleid worden de middelen
(waarmee het zelf niet te maken heeft) tot informatie(lgegevens)!
Tot zover over het eerste klaverblad (KI).

er
kruis: het "zoonkruis" of "cardinale kruis", “desptf'
Lier.
Interna | ___5145.759
HS/MM
Kainnsdhenschmmnteansdaidheanshene hinsdutsdenendstemdeatndennndneer enden rde
Intern werkpapier (voortzetting 5143.756).
In het voorgaande werd als hypothese gesteld, dat het "oerbeeld"
van organisatie een vierheid (kruis, klaverblad) is. In elke
werkelijke organisatie zijn natuurlijk ook de andere dimensies
van het sociale veld aanwezig of werken erin door, maar het gaat
hier alleen om de eigenlijke, immanente eigenschappen van de
organisatie-demensie.
Het meest wezenlijke kenmerk van een organisatie werd beschreven
door het begrip functie (het analoge begrip bij de dimensie
"groep" ís: interactie). Alles van en in de organisatie heeft een
functie. Het begrip functie werd verder gedifferentieerd in orgaan
(lichaam, apparaat etc.), waarin de functie meer verdicht en ver
duurzaamd verschijnt, en beleid, waarin alle bewuste functies
Sms: OCETODEE EERE
(organiseren, leiden, beslissen etc.), de geestelijke kant, zijn
samengevat.
Tenslotte werden de constituerende elementen, krachten en proces=
sen in het lichaam van de organisatie en in elk orgaan daarvan
gekarakteriseerd m.b.v. het '"vastekruis'" of Waderkruis" uit de
dierenriem en tevens werd gepoogd de begrippen informatie en mid
delen daarin een plaats te geven.
We bekijken nu de organisatie door de bril van het centrale begrip
functie. Welke "oer-functies' moeten in elke organisatie aanwezig
(vervuld) zijn, zodat ze aan haar opgave kan voldoen en kan blijven
voldoen? De analyse daarvan gebeurt aan de hand van het tweede
Eerst weer iets algemeens daarover. ij
KII
Weegschal
Steenbok
EN
Dit is het krachtenveld waarin de ziel staat, gekarakteriseerd
Oi VE
bemi 25e
lol sÔragilin —, TEAMS i id
geest LA ng Vern ln rader A nf
door de volgende begrippen:
Kaar
brent
we,
rm Werkelijkheid
Lier 45e J
Ram als
Kreeft PS
| Vp eelt hoar Ae pronte à "11 Aes berde,
materie /ew TT ad 2 Kel Phara Zin À D
Aar ale Ref * me Pd sma A mn Ân An

2,
De ziel kan zichzelf zijn in het evenwicht tussen geest en
materie (stof, lichaam); ze kan zichzelf worden (zich ontwik-
kelen) door ideeën te verwerkelijken. Idee is hier niet aleen
edachte, maar tegelijk daad, begin, initiatief, d.i. op weg
gaan om een mogelijkheid (die eerst alleen gedacht kan worden)
door daden tot werkelijkheid te maken. Y is dus een kracht
die uit de innerlijkheid ontspringt en naar ‘buiten werkt (im-
puls); =2= is "de ander", "het andere", de omgeving, wereld,
voorzover de ziel deze in zich laat binnenkomen, dus de werking
van de wereld op ons innerlijk.
Nu kan men de hele bovenste helft in het beeld zien als de
"geestelijke wereld" (waaraan de ziel aandeel heeft, zich in
kan verheffen); C vormt de culminatie daarvan; evenzo de hele
s
onderste helft als materiële wereld (waarin de ziel zich be-
lichaamt).
In de linkerhelft heeft de ziel met haar eigenheid te maken
(eigen gedachten, impulsen etc.), in de rechterhelft met de
wereld, die "iets van haar wil" en waarop zij zich moet instel-
len. (Dit gezichtspunt van "sectoren" van het veld is ook van
belang voor de andere kruisen.)
