← Back to catalogue

About delivering a speech

Author:
Bernard Lievegoed
Original title:
Over het houden van voordrachten
Type:
Article
Language:
Dutch
Year:
1959
Pages:
5
Subject:
Chapter VIII from the book “Vorming” Handboek voor sociaal-cultureel vormingswerk met volwassenen” Editor- Prof. Dr. T. T. ten Have

| vir Over het houden van voordrachten
N _PROF. DR. B. C.J. LIEVEGOED
Bij het veel gebruikte middel van de lezing, de voordracht of de
rede hebben we te maken met de beïnvloeding van een groep
mensen door één persoon. Bij de lezing is het vooral beïnvloeding
door de inhoud, die door de spreker tevoren is vastgelegd en die
door hem gebracht wordt van het papier tot het publiek. Bij
de voordracht heeft de spreker meestal het onderwerp geprepa-
reerd in een aantal punten en spreekt hij min of meer vrij naar
aanleiding van deze punten. Het begrip redevoering of rede zou ik
willen reserveren voor die vorm van toespraak, waarin de spreker
spontaan reageert op een bepaalde situatie of op bepaalde ge-
dragingen van de toehoorders. Waar de lezing dus inhoudelijk
en wat zijn vorm betreft van tevoren is vastgelegd en de rede
geheel in het nu staande, een vrije uitingsvorm is, staat de voor-
dracht tussen-deze twee uitersten in.
Ik zou dan in de eerste plaats willen trachten een aantal aspec-
ten van de voordracht naar voren te brengen en hierbij vorm-
elementen en inhoud willen trachten te onderscheiden.
Wat de vorm betreft, begint de voordracht met de introductie.
Een introductie van de inhoud, van de spreker of van de situatie,
die tot de ontmoeting tussen spreker en publiek geleid heeft. De
toehoorders krijgen daardoor gelegenheid zich aan de persoon,
de spreektrant en de geluidssterkte van de spreker aan te passen.
Er kan een zekere overgang plaatsvinden van wat hen tevoren
occupeerde naar het onderwerp van de lezing. Met andere woor-
den, het publiek moet er even in komen en er moet een milieu
geschapen worden, waarin gesproken kan worden. Al naar de
aard kan de introductie korter of langer duren. Zij kan echter
meestal vrij snel overgaan in de tweede fase, die van de probleem-
stelling, waarin de wijze waarop het onderwerp zal worden be-
handeld en eventueel de vragen, die het oproept, nader worden
uiteengezet.
De spreker zal goed doen deze probleemstelling van tevoren
duidelijk te formuleren en in de vorm waarin hij deze brengen
wil in zijn notities vast te leggen. Van de probleemstelling hangt
eigenlijk de verdere vorm van de voordracht af. Is het de bedoe-
ling van de voordracht om vooral informatie te geven over het
aangekondigde onderwerp en de daarbij rijzende vragen? Of is
197
“vader Prog etinarmiiaen ie eens ramt id mees ereen onmis eri en Md
DRE END fe
rr rem Are slede een

