← Back to catalogue

Creativity and entrepreneurship

Author:
Victor Meijer
Original title:
Creativiteit en ondernemerschap
Type:
Article
Language:
Dutch
Year:
1992
Pages:
9
Subject:
What is creativity? Creativity and life force. Creativity and the ability to become an entrepreneur.
NPI reference no.:
8132.928

Ni
NPI - Instituut voor Organisatie Ontwikkeling
tartikel: 8132.928
VM/LG
CREATIVITEIT EN ONDERNEMERSCHAP
"De creatieve verbeelding heeft een dubbele verbinding: aan
de “uitvoer'-kant, waar zich een ontvankelijk publiek be-
vindt en aan de "invoer"-kant waar de realiteit zelf is. Als
een van beide verbindingen verbroken is, stroomt er geen
electriciteit meer. Beide kanten van deze creativiteit vra-
gen om vertrouwen: aan de uitvoerkant moeten we hopen, dat
er publiek is of zal komen. Aan de invoerkant moeten we
hopen, dat het materiaal door ons heen zal gaan spreken, dat
zich al doende uit de leegte allerlei onvoorziene patronen
zullen aandienen."
John Updike
Inleiding
Tijdens een beleidsbijeenkomst van een groep topmanagers van
een grote organisatie werd enige jaren geleden door een van
de deelnemers de vraag gesteld: “Hoe ontwikkelen wij de on-
dernemerskwaliteit van mensen in dit bedrijf?"
Met deze vraag doorbrak hij een cultuur. Een cultuur waarin
het "ondernemer zijn" synoniem was met het bekleden van een
topfunctie, Een cultuur met min of meer verborgen opvattin-
gen als:
- slechts de topfunctionaris heeft verantwoordelijkheid;
- verantwoordelijkheid is wat je krijgt en niet wat je
neemt ;
-— mensen zijn functies en hangen met elkaar samen volgens
logische principes;
- beleidsbeslissingen worden genomen door het topmanagement;
- de toekomst is voorspelbaar en beheersbaar;
— ontwikkeling is het "binnenhalen!" van kennis;
- als je wilt laten zien dat je hard werkt, toon je een ver-
moeid uiterlijk en zucht je van tijd tot tijd duidelijk
hoorbaar.
Deze opsomming is niet volledig maar hopelijk voldoende om
te zien hoe revolutionair de vraagstelling was. De vraag
lijkt uit een cultuur te komen met andere opvattingen, als:
— ondernemerschap is een algemeen menselijke kwaliteit;
- ieder mens kan ondernemer zijn;
- het vermogen om ondernemend te zijn is ontwikkelbaar;
- "wij" kunnen dat bij anderen ontwikkelen.
Dit artikel van V.H. Meijer is eerder verschenen in het
NPI-Bulletin 1985/6
Valckenboschlaan 8, Postbus 299, 3700 AG Zeist, Telefoon 03404-20044, Fax 03404-12770.