Boven en onder zijn in dit beeld volgens een bepaald gezichts-
punt gekozen; men kan ook É boven en B onderaan tekenen
— wat eigenlijk in overeenstemming met de voorstelling van KI
zou zijn. De polariteit 69 - B (onder - boven) kan ook be- 1
schreven worden als geboorte (-krachten), n.l. indaling van de -
ziel in de materie, het verleden, en als dood (-skrachten) of
vergeestelijking, de toekomst, dus ook als onbewust en bewust
Lg
zieleleven. | TE Á
N.B.: Door het materialisme is dit veld in de gangbare voorstel W
ling tot een |
Ötale dualiteit geworden: materie en realiteit
worden vereertzelvigd, evenzo idee en geest; één logische stap
verder en idee en geest worden = schijn. Daarmee is zowel de d GD
mogelijkheid van vrijheid als van ontwikkeling van de ziel een
illusie geworden. De werkelijkheid (A=) strekt zich echter
evenver in het materiële als in het geestelijke gebied uit,
evenals elke impuls of daad (“V ) gevolgen heeft, zowel in de
geestelijke als in de materiële wereld.
De horizontale as heeft een meer dynamisch karakter: wording,
ontwikkeling, proces, weg. De vertikale as is meer een polaire
spanning en het evenwicht zoeken daartussen — ritme, schommeling.
De principesvan ontwikkeling en van evenwicht zoeken vormen dan
ook geen tegenstelling, sluiten elkaar niet uit; integendeel:
zonder (streven naar) evenwicht is geen voortschrijden mogelijk
(R.St.: "der individuelle Mensch ist ein Sucher des Gleichge-
wichts zwischen polarischen Kräften'. Beide principes staan
"loodrecht op elkaar". Vgl. de Statie).
Hoe is dit nu voor een organisatie te beschrijven?
Voorwaarden voor een gezonde, levende organisatie zijns
1.
eeën uit voortkomen. Daardoor is de
organisatie ontstaan ("onderneming zij voortdurend
vernieuwd worden (immers, gedachten hebben de neiging oud te
worden — denkgewoonten, oude voorstellingen — en actie in de
Plani barahtu. met al arl HS Lr odd TA

materiële wereld is onderhevig aan slijtage).
2. Dat de organisati is voor de werkelijkheid om zich heen,
voor de mogelijkheden, feiten en behoeften van de omgeving en
dat ge in staat is daarop in te gaan en antwoorden te geven,
d.w.z. zichzelf in een nieuw evenwicht met de omgeving te
brengen. Ple va ol grohe A
Beide voorwaarden tesamen kunnen als een lemniscatische beweging
tussen de polen gesymboliseerd worden.
Oy … Dat is de weg van verwerkelijking
Nn r ze van ideeën, ontwikkeling.
Niet gezond zijn senzi jdigheden zoals: alleen op basis van eigen
ideeën willen handelen (zelfoverschatting) of oppertuniene stefje
Voor een individu kan men het bovenstaande als houdingen be" al nt
schrijven (b.v. moed tot initiatief, realiteitszin e.d.); op het
niveau van de organisatie moeten deze als functie aanwezig en
werkzaam zijn, d.w.z. de organisatie moet zo vorm krijgen, dat
realistische ideeën kunnen vrijkomen en verwerkelijkt kunnen
worden en dat de organisatie voldoende open en wendbaar is, om
op veranderende omstandigheden in te gaan.
5. Een derde voorwaarde is, dat de ideeën eetl ik
d.w.z. concreet worden, op de grond (aarde) komen, dat. ma; Nan
riële voorwaarden geschapen worden (gebouw, middelen etc. SS
war wederom de functies van continuïteit: bewaren, onderhouden,
verzorgen e.d. met zich meebrengt. Deze functie heeft, abstract
gesproken, ‘te maken met alles wat verleden en wat; ruimtelijk
geworden is (6g ).