Media en methoden
het verwijden van de horizon, waarin de problematiek staat, de
taak van de spreker? Wat de inhoud betreft van de probleem-
stelling kan de spreker zich ook ten doel stellen met het publiek
samen een bepaald denkproces door te maken, waardoor dit van
stap tot stap tot een bepaald eindpunt gevoerd wordt. Het kan
ook de taak van de spreker zijn de mensen meer in de belevens-
sfeer te raken en hen te laten beleven, dat er een bepaalde
methode is om een bepaald probleem, bijvoorbeeld een soci-
aal probleem, te behandelen. Tenslotte kan de voordracht ook
de mens in zijn wil aanpakken en trachten hem tot een actie te
motiveren.
Deze aard der probleemstelling bepaalt de aard en gang van
het grote middenstuk van de voordracht. Zij kunnen een variatie
op het grondthema zijn, dan heeft de voordracht meer een cau-
serievorm. Het middenstuk van de voordracht kan ook de oor-
deelsvorming over het probleem bij het publiek willen beïnvloe-
den, b.v. door verruiming van de gezichtskring. Tenslotte kan
de bedoeling zijn om via een zekere bewijsvoering tot een dwin-
gende conclusie te komen.
Het middenstuk voert min of meer noodzakelijk naar het slot,
dat dan òf een samenvatting van de genoemde gezichtspunten is
òf een duidelijke formulering van de conclusie, die uit de rede-
natie te trekken valt.
Vorm en inhoud van de voordracht hebben dus een zeer grote
invloed op elkaar. De spreker die de taak heeft een bepaalde
inhoud aan een hem nog onbekend publiek te brengen, zal goed
‚doen begin en slot van zijn voordracht zeer nauwkeurig, tot in
de formulering toe, voor te bereiden. Introductie en probleem-
stelling moeten hem geen moeilijkheden meer opleveren, omdat
hij in deze periode de taak heeft om het publiek te verkennen en
de voorlopige reacties en responsies vast te leggen. Hij zal echter
goed doen het middenstuk niet al te woordelijk voor te bereiden,
doch zich bij de voorbereiding te beperken tot de inhoud die
hij wil brengen.
Een voordracht kan slechts dan van opvoedkundige waarde zijn,
als de spreker zich vrij in de stof kan bewegen. Kan hij dat niet,
dan doet hij verstandiger een lezing op te schrijven en deze voor
te lezen. Is hij in staat de inhoud van een drie kwartier spreken
of betogen in enkele slagzinnen voor zichzelf vast te leggen of in
een enkel schemaatje of tekeningetje op zijn notitievel te zetten,
198

Media en methoden
dan zal hij tijdens het spreken de vrijheid hebben om deze in-
houd dusdanig aan het publiek voor te houden, dat spreker en
publiek tezamen als het ware naar deze inhoud gaan ‘kijken’ en
tezamen gaan ontdekken wat er te ‘zien’ valt. Een dergelijke
voordracht is dan ook niet zo maar zonder meer te drukken,
daar er voortdurend herhalingen in voorkomen, die daarop be-
rusten dat de spreker uit de reacties van het publiek bemerkt waar
het beeld nog aan duidelijkheid te wensen overlaat. Op een be-
paald moment zal de ervaren voordrachthouder bemerken, dat
hij naar de afsluiting toe moet gaan sturen. De formulering daar-
van heeft hij genoteerd. Voor hemzelf zal hij hebben vast te stel-
len, in hoeverre het hem deze keer gelukt was om het beeld uit
de grondverf te krijgen, of dat hij dit beeld nog vrij schetsmatig
heeft moeten laten staan.
De pedagogische werking van de lezing is veelal een andere dan
die van de voordracht. Vooral de knappe lezing geeft de bevre-
diging van de systematische gang door het onderwerp, de com-
pleetheid van de behandeling en de helderheid van de betoog-
trant. Zij werkt over het algemeen constaterend en conclu-
derend en vooral wanneer er geen speld meer tussen te krijgen is,
geeft zij weinig aanleiding tot eigen reacties van de toehoorders,
tenzij deze, in het onderwerp evenzeer thuis zijnde, van plan
zijn te laten zien, hoezeer zij in staat zijn minstens even knap te
zijn als de spreker.
Als het gehoor uit volwassenen bestaat, is waarschijnlijk acti-
vering tot het meedenken over het probleem belangrijker dan
het brengen van een aantal inzichten, die veelal op autoriteit
van de spreker worden geaccepteerd. Om zulk een wisselwerking
tussen spreker en publiek te bevorderen, wordt vaak aangekon-
digd, dat er een voordracht zal plaatsvinden met gelegenheid tot
discussie achteraf. Hoe vaak wordt men niet uitgenodigd met de
mededeling dat er na afloop ruim tijd voor discussie zal zijn.
Bijna steeds blijkt echter, dat dit een voorstelling van zaken is
die niet klopt met de werkelijkheid. Immers, heeft de spreker in
zijn voordracht een flink stuk informatie gegeven (wat vaak
nodig is), heeft hij het probleem uitputtend behandeld, kortom
heeft hij gedurende een klein uur als leider-informant voor de
groep gestaan, dan is het bijzonder moeilijk om direct daarna de
groep van rol te doen verwisselen en komt het er meestal op neer,
dat de voordrachthouder blijft in de rol van informatiegever en
199