Met een groep managers en adviseurs heb ik destijds gewerkt
aan een nieuw programma voor management-ontwikkeling in ge-
noemde organisatie. Hierbij was onze leidraad de eerder ge-
noemde vraag: "Hoe ontwikkelen wij de ondernemerskwaliteit
van pensen in dit bedrijf?" Maar wat is ondernemerskwali-
eit?
Ik heb ervaren, dat het ontdekken van deze kwaliteit aan-
zienlijk vergemakkelijkt werd door de vraag niet meteen te
beantwoorden, maar hem als het ware te laten "werken". Ik
dook dus niet de literatuur in om alles te weten te komen
over ondernemerschap, maar liet mij in de activiteiten rond-
om de ontwikkeling van het management-programma sturen door
deze vraag. Het antwoord op de vraag kon zich daardoor uit-
spreken in concrete situaties die we aantroffen. Op deze
manier ontwikkelde zich haast als vanzelf een concept dat
ontleend was aan de realiteit zelf. In dit artikel wil ik u
de gedachtengang schetsen die in dit proces ontstond.
Creativiteit
Van meet af aan heb ik gezocht naar een relatie tussen on-
dernemerskwaliteit en creativiteit. Nieuwe onderzoeksvragen
ontstonden:
— wanneer is iemand creatief?
- is creativiteit te definiëren?
-— wâarom hoorde ik zo vaak dat de mensen in het bedrijf zo
weinig creatief waren?
- hoe maken wij eigenlijk gebruik van onze vermogens?
Toen een van de managers aan wie ik de vraag stelde naar
creâtiviteit antwoordde met "dan moet je volgens mij eens
goed naar kinderen kijken", gaf hij de eerste stap van de
gedachtengang aan.
Een | mens heeft behalve zijn fysieke verschijningsvorm nog
een! andere. Deze is waar te nemen in de kwaliteit van de
activiteiten en uitingen die hij doet. Spreken, schrijven,
resultaten van werk, kleding, gelaatsuitdrukking, enz. zijn
alle uitingen die ik even samenvat met "expressie". Daarach-
ter liggen de vermogens om tot expressie te komen.
Direct na de geboorte toont een kind de aanleg van een van
deze vermogens: willen, zich uitdrukkend in handelen. Aan-
vankelijk primitief. Het verlangen naar voeding en moeder-
lijke warmte uiten zich in huilen en lachen. Ook het zich
willen oprichten tegen de zwaartekracht in duidt op dit ver-
mogen. Het rondkruipen na enige maanden is aanvankelijk nog
vrij willekeurig. Maar het kind maakt kennis met de begren-
zing van de ruimte. Pijn als het zich stoot en plezier als
het | zijn konijntje vindt, brengen hem in contact met zijn
gevòelsvermogen.
|

De bewegingen worden steeds minder willekeurig en worden ge-
stuurd door de ontstane gevoelens van angst en bevrediging.
Het kind ontmoet conflicterende situaties in zijn prille ge-
voelsleven. Nadat hij zijn vingers aan de oven gebrand
heeft, haalt moeder er even later een appeltaart uit. Angst
(de "stoute" oven) en bevrediging (moeders liefde) in één
beeld bij elkaar. Het kind overwint dit conflict door dit
beeld "in te zien, te begrijpen!" en zo de ervaring te kunnen
toestaan dat twee tegenstrijdige gevoelens naast elkaar kun-
nen bestaan. Het intellectuele vermogen ontwikkelt zich
noodzakelijkerwijze. Het vermogen te "zijn!" was direct bij
de geboorte waarneembaar.
Ik vat deze ontwikkeling samen in het volgende plaatje:
zijn/wezen
willen
Deze vermogens ontwikkelen zich als het ware achtereenvol-
gens doordat het kind "op aarde" wil. Hij gebruikt zijn ver-
mogens in het aanpassingsproces aan de omgeving en ontwik-
kelt ze tegelijkertijd door de ervaringen die het opdoet.
Het kind heeft twee typen verbindingen met de buitenwereld:
die van de waarneming (impressie) en die van de handeling
(expressie).
Het beeld breidt zich iets uit:
impressie
wezen
willen
voelen
denken
expressie

Het kind betast als het ware zijn impressies met zijn ver-
mogens en toont zijn vermogensontwikkeling in zijn expres-
sie.
Met name vanaf de middelbare schooltijd poogt zich van
buitenaf een tegengestelde ontwikkelingsrichting te manifes-
teren. We leren het kind uitgekristalliseerde kennis en er-
varing. Kort gezegd: eerst theorie, dan practicum. Opdat het
kind er ooit mee kan werken. Helaas blijft deze richting
veelal steken in de denklaag. Voor ervaring opdoen is geen
of nauwelijks tijd. Het zo beweeglijke denkvermogen wordt
tot een denkharnas:
Ik geloof, dat bij veel volwassenen van deze situatie sprake
is. De consequentie van dit beeld is, dat impressies niet
meer ‘door de mens trekken". Ze stuiten af op het harnas van
de analyse,
impressie
expressie
Het mogelijk nieuwe in de impressie wordt niet in de expres-
sie tot uitdrukking gebracht. De waarneming is teruggebracht
tot datgene wat we al wisten en kenden,
Dit beeld zal u niet onbekend voorkomen. Reacties op voor-
stellen van medewerkers luiden toch vaak:
- leuk rapport, maar ik zou het toch anders doen;
- wat jammer nou dat u hier nu pas mee komt, we hebben al
besloten....53
— uw voorstel klinkt wel aardig, maar dit hebben we vijf
jaar geleden ook al geprobeerd;
- leuke theorie, maar zo weinig onderbouwd.