4. Zou elke impuls of elke reactie op een situatie onmiddellijk
gematerialiseerd worden. ("concrete acties en maatregelen"),
dan zou geen ontwikkeling en zingeving mogelijk zijn. De or=
ganisatie zou "in z'n eigen verleden verdrinken". De 4e functie
is daarom, dat impulsen als gedachten of concepties (toekomst-
mogelijkhed CEN ZO, dat de waarneming van
de werkelijkheid in een zinvolle samenhang tot bewustzijn ge-
bracht wordt. Dus bewustzijn ontwikkelen, bezinnen, overleggen,
Tine). vormen e.d. (principe van terughouding in de ontwikke-
ling).
Deze 4-heid ligt m.i. ook ten grondslag aan ons ontwikkelings
model: de polariteit van concepties en het concrete (bestaande)
systeem, daartussen de gemeenschappelijke weg; n.l. van idee tot
werkelijkheid, van ik èn de ander, d.w.z. van initiatiefdragers
en partners; adviseurs en cliënten, leidenden en geleiden etc.;,
dus complementaire rollen of functies. Door de concepties, zdln
Wilde toekomst, de RsetaaudeJecatend
leden, de weg zijn we steeds in den, daar vindt Erkennt-
fed te te Ga:
nis, Ontmoeting en keuze plaats.
nanne neemen.
Men hoeft dit model niet — als het ware normatief — naar een te
helpen organisatie toe te dragen; men kan het ook herkennen als
inherent aan elke organisatie die, voorzover ze leeft en dus

- Elbe Poon Bavorcs bean An ele 4,
"functioneert", op elk ogenblik onderweg is tussen de krachten
van verleden en toekomst.
De 4 functiekwaliteiten, die als oerbeeld in elke organisatie
te vinden (moeten) zijn, zouden we als volgt samen willen vatten:
1. De ontwikkelende functie: alles wat gebeurt op grond van
YY initiatieven etc. Dit is het creatieve moment van het func-
tioneren.
tnt | /
2. De dierstverlenende functie: alles wat gedaan wordt op grond Ea,
Se van het waarnemen van de omgeving, de behoeften. Ke ,
3. De verzorgende functie: alles wat gedaan wordt aan het onder-
houden etc. ("pflegen") van middelen, processen, vehoudingen ‚
9) en structuren. Het meeste werk vindt in deze sfeer plaats. ú in
4. De zingevende functie: alles wat gedacht en gedaan wordt om
het verleden en heden vanuit een hoger (alle aspecten omvat-
ps tend) gezichtspunt met de toekomst en met het "geheel!" te
verbinden.
De termen en omschrijvingen geven natuurlijk alleen gebrekkig
weer wat hier in zit.
Op de vraag,of deze 4 functies ook in organen gespecialiseerd
kunnen worden of alleen kwalitatief in de hele organisatie werk-
zaam zijn, willen we later, als de 3 kruisen in samenhang met
elkaar bekeken worden, ingaan.
Tot zover het tweede kruis (KII). — Le Kertagan An def vj An
— oerkaclol (a) wekte SÉ, bla |
Lr. garen ford.
GA Al anr beras Vlag on Ae tt iet Hfl MF
Ts EAZA erdee Aai Hol a pe ME
Aer;
|
er Leca, luk Dt alE Larep
mi

Pd
INSTITUUT VOOR ORGANISATIE ONTWIKKELING —
Valckenboschlaan 8 „Zeist - Telefoon (03404) 2 00 44
Inter 5143. 7510
HS/MM
KLAVERBLADSTRUCTUREN 5
vem oltin GG AERT-EN OOLD GE-DEE BIED EED LDA ESE OT WT TTE OR ETE ES OD
Intern werkpapier (voortzetting 5143.759) di II.