Rs
5
KA
Ei
ie 4
E;
ES
Media en methoden
dat het gesprekspatroon na afloop zich afspeelt in de vorm van
vraag en antwoord.
Stelt de spreker dus prijs op een echte discussie na afloop, dan
zal hij zijn hele voordracht hierop moeten inrichten. Elke infor-
matie die hij brengt, zal hij afsluiten met een vraag: Wat be-
tekent dit voor situatie x of y? Bij de afsluiting van zijn voor-
dracht zal hij goed doen deze vragen nog eens uitdrukkelijk te
stellen en daarmede als het ware de discussie te openen.
Een hulp kan zijn, dat de inleider niet zelf het gesprek van de
discussie behoeft te leiden. Aangezien hij door de deelnemers
toch steeds gezien wordt als de man die gekomen is om antwoord
te geven op de vragen, zal alleen een derde als tussenpersoon de
discussie in goede banen kunnen leiden. Helaas is het zo, dat
bijna overal waar men komt, de discussieleider de discussie han-
teert als een vergadering van aandeelhouders, waarbij ieder op
zijn beurt het woord krijgt om een opmerking te kunnen maken.
We zullen hier echter op dit punt niet verder ingaan, omdat dit
probleem behandeld zal worden in het hoofdstuk over de
groepshantering.
Als men voor een onbekend publiek staat, vooral als dit groot
is, in een zaal met een slechte akoestiek, dan doet de spreker er
goed aan een bepaalde persoon op de achterste rij uit te kiezen,
waartoe hij zich gaat richten. Door dit bewust zich richten op de
achterste rij, bereikt men dat men overal goed verstaanbaar is
en dat ook zij die achterin zitten, duidelijk beleven, dat men
hen niet vergeet.
Dan zijn er in de zaal onmiddellijk te onderscheiden de ja- en
de nee-knikkers. Voorlopig zegt dit niets over de mate waarin
uw voordracht opvoedkundig werkt. Het zegt alleen dit, dat er
blijkbaar voor de ja-knikkers voorstellingen ontwikkeld worden,
die bij hen op verwante en soortgelijke voorstellingen stoten; ter-
wijl bij de nee-knikkers de voorstellingen die u brengt, blijkbaar
stoten op reeds gevormde voorstellingen van andere inhoud en
aard. Het gaat er niet om, om zoveel mogelijk ja-knikkers te
kweken in de loop van de voordracht, maar om te bereiken dat
de nieuwe voorstellingen, die u brengt, met de grootst mogelijke
intensiteit worden geconfronteerd met oude voorstellingen, die
de luisteraar medebrengt. In de volwassenen-opvoeding is het
immers niet onze taak anderen onze mening op te dringen, maar
om een situatie te scheppen waarin deze anderen de mogelijkheid
200

Media en methoden
krijgen problemen vanuit een nieuw gezichtspunt te gaan be-
kijken en daarover hun oordeel opnieuw te vormen.
Anders dan de ja-knikkers en de nee-knikkers zijn de opgetrok-
ken wenkbrauwen die hier en daar verschijnen en die voor de
spreker het bewijs zijn, dat de luisteraar de draad kwijt is geraakt
of de gedachtegang niet kan volgen. Dit kan voor de spreker
aanleiding zijn hetzelfde probleem nog eens met andere woorden
te schilderen of vanuit een andere kant het probleem nog eens
te benaderen. Hier is de voordrachthouder natuurlijk in het
voordeel tegenover de lezinghouder, die niet de vrijheid heeft
om zonder meer zijn betoog te onderbreken en het nog eens van
een andere kant uit te beginnen.
Inherent aan het zich vrij bewegen in de stof is het gevoel van
onbevredigdheid bij vele voordrachthouders, dat voortvloeit uit
het besef dat zij eigenlijk niet klaar gekomen zijn met wat zij
gezegd zouden willen hebben. Een troost moge zijn, dat de peda-
gogische werking van een voordracht niet gelijk behoeft te zijn
aan de compleetheid van gezichtspunten die over het publiek
uitgestort zijn. Juist het nog open gebleven probleem kan belang-
rijker zijn dan het afgeronde oordeel dat naast vele andere af-
geronde oordelen bij de toehoorder ad acta gelegd wordt.
Nog een enkel woord over de rol van de grap in het mondelinge
contact tussen spreker en publiek. In het Westen, speciaal in
Amerika, is het vrijwel onmogelijk een voordracht te houden,
zonder dat men begint met een aantal grappen te vertellen, die
vaak niets met het eigenlijke onderwerp te maken hebben. Het is
een vorm van introductie die in het verwachtingspatroon van
ons publiek in Europa niet past. Hier is de betekenis van de grap
een andere: de goede grap, de geestige toespeling kan in het ge-
heel van het betoog een zekere ontspanning brengen en daardoor
verfrissend werken. Het is echter een gevaarlijk middel, omdat
overdosering zeer snel voert tot afleiding van het eigenlijke onder-
werp en een stuk ernst en spanning wegneemt.
Geen enkele spreker die vaker optreedt, kan zich onttrekken
aan het feit dat het publiek met een bepaald verwachtingspatroon
naar hem komt luisteren. Ieder bouwt nu eenmaal een bepaalde
reputatie op en kan zich later moeilijk aan deze reputatie ont-
trekken. In een van zijn kostelijke schetsjes beschrijft Godfried
Bomans de tragiek van de man die de reputatie heeft grappig
te zijn en die zichzelf ten doel stelt een ernstige lezing te houden,
20I