Deze expressies hebben in het algemeen het karakter van ont-
kenning. De aandacht gaat niet uit naar wat er is, maar naar
wat er ontbreekt. Het gevolg is, dat mensen deze reacties
gaan voorkomen en "fouten! vermijden. Uit hun activiteiten
spreekt kennis die de omgeving (chef b.v.) bevestigt.
Een ander beeld (al zichtbaar bij de periode van het kind)
ontstaat als de mens zijn impressies volledig toelaat en in-
houd, kwaliteit, intentie en essentie van deze impressie
waarneemt en “omvormt! met zijn vermogens:
“oude"'—expressie
ZN
impressie
inhoud (idee)
kwaliteit (verhouding tot)
intentie (beweegrichting)
essentie ("hart'" van de
impressie)
inhoud
authentieke } kwaliteit
nieuwe intentie
7e expressie essentie
In de hieropvolgende expressie toont de mens wat hij heeft
waargenomen. Maar in de keuzen die hij daarbij maakt voegt
hij iets van zich zelf toe. Hij en niemand anders deed deze
waarneming. De expressie wordt authentiek en vertelt iets
over een ontmoeting. De vermogens worden nu niet aangewend
om de impressie te analyseren, maar om de eigenheid van de
impressie waar te nemen,
Want wat ik over het denkvermogen al gezegd heb, geldt ook
voor de andere vermogens. Ik ben bang voor deze hond, omdat
ik altijd bang was voor honden; ik kan ook een nieuw gevoel
met honden aangaan door deze hond te gaan leren kennen. Ik
kan een ondergeschikte belemmeren in zijn initiatief, omdat
ik nou eenmaal andere plannen heb; ik kan hem ook een kans
geven ook al weet ik niet precies wat zijn initiatief tot
gevolg heeft: ik ga mee met mijn wil in zijn intentie.
Hoe deze tweestrijd tussen verledengebonden en toekomstge-
richte expressie zich afspeelt in het centrale vermogen (het
zijn, het existeren) vind ik moeilijk te omschrijven. Toch
probeer ik het.

De tweestrijd in het zijn spreekt zich uit in existentiële
vragen. Vragen die ons hele waardenstelsel raken, vragen die
kunnen leiden tot beslissingen die het leven een nieuwe wen-
ding kunnen geven. De vraag die de manager aan het begin van
dit artikel stelde was zo'n vraag. Hij was niet te beant-
woorden, maar degenen die hem toelieten werden geraakt. Des-
tijds aan de vergadertafel viel een diepe stilte, de discus-
sie ("oude" expressie) was gestokt. Daarna barstte een storm
los van nieuwe vragen.
Ik wil hier geen lans breken voor het altijd "open!" zijn.
Juist omdat het wezen in ons dan altijd geraakt wordt. Ons
harnas is ook een bescherming. De toekomst ingaan gaat nou
eenmaal voetje voor voetje. Een stap voorwaarts en dan even
terugkijken (impressie) om het contact met het bestaande
niet te verliezen,
In de mogelijkheid die in ons mensen schuilt om te kiezen
tussen verleden en toekomstexpressie zit de sleutel naar
creativiteit. We maken deze "sprong" door wel of niet naar
onze existentiële vragen te luisteren. Of we dit doen, hangt
samen met een fenomeen dat in dit proces een belangrijke rol
speelt: onze (levens)energie.
Creativiteit en levensenergie
U kent ongetwijfeld het verkwikkende gevoel als u iets ge-
realiseerd heeft wat u wilde doen. U kent vast en zeker men-
sen in uw omgeving die hard werken en toch nooit moe zijn.
Ze lijken ontspannen in situaties waar u zich uitgeput zou
voelen. We noemen ze energiek. Uit ervaring weten we dat dit
weinig zegt over hun fysieke conditie. Het begrip "energie"
heeft hier een andere betekenis. Om het te onderscheiden van
de energie die we verkrijgen uit onze spijsvertering en om
het verband te leggen met het voorafgaande noem ik het voor-
lopig "levensenergie". Ik leg dit verband omdat ik een rela-
tie vermoed met het voorafgaande. Een paar voorbeelden moge
dit illustreren.
Lachen, dansen, zingen, sportbeoefening, enz. geven in hun
spontane uitingsvorm energie. Als we in ons dagelijks leven
vermoeid raken zoeken we vaak onbewust in dit soort uitingen
een "afleiding". Hoewel hier gewoonlijk gesproken wordt van
"overtollige energie kwijtraken" gebeurt hier feitelijk het
omgekeerde. We doen energie op, in een situatie waarin we
even ons zelf zijn. Omgekeerd raken we vermoeid als we nooit
ons zelf kunnen zijn. We verkeren dan in een situatie waarin
we ons voortdurend aanpassen aan de omgeving. We doen alleen
dat waarvan we denken dat de omgeving dat van ons verwacht.
Als we ons "gezien" en gewaardeerd voelen, zijn we tot meer
in staat dan in het tegengestelde geval.