Tot nu toe werden de structuurkenmerken van een organisatie Î
rondom het begrip functie en orgaan als een 4=heid beschreven. 457
Nu is het derde kruis aan de orde rondom het begrip beleid (de }
term beleid is tot nu toe in een verschillende context gebruikt, fons
wat verwarrend iss misschien kunnen we voor wat nu volgt een Dep boen
beter woord vinden). n pn
De functies van een organisatie krijgen een zekere zichtbaarheid, g ol,
duurzaamheid en continuïteit, doordat ze in organen verschijnen.
Daardoor wordt de organisatie herkanbaar; het geeft de mensen
een bepaald houvast, zowel binnen als buiten de organisatie.
Zolang de organen niet te oud of te star worden in verhouding tot
de aard van de functies, zijn ze een levensvoorwaarde voor de
organisatie,
Aan de andere kant is er voortdurend beweging, omdat de organisa-
tie in een veranderend (ontwikkelend) veld, zowel intern als …
extern, staat. Om deze veranderingen functioneel te maken is
nodig, dat ze bewust gemaakt en gestuurd worden in de vorm van
doelen, plannen, experimenten, beslissingen; aanpassingen, orga=
nisatie-ontwikkelingen etc. Zouden de krachten der verandering
Waan zichzelf overgelaten"'worden, dan zouden ze spoedig de be=
staande organen chaotiseren en het voortbestaan van het systeem
in gevaar brengen.
De betekenis van organen kunnen we op een overeenkomstige wijze
omschrijven: zij dienen om de constante factoren in het systeem
functioneel te maken,
Het krachtenveld dat alle verandering in het systeem mogelijk en
functioneel maakt analyseren we nu aan de hand van het derde
kruis: het "geestkruis" of bewegelijke (dynamische) kruis.
Eerst weer iets algemeens daarover.
N Sr he ied, nj 3 hatdg olm ben
EL |
El tet Nele Lr en
Tweelingen
Schutter Crema”
Vissen rader
PAL lat Aawer : BA RIIS

el
N/Z
lande
Lee Wp
2,
Zoals het vastekruis staat voor de incarnatie, geboorte en in=
standhouding van het lichaam, zo vindt de excarnatie, deweZe
de geboorte of opstanding van de geest in het teken van het
"geestkruis" plaats. Dit laatste geboorteproces voltrekt zich
gedurende het gehele leven, overal daar waar bewustzijn, dus
kennis en Erkenntnis, gewonnen wordt.
N.B. : Door het intellectualisme is een hardnekkig misverstand
de wereld ingekomen, n.l. dat kennis en Erkenntnis alleen
een kwestie van gedachte-inhouden zou zijn. Voorstellen,
voelen en handelen worden dan als afzonderlijke vermogens
gezien, die elkaar min of meer uitsluiten, zodat men er
over kan twisten wat waardevoller is, bev. de wetenschap-
pelijke kennis, het warme voelen of het krachtige doen!
Voelen en willen zijn eveneens (potentiële) "Erkenntnis-
organe". Erkenntnis is alleen door de "hele mens'' te
bereiken. Naarmate door innerlijke scholing meer Erkennt-
nis verkregen wordt, des te groter wordt ook het vermogen
tot krachtig handelen.
Alleen is het zo, dat in het huidige ontwikkelingsstadium
het voorstellingsleven tot op zekere hoogte in het licht
van het zelfbewustzijn plaatsvindt, terwijl dit bij de
wil nog het minst het geval is.
Waardoor komt "kennis" tot stand? We kijken nu niet naar een
levende cel, maar naar een mens op weg naar vergeestelijking.
Alle Erkenntnis komt tot stand door het samenspel van denken
en waarnemen in de zin van de Philosophie der Freiheit. Nader
bezien zijn er 2 soorten denken: voordenken () en nadenken
(IL) en twee soorten waarnemen: een uiterlijke, zintuigelijke
(Np) en een innerlijke, geestelijke ({), d.i. de intuïtie.