EN
a
Media en methoden
waarbij hij bemerkt, dat reeds zijn eerste ernstige woorden de
zaal doen bulderen van het lachen, omdat men dat nu wel de
beste grap vindt, die men tot nu toe van hem hoorde. Het pu-
bliek laat zich nu eenmaal als massa niet snel op een ander ver-
wachtingspatroon overschakelen.
Aangezien de lezingen en voordrachten nog altijd het leeuwen-
aandeel bijdragen tot wat gedaan wordt op het gebied van
cultureel volwassenenwerk is het misschien van belang de spre-
kers er op te wijzen, dat zij geleidelijk leren zo te spreken, dat er
aan het eind van de voordracht een maximum aan individuele
activiteit in de zaal opgeroepen is. Men hoede zich echter voor
de illusie dat men via de voordracht als zodanig tot een groeps-
activiteit kan komen. Integendeel, juist bij die voordracht waar
het maximum aan interesse en activiteit bij de toehoorders is
opgeroepen, blijkt het bizonder moeilijk om daarna in de even-
tueel volgende discussies de toehoorders op elkaar te laten in-
gaan. Uit de relaties der drie componenten: probleemstelling,
spreker, individuele luisteraar, is een ‘driehoeksverhouding’ ge-
groeid, die moeilijk te verbreken is. Als het derhalve de bedoeling
is om te komen tot een groepsactiviteit, is het. wellicht goed om
niet de voordracht als inleiding hiertoe te gebruiken, maar deze
inleiding te beperken tot de eerste twee fasen, namelijk de intro-
ductie en de probleemstelling. Het middenstuk en het slot (het
eigenlijke werk) moet dan door de groep in onderlinge samen-
werking worden opgebouwd. Gaat de inleider hierop te sterk in,
dan zal hij beleven, dat de groep de neiging krijgt hem ook maar
de rest van het werk te laten doen.
IX De leergangen
C. CABOUT
Als we in het sociaal-culturele werk spreken over leergangen
(cursussen), dan gaan we uit van de veronderstelling, dat de
deelnemer er vrijwillig heengaat met de bedoeling sociaal-cultu-
reel meer ontwikkeld, gevormd te worden. In beginsel hoort het
niet tot het karakter van een sociaal-culturele leergang, dat ie-
mand zich daarvoor opgeeft, gedreven door factoren die vreemd
zijn aan de strekking van de cursus. Als tegenstelling: gaat het
202

Ps
“VORMING
HANDBOEK
VOOR SOGCIAAL-CULTUREEL
VORMINGSWERK
MET VOLWASSENEN
ONDER
REDACTIE VAN
PROF.DR.T.T.TEN HAVE
UITGEGEVEN
TER GELEGENHEID VAN
HET 175-JARIG BESTAAN
DER MAATSCHAPPIJ
TOT NUT
VAN’T ALGEMEEN
J.B. WOLTERS GRONINGEN
MCMLIX