Dit soort voorbeelden wijst op een relatie tussen levens-
energie, ons zelf en onze omgeving. Levensenergie ontstaat
niet in ons zelf maar die ontlenen we aan onze omgeving in
de wisselwerking ermee. In het eerder geschetste beeld van
impressie-wezen-expressie doet zich een energiestroom voor
in tegengestelde richting.
levensenergie
Als deze stroom door wat voor oorzaak dan ook geblokkeerd
wordt, disfunctioneert de persoon. Of, als iemand niet goed
functioneert, is zijn energiestroom geblokkeerd. Mijn veron-
derstelling is, dat dan ook de verbinding impressie-wezen-
expressie niet volledig is.
In adviessituaties vraag ik vaak waaraan mensen hun energie
opdoen en waaraan ze hun energie besteden. De situaties die
men beschrijft, laten dan verrassend snel zien waar de wer-
kelijke problemen en uitdagingen liggen.
Dit thema is bij mij nog lang niet uitgekristalliseerd.
Een paar voorlopige conclusies wil ik u echter niet onthou-
den:
—- onaangepastheid van mensen wijst op hun vermogen originele
initiatieven te kunnen nemen;
- volledige aanpassing aan de organisatie lijkt een nobel
streven, maar het individu doet zich zelf en de organisa-
tie in hun ontwikkeling tekort;
- als een persoon een tekort of een teveel aan energie
heeft, is het contact met zijn omgeving verstoord;
— als iemand energetisch in balans is, ontwikkelt hij zich
zelf en de omgeving.
Creativiteit en ondernemersvermogen
De geschetste "authentieke expressie" in een sociale omge-
ving zou ik ondernemersvermogen willen noemen. Activiteiten
die een mens pleegt omdat hij in zijn sociale omgeving
levensvragen heeft waargenomen waar hij wat mee doet. Hij
doet dat niet alleen omdat hij ze waargenomen heeft, maar