We bekijken eerst het totstandkomen van kennis in het fysieke
gebied (de onderste helft van het beeld, zoals beschreven bij
KII, dus onder de lijn Y -Z5).
Kenmerkend voor de uiterlijke waarneming is, dat de inhoud van
de waarneming voor ons "verschijnt", het is een "gegeven!, we
doen er zelf niets toe ("sie dringt sich auf") — zodra we onze
zintuigen voor de indrukken geopend hebben. Wat we waarnemen
is natuur, dus het gewordene. Door deze poort komen dus binnen:
| zexachijnnelen (Fenomenen), indrukken (gewaarwordingen) en
feiten (resultaten van ons handelen of dat van andere wezens) .
Om deze waarnemingen tot kennis te verheffen, moet het verstan-
delijk denken zich innerlijk actief inschakelen. Elke waarneming
geeft een raadsel op dat het na=denken tracht op te lossen. Dit,
denken is in principe onderzoekend, analytisch, mathematisch, C
onderscheidend, dialectisch cn combinatorisch; neemt z'n uit-
gangspunt bij de twijfel en eindigt in conclusies. Dit alles is
kenmerkend voor de twee-lingen. Alle dagelijkse kennis en de
natuurwetenschap komen op deze wijze tot stand.
Na-denken: het treedt pas naar aanleiding van een waarneming in
werking, brengt iets tot bewustzijn dat er al is, het is kennis
"post rem" (na het ding als werkelijkheid).

De intuïtie (Ik) is een waarneming die van binnen komt, daarin
openbaart zich het wezen, de essentie van iets (niet een ver-
einend
ZN schijnsel). Een feit is eenmalig, door het denken daarover moet
k het algemene gevonden worden. Bij de intuïtie is het juist anders-
on. In de morele intuïtie wordt een principe (uitgangspunt) of
5
motief zichtbaar, dat is universeel (b.v. dat de ontwikkeling van
ae de mensheid in de toekomst alleen verder komt door eigen inspan-
zor huus ning) of tenminste relatief algemeen. Het denken is dan nodig
Te Cem, om dit tot een besluit in een bepaalde situatie te brengen. Dit
is '"voordenken" (Á), waaruit een bepaald doel, plan of besluit
tot actie te voorschijn komt. Het motief is wezenlijk, maar
alleen mogelijkheid, er is een denkproces voor nodig om het tot
een "geestelijke realiteit!" (besluit) te brengen. Het is een
denken "ante rem!’ , dew.z. het ding = feit is resultaat van voor=
ZS denken. Hier komt wil in het denken, wat mogelijk maakt, dat dan
het denken in de wil komt (handelen overeenkomstig een besluit).
Ee as }[ „XxX heeft &us te maken met denken, de as /1P met waar=
nemen — ze vormen dus geen polariteit, maar staan loodrecht op
elkaar! Wel zijn de beschreven vormen van Erkenntnis polair.
Deze hebben wij eerder genoemd: beeldvorming en besluitvorming,
ken- en keuzeweg, situatie-analyse en situatieverandering (U-
procedure). Ze verschijnen inderdaad als kruis in de dissertatie
van Lex. Draaien we de figuur een kwartslag, dan wordt deze:
Hen
gest en
motieven 7
feiten doelen
7 /” raed nd
Com Pere) epe Of
foân )
Het verschil is, dat bij doelen motieven staat en bij wegen:
doelen. Het begrip doel wordt sedert ouds bij /' geplaatst: het
is eindpunt van een weg of plan, geanticipeerd resultaat, Plan en
doel liggen op één lijn (‚/°), elk punt van de weg kan men ook
weer als doel opvatten. Met "doel" in hogere en meer algemene zin
bedoelen we eigenlijk motief, (morele) intuïtie.
Tot zover het derde kruis.

Tan Ao: WT abn Kan Aan + Boa
=S GE, heelder La _ÖE bral A LEN Broarelre
Pai erbor.le, PN m6. Aa, Leer en Soro er vers
4. em
De drie kruizen samen gezien.
Eén mogelijkheid om de 3 x 4 oerfuncties te groeperen ís de
volgende: ® ZECLIOEN,
: Er 4 í
| ï
G /
Ta
Î
PS
Dien T BALL 69 tas.
EIN VION OPRIAG man As
ame
ODDEENEMEN A
rar,
(Bier Saaie
De 4 gebieden zijn als volgt te karakteriseren:
links Alles wat de eigenheid en het uit eigen kracht ontwikkelen
van een organisatie uitmaakt:
ondernemerschap, initiatieven, ideeën, vernieuwingsimpul-
sen, ontwikkelingswil (“Y°),
die hun zin krijgen uit de motieven daarachter (X ) en
mogelijk gemaakt worden uit het beschikken over capaci=
teiten (5).
rechts Alles wat te maken heeft met ontmoeten van de buiten-
wereld werkelijkheid, waarmee het eigene in evenwicht ge-
bracht moet worden (principe van gelijkheid), aangaan van
een wederzijdse verhouding ("horizontale relatie") (5)
— enerzijds waarnemend de concrete feiten, behoeften van
de wereld, om daarmee rekening te houden (}{7), anderzijds
gevend wat uit eigen capaciteiten is voortgebracht, pro=
duktie (in).
onder Alles wat behoort tot het doen ontstaan en verzorgen van
het lichaam van de organisatie (middelen, continue proces-
sen) (5ö) -
enerzijds ondersteund door "intelligent verwerken! en com-
municeren van gegevens, waar deze in het systeem nodig
zijn, dus administratie (Ì] ), anderzijds, door organiseren,
stabiliseren, coördineren, dus beheer (Â).
boven Alles wat de organisatie met een grotere dimensie (samen-
werkingsverband, veld, samenleving enz.) en — in de tijd
gezien — met de toekomst in verband brengt, waardoor zijn
taak in de wereld op een zin georiënteerd is (Z ).
Dit wordt enerzijds mogelijk door zich open te stellen voor
en samen te werken met de grotere dimensie ("vertikale

5e
relatie!) (@R), anderzijds door het beleid te verdichten
tot te realiseren doelen ({).
N.B.: De waterman is zoiets als de “sociale wil", die tot
samenwerking en broederschap leidt, Is deze functie in
organisaties ontwikkeld, dan ontstaat een netwerk van
associaties, waarin een deel van het beleid tot stand
komt, dat de organisatie aangaat.
In de bovenpool zien we nu (meer compleet dan bij KI beschreven)
het beleidssysteem. Beleid in deze zin omvat dus zingeving
(waartoe bestaan we, wat willen we eigenlijk), berustend op
maatschappelijke verantwoordelijkheid, gezien de plaats die men
in het netwerk van organisaties inneemt en zich uitdrukkend in
de doelen, richting, die men voor z'n activiteiten stelt.
In de onderpool hebben we dan het beheerssysteem (verzorging;
aäministratie, procesbeheersing), (ook meer compleet beschreven
dan bij KI).
Rechts en links vormen dan het arbeidssysteem, waarin de verwer-
kelijking van ideeën (en een daartegen ingaande dynamiek) plaats-
vindt (zoals beschreven bij KII). Daar kunnen dan de karakte-
ristieken van capaciteit en produktie en van de motieven en
feiten aan worden toegevoegd.
In het midden van het beeld zouden we nog de identiteit kunnen
plaatsen.
Dit beeld roept een aantal vragen op, waarop in te gaan een veel
te omvangrijk stuk zou vergen en waarvan me de antwoorden ook
nog niet helder zijn, m.n. de betekenis van het klaverbladmodel,
wat betekenen precies de processen die door de 4-heid heenlopen?
Hoe hangt dit met de 4 etherkwaliteiten samen?
Daarover ís dan misschien een gesprek mogelijk.