4
:
ook omdat ze zijn eigen levensvragen raken. In die activi-
teiten gebruikt hij zijn vermogens om het "oude" in te zien
en ontwikkelt hij zijn vermogens in het doen van het
“nieuwe!,
Conclusies
Deze gedachtengang heeft vele consequenties. Ik wil daarbij
teruggrijpen op de verborgen waarden aan het begin van dit
artikel:
- ieder mens kan ondernemend zijn;
— ondernemend zijn is noodzakelijk voor zijn ontwikkeling;
- in het ondernemend zijn maakt een mens toekomst;
- als een organisatie deze ontwikkeling toestaat, zullen
identiteit, waardenstelsel, doelstellingen, mensen, struc-
turen, processen en middelen van de organisatie voortdu-
rend veranderen;
- de toekomst is niet voorspelbaar of beheersbaar maar maak-
baar;
- elke authentieke daad creëert nieuw beleid en kan leiden
tot bewust gekozen beleid;
- vernieuwing is waarschijnlijk meer aan de periferie van de
organisatie waar te nemen dan in de afdeling bedrijfsinno-
vat ies;
- klantgerichtheid is daar te vinden waar iemand "werkelijk"
in de behoefte van een klant voorziet;
- mensen vinden hun arbeidsmotief niet in de beloning maar
in hun eigen levensvraag die de levensvraag van anderen
“yindt!'';
— iemand ontwikkelt zich omdat het noodzakelijk is vanuit
het leven zelf. De omgeving kan daartoe meer of minder
uitnodigen. Wij kunnen niet iemand anders ontwikkelen, Wij
kunnen wel datgene overdragen wat wij al kenden of een om-
geving scheppen waaraan anderen zich ontwikkelen;
— verantwoordelijkheid pak je op en krijg je niet;
- ideeën bedenk je niet, maar zijn waarneembaar in de omge-
ving;
- contact maken met de ander is ook contact maken met je-
zelf;
— enz.
Waarschijnlijk helpt de gedachtengang u om eens op een ande-
re manier naar mensen in uw organisatie te kijken, om dingen
te durven doen die steeds maar uitgesteld worden. Skiën leer
je niet goed als de skileraar je leert hoe je voorkomt te
vallen. Vallen is noodzakelijk om skiën te leren. Zo ook met
ondernemerschap. Falen is noodzakelijk om een goede onder-
nemer te worden.

Overigens ben ik mij ervan bewust dat ik minder heb gezegd
over de ondernemer in de gebruikelijke zin van het woord dan
over het gebruik van innerlijke vermogens welke ten grond-
slag liggen aan het ondernemend zijn. Het zegt iets over
mijn zoeken naar aanknopingspunten bij mensen die "in bewe-
ging willen komen. Door de beschreven gedachtengang ben ik
beter gaan zien in wat voor dilemma's managers verkeren in
een bureaucratische organisatie. Iemand die iets onderneemt,
doet in wezen een stap in de toekomst, waarvan de juistheid
zich pas uitspreekt in het effect. Het is een stap in het
duister en je kunt uitglijden (op je bek gaan). In een cul-
tuur waar gemaakte fouten een carrière kunnen blokkeren,
wint de angst voor fouten het van de moed om risico's te
nemen. De cultuur wordt laf als een kop melk met een
scheutje koffie, In een cultuur, waar analytisch vermogen
hoog gewaardeerd wordt, is het stellen van vragen een teken
van onvermogen. Je stelt ze dus niet. Je bant ze uit je be-
wustzijn en het innerlijke verhardingsproces wordt beloond
omdat je steeds beter functioneert in een proces dat moet
voldoen aan de theorie van de fysische regelsystemen.
Waar ik vooral op heb willen attenderen, is dat creativi-
teitsontwikkeling een proces is dat zelf gedaan moet wor-
den. Onbevangen leren waarnemen is één kant. Het authentieke
doen een andere. Je energiebalans vertelt iets over het
juiste tempo en de realiteitswaarde van dit ontwikkelings-
proces. In een verharde cultuur begint de vernieuwing bij de
persoon die de verharding-doorbrekende vraag stelt. De ver-
nieuwing voltrekt zich in activiteiten van waaruit nieuwe
waarden zich uitspreken. Toch ben ik niet van mening dat de
bureaucratische cultuur op zich slecht is. Ik ben me ervan
bewust dat het een "deel" van de organisatie is waarin het
verleden zich uitspreekt. Zoals een stoel het toenmalige
idee van de ontwerper weerspiegelt. Als ik de bureaucratie
zie als een stoel waarin ik af en toe kan uitrusten, kan het
mij zelfs ondersteunen. Als ik de bureaucratie zie als een
kooi, dan voel ik mij gevangen doch goed verzorgd. Wie zo
naar de bureaucratie kijkt is als een kuiken dat door een
spleet van het ei naar buiten kijkt, constateert dat de
wereld bestaat uit eieren en besluit dat zijn leven zal ein-
digen in deze beschutte hoewel nu wat benauwend wordende
ruimte.
COPYRIGHT NPI